ECLI:NL:RBLIM:2026:1382

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11938362 \ CV EXPL 25-4546
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering terugbetaling afkoopsom leaseauto bij vroegtijdig einde arbeidsovereenkomst

Werknemer trad in juli 2023 in dienst bij werkgever met een arbeidsovereenkomst waarin een leaseregeling was opgenomen. Werknemer ontving de leaseregeling voorafgaand aan indiensttreding, maar tekende de gebruikersovereenkomst niet. In juni 2025 zegde werknemer de arbeidsovereenkomst op en werkgever hield een bedrag in verband met de leaseauto.

Werkgever vorderde betaling van een afkoopsom voor de leaseauto, terwijl werknemer stelde dat de regeling niet geldig was en dat hij niet gehouden was tot terugbetaling. De kantonrechter oordeelde dat werknemer wel gebonden is aan de leaseregeling, omdat deze via een incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst is opgenomen en werknemer wist van de regeling.

Echter, omdat de auto nog niet was ingeleverd en de daadwerkelijke schade nog niet vaststond, kon de vordering tot betaling van de afkoopsom niet worden toegewezen. Werknemer moet de afkoopsom betalen zodra deze definitief is vastgesteld. De overige vorderingen van partijen, waaronder terugbetaling studiekosten en vakantiedagen, werden afgewezen. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: Vordering tot betaling afkoopsom leaseauto afgewezen omdat schade nog niet bekend is; werknemer is wel gebonden aan leaseregeling.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11938362 \ CV EXPL 25-4546
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigde: DAS Rechtsbijstand,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigde: mr. R. Joosten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de bij brief van 28 januari 2026 overgelegde e-mail
- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026
- de spreekaantekeningen van [werkgever].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is op 1 juli 2023 bij [werkgever] in dienst getreden als bedrijfsarts ANIOS op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [werknemer] verdiende laatstelijk een salaris van € 7.000,00 bruto per maand.
2.2.
In de schriftelijke door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst zijn in artikel 6.1. de bepalingen van het Arbeidsvoorwaardenpakket (APV) van toepassing verklaard.
2.3.
Ingevolge artikel 10 van Pro de schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn de volgende regelingen, bepalingen, afspraken en verplichtingen van toepassing:
  • pensioenregeling Centraal Beheer
  • vakantie- en verlofregeling (zie APV)
  • functiegebonden regeling met verstrekking van telefoon en laptop.
  • functiegebonden leaseregeling.
2.4.
[werknemer] heeft per e-mail op 27 juni 2023 verschillende documenten ontvangen, zoals bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst en de APV 2022-2025.
2.5.
Per e-mail van 30 juni 2023 wordt aan [werknemer] de lease-autoregeling toegestuurd. Daarbij was als bijlage de gebruikersovereenkomst inzake leaseauto [werkgever] B.V. gevoegd. [werknemer] heeft de overeenkomst niet ondertekend.
2.6.
[werknemer] laat op 3 juli 2023 weten welke leaseauto hij graag wil rijden en deze auto wordt in oktober 2023 geleverd.
2.7.
[werknemer] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 juli 2025. [werkgever] bevestigt de opzegging bij brief van 2 juni 2025. In deze brief laat [werkgever] ook weten dat zij een overzicht zal sturen van de terug te betalen opleidingskosten en de kosten van de beëindiging van het leasecontract.
2.8.
Bij de betaling van het loon over juni 2025 is een bedrag van € 3.521,68 ingehouden in verband met de beëindiging van de leaseovereenkomst.
2.9.
De auto is nog niet teruggegaan naar de leasemaatschappij. Een van de directeuren van [werkgever] rijdt in de auto.
2.10.
[werkgever] heeft haar aanspraak op de studiekosten laten vallen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[werknemer] vordert - samengevat - :
  • een verklaring voor recht dat hij niet gehouden is tot terugbetaling van studiekosten of opleidingskosten aan [werkgever];
  • een verklaring voor recht dat hij niet gehouden is tot terugbetaling van de leasekosten;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van € 3.521,68 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
3.2.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[werkgever] vordert - samengevat – veroordeling van [werknemer] tot betaling van:
  • € 13.161,62 uit hoofde van de leaseregeling;
  • € 396,47 aan te veel uitbetaalde vakantiedagen;
  • € 875,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • de proceskosten.
3.5.
[werknemer] voert verweer. [werknemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werkgever], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werkgever], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werkgever] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld
De opleidingskosten
4.2.
[werknemer] vordert in de eerste plaats een verklaring voor recht dat hij niet gehouden is tot terugbetaling van studiekosten of opleidingskosten aan [werkgever]. In deze procedure heeft [werkgever] laten weten geen aanspraak meer te maken op de terugbetaling van die kosten. Het belang bij de gevorderde verklaring voor recht is hiermee komen te vervallen, zodat deze vordering wordt afgewezen.
De leaseregeling
4.3.
Partijen verschillen van mening over de geldigheid van de leaseautoregeling en de vraag of [werknemer] een afkoopsom moet betalen. In haar brief van 6 juni 2025 geeft [werkgever] aan dat [werknemer] een bedrag van € 16.683,30 exclusief btw aan afkoopsom moet betalen.
4.4.
[werknemer] stelt zich op het standpunt dat de regeling niet geldig is. Deze is niet concreet en [werknemer] wist op voorhand niet waar hij aan toe was. [werkgever] is niet transparant geweest. [werknemer] moest al ondertekenen voor de leaseregeling voordat hij deze heeft ontvangen en de inhoud kende. De gebruikersovereenkomst is nooit door hem ondertekend en het door [werkgever] genoemde bedrag is niet onderbouwd.
4.5.
[werkgever] voert aan dat het arbeidsvoorwaardenpakket voor de indiensttreding aan [werknemer] ter beschikking is gesteld. Dat hij de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend voordat hem een hardcopy ter beschikking is gesteld, doet aan het voorgaande niet af. Het had [werknemer] vrijgestaan om niet in dienst te treden of tijdens de proeftijd op te zeggen.
[werknemer] wist heel goed dat er een afkoopregeling gold voor de leaseauto. Daarbij wijst [werkgever] erop dat [werknemer] een schermafbeelding van de betreffende bepaling vanuit zijn zakelijk e-mailadres naar zijn privéadres stuurde. Verder betwist [werkgever] dat de regeling niet transparant is. Volgens artikel 12.1 van de leaseregeling moet de werknemer de werkgever schadeloos stellen bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op eigen initiatief. De schadeloosstelling bestaat uit de afkoopsom die de leasemaatschappij bepaalt of de resterende termijnen van de leasetermijn van de auto. Op 23 mei 2025 heeft de leasemaatschappij laten weten dat de afkoopsom € 16.683,30 exclusief btw bedraagt.
De auto is nog niet ingeleverd omdat het niet duidelijk was of [werknemer] deze zou overnemen. [werkgever] heeft wel zolang de leasetermijnen moeten betalen.
4.6.
De kantonrechter stelt voorop dat het de werkgever in beginsel is toegestaan om met de werknemer af te spreken dat de kosten van de leaseauto bij voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer voor rekening komen van de werknemer zelf. Het Hof Amsterdam oordeelde dat een dergelijke afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is en dat de werkgever nakoming van deze afspraak kan vorderen. [1] Het is dan wel vereist dat de afspraken duidelijk worden vastgelegd en aan de werknemer kenbaar worden gemaakt. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter gebeurd. De afspraken liggen vast in de voor de indiensttreding aan [werknemer] toegestuurde lease-autoregeling. Hiermee wist [werknemer] dat hij een afkoopsom moest betalen dan wel de resterende leasetermijnen bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op eigen initiatief. Dat geen concreet bedrag is genoemd, kan eenvoudigweg verklaard worden door het feit dat dit afhankelijk is van het tijdstip waarop [werknemer] de arbeidsovereenkomst opzegt en de leaseovereenkomst eindigt. Voor zover een en ander hem niet duidelijk was dan had hij in overleg kunnen gaan met [werkgever] maar dit heeft hij niet gedaan.
4.7.
[werknemer] stelt verder dat hij de gebruikersovereenkomst niet heeft ondertekend. Dit leidt er echter niet toe dat hij niet gehouden kan worden aan de leaseregeling. Partijen zijn deze regeling immers uitdrukkelijk via een incorporatiebeding overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. [werknemer] wist bij ondertekening dus dat er een leaseautoregeling bestond en heeft die ook – voordat hij een leaseauto bestelde – ontvangen. Hij wist of had dus kunnen weten waaraan hij zich verbond. Van een werknemer van het niveau als [werknemer] mag verwacht worden dat hij wist waaraan hij zich verbond. Daaraan doet niet af dat hij de gebruikersovereenkomst zelf niet heeft ondertekend.
De conclusie luidt daarom dat [werknemer] gebonden is aan de leaseregeling.
4.8.
Het voorgaande betekent vervolgens niet automatisch dat de vordering van [werkgever] toewijsbaar is. Uit artikel 7:611 BW Pro volgt dat bij voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst de werkgever zal moeten waken voor de belangen van de werknemer en op zijn minst een deugdelijke specificatie zal moeten opvragen en beoordelen of de in rekening gebrachte afkoopsom is berekend conform de leaseovereenkomst. Dit heeft onder meer het Hof Arnhem-Leeuwarden in haar uitspraak van 16 februari 2016 beslist. [2] .
4.9.
Ter onderbouwing van haar schade heeft [werkgever] een brief van Wealerlease van 23 mei 2025 overgelegd. [3] Wealerlease bepaalt de afkoopsom op € 16.683,30 exclusief btw per 1 juli 2025. [werkgever] heeft een bedrag van € 3.521,68 netto op het loon over juni 2025 van [werknemer] in mindering gebracht. Aan afkoopsom vordert [werkgever] daarom nog € 13.161,62.
De kantonrechter is van oordeel dat deze vordering (nu nog) niet kan worden toegewezen. De afkoopsom is namelijk berekend op een beëindiging van het leasecontract per 1 juli 2025. De auto is op dit moment nog in gebruik bij een van de directeuren en nog niet ingeleverd. De afkoopsom zal hiermee lager worden. Daar staat tegenover dat [werkgever] nog steeds de leasetermijnen betaalt, maar op de mondelinge behandeling is namens [werkgever] verklaard dat de directeur, die nu in de leaseauto van [werknemer] rijdt, normaal gesproken in een leaseauto van een hogere klasse rijdt. Deze kosten spaart [werkgever] zich nu, waardoor haar schade ook beperkt wordt. Omdat nu niet vaststaat wat de afkoopsom/schade is op het moment van inlevering van de auto en beëindiging van het leasecontract kan de vordering van [werkgever] niet worden toegewezen. Dit laat echter onverlet dat [werknemer] wel de afkoopsom/schade moet betalen op het moment dat de leaseovereenkomst met Wealerlease wordt beëindigd. [werknemer] zal de afkoopsom, nadat deze is vastgesteld en beoordeeld, moeten betalen. De partijen geeft partijen in overweging in overleg te gaan zodat hierover geen nieuwe procedure gestart hoeft te worden. Daarbij geldt dat op de mondelinge behandeling namens [werkgever] is verklaard dat [werknemer] alleen de daadwerkelijke schade hoeft te betalen.
4.10.
Op het loon van juni 2025 is een bedrag van € 3.521,68 netto ingehouden aan leasekosten. Omdat [werknemer] toch een afkoopsom moet betalen heeft hij nu geen belang bij terugbetaling van het reeds ingehouden bedrag. De kantonrechter zal daarom deze vordering ook afwijzen. Als gevolg daarvan worden ook de gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente afgewezen.
Ook de door [werkgever] gevorderde betaling van de leasekosten wordt afgewezen.
De buitengerechtelijke kosten van [werknemer]
4.11.
Omdat de vorderingen tot betaling van de gevorderde hoofdsom, wettelijke verhoging en wettelijke rente van [werknemer] worden afgewezen, is er ook geen aanleiding tot toewijzing van buitengerechtelijke kosten. Ook deze nevenvordering wordt daarom afgewezen.
Het teveel betaalde bedrag aan vakantiedagen
4.12.
[werkgever] stelt dat [werknemer] na het opmaken van de eindrekening nog 18 uur verlof heeft opgenomen. Hierdoor is € 396,47 te veel aan [werknemer] betaald. [werknemer] voert hiertegen aan dat dit uit niets blijkt. [werkgever] heeft haar vordering niet onderbouwd.
4.13.
De kantonrechter is van oordeel dat deze vordering moet worden afgewezen. [werkgever] heeft haar vordering niet onderbouwd en heeft hiermee niet aan haar stelplicht voldaan. Ook na het op dit punt gevoerde verweer heeft [werkgever] haar stellingen op de mondelinge behandeling niet onderbouwd of toegelicht.
De buitengerechtelijke kosten van [werkgever]
4.14.
[werkgever] vordert een bedrag van € 875,00 aan buitengerechtelijke kosten. Omdat de vorderingen van [werkgever] worden afgewezen, is er ook geen rechtsgrond voor toewijzing van de buitengerechtelijke kosten.
De proceskosten
4.15.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [werknemer] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen van [werkgever] af,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 31 juli 2012, JAR 2012/41
3.Productie 6 bij dagvaarding