ECLI:NL:RBLIM:2026:1581

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
ROE 24/3709
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.3 WMO 2015Art. 4:6 AwbArt. 11, vierde lid, Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatwerkvoorzieningen woonvoorzieningen wegens voorzienbaarheid en gebrek aan medewerking

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor maatwerkvoorzieningen op grond van de WMO 2015, bestaande uit een verbouwing met opslag-, verhuis- en verblijfskosten, een traplift en een jacuzzi. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvragen af. De verbouwing werd afgewezen omdat eisers verhuisden naar een woning die niet rolstoelgeschikt is, terwijl zij dit hadden kunnen voorzien en vermijden door een passende woning te kiezen.

De aanvraag voor een nieuwe traplift werd afgewezen omdat eisers herhaaldelijk weigerden een adviseur van de trapliftenleverancier toe te laten voor onderzoek naar de veiligheid en het functioneren van de huidige traplift, waardoor het college onvoldoende informatie had om de aanvraag te beoordelen. De aanvraag voor een jacuzzi werd afgewezen omdat een eerdere aanvraag reeds was afgewezen en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht de aanvragen heeft afgewezen. Eisers waren zich bewust van de beperkingen van de woning en de gevolgen daarvan, en hebben hun verantwoordelijkheid erkend. Er is geen sprake van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor maatwerkvoorzieningen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/3709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J.E.A.H. Verstraelen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht

(gemachtigde: : mr. M.A. Otte en P.H.J.M Kalmar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag van eisers. Eisers hebben maatwerkvoorzieningen gevraagd in de vorm van woonvoorzieningen: (1) een verbouwing met opslag-, verhuis- en verblijfskosten; (2) een traplift en (3) een jacuzzi. Het college heeft de aanvraag voor een verbouwing afgewezen, omdat eisers zijn verhuisd naar een woning die niet rolstoelgeschikt is. Het college heeft de aanvraag voor een nieuwe traplift afgewezen, omdat eisers hebben geweigerd een adviseur van de leverancier van de traplift te laten kijken naar de veiligheid en het functioneren van de huidige traplift. Daardoor is er onvoldoende informatie om de aanvraag voor een nieuwe traplift te kunnen beoordelen. De aanvraag voor de jacuzzi heeft het college afgewezen, omdat eisers daarvoor eerder een aanvraag hebben gedaan, die is afgewezen en zij nu geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden hebben aangevoerd. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft met het primaire besluit van 11 december 2023 de aanvraag van eisers voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015) voor: (1) een verbouwing met opslag-, verhuis- en verblijfskosten, (2) een traplift en (3) een jacuzzi afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 is het college bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Bij brief van 28 november 2025 heeft de rechtbank partijen voorafgaand aan de zitting laten weten welke onderwerpen ter zitting zullen worden besproken. Verder is eisers verzocht met bewijsstukken te onderbouwen dat de traplift gebreken heeft en is het college verzocht te onderbouwen dat is geprobeerd om de traplift te onderzoeken/repareren, maar dat dit door toedoen van eisers niet is gelukt.
2.3.
Eisers hebben op 9 december 2025 een reactie toegestuurd. Het college op 16 december 2025.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 (gevoegd) op zitting behandeld (met het beroep in de zaak ROE 24/4071). Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Er wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan in beide zaken.

Boordeling door de rechtbank

De niet betwiste feiten
3. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
4. Eiser mist een buikwand, buikspieren en rugspier. Hij draagt daarom een korset dat zijn ingewanden bij elkaar houdt. Er zijn verschillende (andere) medische problemen. Eiser heeft daarom een Wlz-indicatie.
5. Eiseres is de echtgenote en mentor van eiser.
6. Uit het medisch advies van Oreon van 11 januari 2021 volgt dat eiser is aangewezen op een rolstoelgeschikte, gelijkvloerse woning.
7. Bij besluit van 28 januari 2021 is aan eisers een Wmo-maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing naar een zelfstandige, rolstoelgeschikte woning die voldoet aan het in dat besluit vermelde programma van eisen. In dat programma van eisen staat onder meer:
Alle noodzakelijke gebruiksruimtes (woonkamer, toilet, badkamer, een slaapkamer en keuken) zich op hetzelfde niveau dienen te bevinden) dienen zich op hetzelfde niveau te bevinden.
Toegankelijkheid woning
- Te overbruggen niveauverschillen maximaal 2 cm
- Geen traptreden om centrale toegang te bereiken
- Toegangspad minimaal 90 cm
- Vrije doorgang deuren minimaal 90 cm
Doorgankelijkheid woning
- Vrije doorgang deuren minimaal 85 cm
- Geen dorpels bij de deuren
Toilet
- Voldoende manoeuvreerruimte bij het toilet
Badkamer
- Te overbruggen niveauverschil bij toegang badkamer maximaal 2 cm
8. Eisers zijn begin 2022 verhuisd naar de [woonplaats] in [woonplaats] .
9. Eisers hebben op 10 november 2023 een aanvraag ingediend voor maatwerkvoorzieningen. Specifiek wensen eisers: (1) een verbouwing met opslag-, verhuis- en verblijfkosten. Eisers hebben namelijk problemen met het volgende:
  • het overbruggen van de drempels bij de buitendeuren;
  • het verplaatsen binnenshuis;
  • het overbruggen van de verdiepingstrap;
  • het betreden van de badkamer;
  • het zelfstandig gebruik maken van het toilet;
  • het veilig gebruik maken van elektrische apparaten.
Verder hebben eisers maatwerkvoorzieningen in de vorm van (2) een traplift en (3) een jacuzzi aangevraagd.
10. Het college heeft vervolgens de onder ‘procesverloop’ vermelde besluiten genomen.
Heeft het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een verbouwing met verhuis- en verblijfskosten kunnen afwijzen?
11. Eisers ervaren belemmeringen bij het gebruik van de woning aan de [woonplaats] in [woonplaats] . Eisers verzoeken daarom om verbouwing van de woning. In samenhang hiermee verzoeken eisers ook om verhuis-, opslag- en verblijfkosten.
12. Het college mag criteria stellen op basis waarvan iemand in aanmerking komt voor een voorziening op grond van de WMO 2015 [1] . Dat heeft het college gedaan in artikel 11, vierde lid, van de Verordening [2] . Daarin is bepaald dat een cliënt alleen in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening als de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was en de voorziening niet voorzienbaar was (redelijkerwijs niet te verwachten). Het college mag een dergelijke voorwaarde stellen en een voorziening weigeren wanneer niet aan die voorwaarde is voldaan. [3]
13. Het college heeft aan het bestreden besluit, onder verwijzing naar artikel 11, vierde lid, van de Verordening ten grondslag gelegd dat de hulpvraag voor eisers voorzienbaar was en zij deze hadden kunnen voorkomen met de keuze voor een rolstoelgeschikte woning. De belemmeringen die eisers ervaren zijn volgens het college dus primair het gevolg van het feit dat eisers zijn verhuisd naar een woning die niet rolstoelgeschikt is. Voor aanvaarding van de woning is aan eisers medegedeeld dat die woning ongeschikt is voor eiser, omdat de woning niet rolstoelgeschikt is en daarmee niet toekomstbestendig, en dat verhuizing naar die woning kan betekenen dat eiser bij een terugval en nog verdere verslechtering van zijn gezondheid niet in aanmerking komt voor WMO-woonvoorzieningen. Volgens het college is de aanvraag terecht afgewezen op de grond dat eiser is verhuisd, zonder rekening te houden met al zijn aanwezige beperkingen en de verwachte ontwikkeling daarvan. Eisers hadden hun hulpvraag redelijkerwijs van te voren kunnen voorzien en hadden deze met de keuze voor een rolstoelgeschikte woning kunnen voorkomen. Subsidiair stelt het college dat eisers een beroep kunnen doen op algemene voorzieningen, dan wel op eigen kracht in staat moeten worden geacht op een normale manier gebruik te maken van de woning.
14. Volgens vaste rechtspraak kan een aanvraag voor een voorziening in het kader van de WMO 2015 worden afgewezen als een burger tot een verhuizing overgaat zonder rekening te houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. [4] Die situatie doet zich hier voor. De rechtbank is met het college van oordeel dat eisers ten tijde van de verhuizing in 2022 hadden kunnen voorzien dat er aanpassingen aan de woning nodig zouden zijn. Uit onderzoek van de medisch adviseur van Oreon van 11 januari 2021 blijkt dat eiser beperkingen heeft waardoor hij problemen ondervindt bij het normale gebruik van een woning. In het besluit van 28 januari 2021 is aan eisers medegedeeld dat zij op zoek moeten naar een zelfstandige, rolstoelgeschikte woning die voldoet aan het in dat besluit vermelde programma van eisen, waarbij (onder meer) alle noodzakelijke gebruiksruimte (woonkamer, toilet, badkamer, een slaapkamer en keuken) zich op hetzelfde niveau dienen te bevinden), te overbruggen niveauverschillen niet hoger dan 2 centimeter mogen zijn, er geen dorpels bij de deuren mogen zijn en (binnen- en buiten)deuren minimaal een vrije doorgang van 85, althans 90 centimeter moeten hebben. De rechtbank verwijst naar overweging 7.
15. De woning aan de [woonplaats] is - voordat eisers de woning accepteerden - door het college bekeken op 18 januari 2022. Toen is vastgesteld dat de woning niet volledig voldoet aan het in het besluit van 28 januari 2021 genoemde programma van eisen.
16. Bij brief van 18 januari 2022 naar aanleiding van het bezoek aan de woning hebben eisers het college laten weten dat eiser in de woning aan de [woonplaats] zelfstandig met behulp van de traplift en de trippelstoelen naar bed, naar de badkamer, naar beneden, naar boven en naar de wc kan. Zij schrijven vervolgens “
Indien het moment komt dat [eiser] wel totaal rolstoel afhankelijk is veranderd de situatie compleet wat in houd dat wij beide zelf opzoek gaan naar een oplossing want dan veranderd zowel de lichamelijke als de medische situatie. Dit hebben we ook al met [eiser] zijn artsen besproken en nemen we zelf daar onze verantwoordelijkheid voor.
17. Vervolgens is op 21 januari 2022 een ondersteuningsplan [5] aan eisers gestuurd. In dat wordt er ook op gewezen dat de woning niet voldoet aan het programma van eisen, met name omdat het toilet en de verdieping niet rolstoeltoegankelijk zijn. In het plan wordt verder op het volgende gewezen:
“Hij geeft aan dat hij beseft dat deze woning niet geschikt is mocht meneer rolstoelgebonden raken. Desondanks vindt hij deze woning uitermate geschikt in zijn huidige situatie. Mocht hij rolstoelgebonden raken dan verwacht meneer te moeten verhuizen naar een Focuswoning of een zorginstelling. Ook de optie om in dat geval een bed op de begane grond te plaatsen overweegt meneer. Met meneer is besproken dat indien meneer ervoor kiest om deze woning te betrekken hij in de toekomst mogelijk geen aanspraak meer kan maken op woningaanpassingen vanuit de Wmo. Meneer kiest dan bewust voor de woning in de wetenschap dat deze mogelijk niet toekomstbestendig is”.
Verder staat er:
“Indien meneer de woning accepteert, doet hij dit in het bewustzijn dat de woning niet rolstoelgeschikt en daardoor mogelijk niet toekomstbestendig is. Meneer draagt daarom verantwoordelijkheid in deze keuze. Dit feit zal in de toekomst (worden) meegewogen mocht meneer om deze reden ondersteuning vragen bij de WMO. Meneer heeft duidelijk aangegeven dat hij deze woning uitermate geschikt vindt en dat hij zich ervan bewust is dat het nu nog mogelijk is maar gezien zijn gezondheidsklachten dit kan veranderen. In de toekomst zal hij bij verdere achteruitgang op eigen kracht een oplossing moeten vinden, te denken valt om op de benedenverdieping te gaan functioneren. Of verhuizen naar een andere woning/Wlz-instelling. Hij zal dan mogelijk geen aanspraak kunnen maken op nieuwe ondersteuning vanuit de WMO.”
Eisers hebben dat ondersteuningsplan op 24 januari 2022 voor akkoord ondertekend.
18. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat eisers wisten waaraan de woning moest voldoen en dat deze woning niet voldoet aan het programma van eisen. Gelet op de beschikbare informatie hebben eisers (kunnen) voorzien dat aanpassingen nodig zouden zijn. Door de woning niettemin te betrekken hebben zij niet adequaat ingespeeld op de beperkingen die eiser heeft en de als gevolg daarvan te verwachten belemmeringen in het normale gebruik van die woning. Uit het ondertekende ondersteuningsplan volgt dat eisers zich hiervan ook bewust waren, hun eigen verantwoordelijkheid in deze hebben erkend en de consequenties van verhuizing naar deze woning hebben aanvaard.
19. Eisers stellen dat zij gedwongen zijn om de woning aan de [woonplaats] te accepteren, maar deze stelling vindt geen steun in het dossier. Dit correspondeert bovendien niet met de brief die eisers op 18 januari 2022, in reactie op de bezichtiging van de woning, hebben gestuurd aan de WMO-consulent. Uit deze brief volgt dat eisers de woning juist graag wilden betrekken in weerwil van de vaststelling van het college dat de woning niet aan het programma van eisen voldoet.
20. Verder is – anders dan eisers stellen – niet gebleken dat namens het college toezeggingen zouden zijn gedaan dat de gehele woning zou worden aangepast. Eisers hebben hun standpunt in zoverre niet onderbouwd. Eisers hebben gewezen op zittingsaantekeningen van de zitting van 13 januari 2022, maar hebben deze niet overgelegd. Gelet op het programma van eisen en de mate waarin de woning daar niet aan voldoet ligt het ook niet voor de hand dat een dergelijke toezegging zou worden gedaan. Dit zou bovendien niet overeenkomen met de informatie die volgt uit het ondersteuningsplan, waar juist specifiek wordt aangegeven dat de woning niet geschikt is en eiser (mogelijk) geen aanspraak kan maken op woningaanpassingen vanuit de WMO 2015.
20. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Eisers hadden – gelet op het programma van eisen – kunnen voorzien dat er aanpassingen aan de woning aan de [woonplaats] nodig zouden zijn. Eisers hadden dit kunnen vermijden wanneer eisers waren verhuisd naar een woning die wel voldeed aan het programma van eisen. Gelet op het vorenstaande kan niet gezegd worden dat de noodzaak tot ondersteuning voor eisers redelijkerwijs niet vermijdbaar was en de voorziening niet voorzienbaar was. Het college mocht de aanvraag daarom afwijzen onder verwijzing naar artikel 11, vierde lid, van de Verordening. Aan bespreking van het subsidiaire standpunt van het college komt de rechtbank gelet op het vorenstaande niet meer toe.
22. De rechtbank overweegt tot slot dat uit voorgaande beoordeling niet blijkt van door eisers gestelde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod op willekeur, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het fairplay beginsel. Ook is de rechtbank niet gebleken dat het college vooringenomen heeft gehandeld.
Heeft het college terecht geen maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van een traplift?
23. In 2022 is aan eisers een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift toegekend. Deze traplift is inmiddels geïnstalleerd in de woning van eisers.
24. Eisers stellen dat deze traplift niet voldoet aan de veiligheidseisen. De traplift zou verschillende mankementen hebben. Om deze reden verzoeken eisers om het plaatsen van een nieuwe traplift.
25. Het college heeft de aanvraag voor een nieuwe traplift afgewezen, omdat eiser niet heeft gereageerd op voorstellen om een adviseur van Otolift (trapliftenleverancier) het functioneren en veiligheid van de traplift te laten bekijken. Hierdoor was er onvoldoende informatie om de aanvraag om een nieuwe traplift te kunnen beoordelen.
26. De rechtbank stelt vast dat uit het ondersteuningsplan van oktober 2023 het volgende blijkt:
“Verder vertelt meneer dat hij niet geheel tevreden is over de traplift (deze trilt, schommelt,
geeft storingen, geen noodknop, zou beschadigingen aanbrengen aan het laminaat, duurt 35
seconden voor hij boven is en beperkt de manoeuvreerruimte). (...) Op 2 augustus 2023 is
per e-mail aan meneer gevraagd of hij ermee akkoord gaat om de trapliftenleverancier langs te laten komen, zodat naar de aangegeven punten gekeken kan worden. Op 3 augustus
2023 geeft meneer aan deze e-mail in goede orde te hebben ontvangen en het gaat
bespreken met zijn advocaat. Vervolgens is geen bericht meer ontvangen. Tijdens het
gesprek op 9 oktober 2023 is dit nogmaals aan meneer gevraagd, waar meneer wederom
geen akkoord op geeft. Mocht meneer dit alsnog wensen kan hij dit aangeven op het
reactieformulier.”
Verder staat er:
“Meneer kan op het reactieformulier aangeven of hij alsnog akkoord is om een
monteur/adviseur van de trapliftenleverancier de aangegeven mankementen te onderzoeken.
Tot op heden hebben wij hiervoor geen akkoord gekregen van meneer of mevrouw.”
27. Uit het vorenstaande volgt dat het college eisers meerdere keren hebben gevraagd of zij er akkoord mee gaan om een adviseur van Otolift langs te laten komen. Eisers hebben hier niet op gereageerd. Het college heeft de e-mails van 2 en 3 augustus 2023 waarnaar in het ondersteuningsplan wordt verwezen voor de zitting nog in het geding gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat eisers bij herhaling niet zijn ingegaan op voorstellen van het college om een servicebezoek door een adviseur van Otolift aan te vragen, als gevolg waarvan het college het functioneren en de veiligheid van de traplift niet kon onderzoeken. Zonder onderzoek kan het college niet vaststellen welke gebreken er zouden zijn aan de relatief recent geplaatste traplift en of vervanging van de traplift daardoor noodzakelijk was. Medewerking van eisers was dan ook noodzakelijk.
28. In beroep is vervolgens pas gebleken dat eisers zelfstandig contact hebben gezocht met Otolift en dat er onderhoud aan de traplift is uitgevoerd.
29. De rechtbank wijst er allereerst op dat de hoofdregel in het bestuursrecht is dat de bestuursrechter het bestreden besluit
ex tunctoetst. Dat wil zeggen: naar de feiten zoals die (bij het college bekend) waren op het moment van het bestreden besluit. Feiten en omstandigheden van ná de datum van het bestreden besluit, kunnen in beginsel niet bij de beoordeling van het besluit worden betrokken, omdat het college die ook niet kon betrekken bij het bestreden besluit. De rechtbank moet dan ook toetsen of het college het bestreden besluit gelet op de feiten zoals die toen bekend waren terecht heeft genomen.
30. Op het moment van het bestreden besluit wist het college niet dat eisers op eigen initiatief contact hebben opgenomen met Otolift en onderhoud aan de traplift hebben laten uitvoeren. Nu het college ten tijde van het bestreden besluit hier niet van op de hoogte was, heeft het college dat niet bij zijn besluitvorming kunnen betrekken. Het college heeft terecht de aanvraag om een nieuwe traplift afgewezen, nu het functioneren en de veiligheid van de traplift – door toedoen van eisers – niet kon worden onderzocht en het college dus niet kon vaststellen of vervanging van de traplift noodzakelijk was. Dat de traplift niet voldoet aan de veiligheidseisen, nu er geen noodstop op de traplift zit en de traplift bij een storing niet zelfstandig naar beneden gaat, heeft eiser niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Het college heeft reeds daarom terecht geen maatwerkvoorziening in de vorm van een nieuwe traplift verstrekt.
31. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van het college, naar aanleiding van de stelling van eisers in beroep, contact heeft opgenomen met Otolift. Uit het door het college overgelegde logboek volgt dat er naar aanleiding van een aantal stortingen adviseurs van Otolift bij eisers zijn geweest. De adviseurs hebben de storingen – die (deels) werden veroorzaakt door kattenharen of stof in de traplift – steeds verholpen. Verder staat in het logboek dat bij Otolift niet bekend is dat eisers niet tevreden zijn met de traplift. De rechtbank kan op basis van deze informatie daarom ook nu niet vaststellen dat de traplift destijds moest worden vervangen, of dat dat nu noodzakelijk zou zijn. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat de traplift nu goed functioneert.
32. Kortom: omdat eisers het college niet in de gelegenheid hebben gesteld de traplift te onderzoeken, kon het college ten tijde van het bestreden besluit niet vaststellen of er noodzaak was de traplift te vervangen. Nu het college ten tijde van het bestreden besluit niet wist van het contact dat eisers zelf hadden opgenomen met Otolift, kon het college dat niet bij zijn besluitvorming betrekken. Het college heeft de aanvraag voor de traplift daarom terecht afgewezen.
Heeft het college terecht geen maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van een jacuzzi?
33. Eisers willen tot slot graag een jacuzzi, omdat eiser veel pijn heeft en het gebruik van een jacuzzi de pijn verlicht.
34. Het college heeft de aanvraag voor de jacuzzi afgewezen, omdat eisers eerder een aanvraag hebben ingediend en eisers geen nieuwe feiten en/of omstandigheden hebben aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat het college de eerdere aanvraag bij besluit van 23 maart 2022 heeft afgewezen, omdat volgens het college een jacuzzi niet geldt als noodzakelijke voorziening teneinde de zelfredzaamheid te vergroten voor het verrichten van zelfverzorgingstaken. Om deze redenen valt een jacuzzi volgens het college niet onder het verstrekkingsgebied van de WMO 2015. Het door eiser tegen die afwijzing ingediende bezwaar is bij besluit van 29 maart 2023 ongegrond verklaard. Het beroep tegen dat besluit heeft eiser ingetrokken, waardoor dit nu in rechte vast staat.
35. Als een aanvraag (geheel of gedeeltelijk) is afgewezen en er wordt een nieuwe aanvraag gedaan, dan moet de aanvrager daarbij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vermelden. [6] Het moet dan gaan om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een ander besluit aanleiding kunnen geven. Als geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld bij de herhaalde aanvraag, dan kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen zonder een inhoudelijke beoordeling. Het bestuursorgaan kan in het besluit op de herhaalde aanvraag dan volstaan met een verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de aanvrager heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
36. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van relevante nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van het besluit 23 maart 2022 en het daarop volgende besluit op bezwaar van 29 maart 2023. Eiser heeft ter zitting erkend dat die er ook niet zijn.
37. De rechtbank ziet, gelet op wat eisers in beroep naar voren hebben gebracht, ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Dat – zoals eiser stelt – hij het belangrijk vindt om duidelijk te maken dat de jacuzzi voor hem geen luxe product is, maar hij hiermee zijn pijn kan verminderen, is geen aanleiding om te oordelen dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
38. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het college er dan ook voor heeft kunnen kiezen om eisers herhaalde aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te doen. Het college heeft de aanvraag voor de jacuzzi terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

39. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.M.L. Kousen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1.3, tweede lid, onder a van de WMO 2015.
2.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2019.
3.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603, overweging 4.3.2 en van 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:944.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603, overweging 4.3.2. Daarin wordt ook verwezen naar de memorie van toelichting bij de WMO 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 148) waarin staat dat het college geen maatwerkvoorziening behoeft te verstrekken “als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.”
5.Het ondersteuningsplan vermeldt als werkprocesnummer [nummer] .
6.Dat is geregeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.