ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0268
Gerechtshof Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beperking rechtstreekse uitzicht volgens artikel 5:50 BW bij appartementenbouw
In deze zaak staat de uitleg van artikel 5:50 van Pro het Burgerlijk Wetboek centraal, dat het rechtstreekse uitzicht op naburige erven reguleert. De voorzieningenrechter had geoordeeld dat alle ramen, deuren en balkons binnen twee meter van de erfgrens die uitzicht geven op het naburige erf in strijd zijn met dit artikel, zonder onderscheid te maken tussen rechtstreekse en zijdelingse uitzichten.
Het hof stelt dat dit een verkeerde toepassing is van artikel 5:50 BW Pro. Alleen ramen, deuren en balkons die recht naar voren uitzicht geven op het naburige erf kunnen strijdig zijn met het artikel. Deze uitleg wordt ondersteund door de wetsgeschiedenis, waarin expliciet is gekozen voor beperking tot rechtstreekse uitzichten vanwege het belang van licht en lucht en het onrechtvaardige karakter van een verbod op zijdelings uitzicht.
Na deze uitleg heeft de geïntimeerde zijn vordering beperkt tot het ondoorzichtig en niet-openbaar maken van ramen en het aanbrengen van privacyschermen op balkons die rechtstreekse zicht op zijn erf geven. Het hof wijst deze gewijzigde vordering toe en veroordeelt de geïntimeerde in de proceskosten, omdat hij grotendeels in het ongelijk wordt gesteld.
Uitkomst: Het hof bepaalt dat alleen rechtstreekse uitzichten op het naburige erf ondoorzichtig gemaakt moeten worden en privacyschermen moeten worden aangebracht, en veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten.