ECLI:NL:RBLIM:2026:1582

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
ROE 25/1986
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 PWArt. 17 PWArt. 54 PWArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking recht op bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks gescheiden inschrijving

Eiseres ontving bijstand naar de alleenstaandennorm en werd geconfronteerd met intrekking van deze bijstand omdat zij niet had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar partner. Het college startte een onderzoek naar aanleiding van anonieme meldingen en constateerde op basis van waarnemingen, huisbezoeken en verklaringen dat eiseres en haar partner feitelijk samenleven en zorg voor elkaar dragen.

Eiseres voerde aan dat zij en haar partner buren zijn met ieder een eigen huishouden, dat er geen financiële verstrengeling is en dat haar hoofdverblijf in haar eigen woning is. De rechtbank oordeelde echter dat het zwaartepunt van haar persoonlijke leven zich in de woning van haar partner bevindt en dat er sprake is van wederzijdse zorg, waardoor aan de criteria voor gezamenlijke huishouding is voldaan.

De rechtbank verwierp het beroep van eiseres en oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken vanaf 16 januari 2025. Er waren geen bijzondere omstandigheden die toepassing van de wet in strijd met het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigen. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar bijstand wordt ongegrond verklaard vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Heerlen, eiseres

(gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, het college
(gemachtigden: mr. S. Garritsen en mr. M. Coolen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op algemene en bijzondere bijstand van eiseres. De reden hiervoor is dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat zij niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voert. Eiseres is het hiermee niet eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Met het besluit van 13 maart 2025 heeft het college het recht op bijstand van eiseres per 1 januari 2023 ingetrokken. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 11 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 maart 2025 herroepen voor zover de bijstand is ingetrokken over de periode van 1 januari 2023 tot en met 15 januari 2025. De intrekking met ingang van 16 januari 2025 blijft gehandhaafd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (26/249). Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de heer [naam] en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
1. Eiseres ontving sinds 26 mei 2021 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Zij staat in de Basisregistratie personen (Brp) met haar vier minderjarige kinderen ingeschreven op de [adres] (uitkeringsadres). Zij heeft een relatie met [naam] , die met zijn minderjarige kind aan de [adres] in de Brp staat ingeschreven op de [adres] .
2. Naar aanleiding van anonieme meldingen over de woonsituatie van eiseres is het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand gestart. In het kader van dit onderzoek heeft het college onder meer gegevens over het waterverbruik opgevraagd. Daarnaast heeft de sociale recherche waarnemingen verricht en hebben onaangekondigd huisbezoeken bij eiseres en [naam] plaatsgevonden. Eiseres en [naam] hebben een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 12 maart 2025.
3. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college de besluiten genomen, zoals hiervoor weergegeven onder procesverloop. Aan de intrekking heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [naam] op zijn adres.
Toetsingskader intrekking bijstand
4. Intrekking van bijstand is een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
5. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar. [1] Er moet dus aan twee cumulatieve criteria worden voldaan: een gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar gelet op de concrete feiten en omstandigheden het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Als aannemelijk is dat betrokkenen op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hadden, maakt het niet uit of zij stonden ingeschreven op verschillende adressen. Wederzijdse zorg kan worden aangenomen als van een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen blijkt, maar kan ook worden gebaseerd op andere feiten en omstandigheden als deze voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien.
Standpunt eiseres
6. Eiseres betoogt dat zij en [naam] geen gezamenlijke huishouding voeren. Zij hebben een relatie, maar zijn ook buren met ieder een eigen huishouden. Voor beide woningen moeten de vaste lasten worden betaald. Zij willen graag samenwonen, maar zowel de woning van eiseres als van [naam] is hiervoor niet geschikt. De verhuurder heeft dit ook verboden. Eiseres komt het meeste bij [naam] maar heeft haar hoofdverblijf in haar eigen woning. De situatie van beide gezinnen is bekend bij de inkomensconsulent, de woningstichting, team Jeugd van de gemeente, het Uwv en nog andere hulpinstanties. Er is echter geen gezamenlijke woning voor beide gezinnen beschikbaar. Als eiseres haar woning moet opzeggen, komt zij op straat te staan. De onderzoeksbevindingen passen prima in het verhaal van eiseres dat zij haar hoofdverblijf niet in de woning van [naam] heeft. De meldingen van derden zeggen niets over de feitelijke situatie. Het waterverbruik laat zien dat de woning van eiseres wordt bewoond, maar men veel verblijft in de woning van [naam] . De bevindingen uit het huisbezoek zijn niet bepalend. Ook de woning van eiseres ziet er bewoond uit. Het eten gebeurt meestal in de woning van [naam] . Bovendien is er geen sprake van een financiële verstrengeling. Beiden staan onder bewind bij een andere bewindvoerder. Het besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Gezamenlijke huishouding
7. De door de rechtbank te beoordelen periode loopt van 16 januari 2025 tot en met 13 maart 2025.
8. De rechtbank is van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met [naam] heeft gevoerd. Daarbij is het volgende van betekenis.
8.1.
De rechtbank kent zwaarwegende betekenis toe aan de waarnemingen, die zijn verricht in de periode van 16 januari 2025 tot en met 26 februari 2025. Hieruit komt naar voren dat eiseres ’s morgens bijna altijd de woning van [naam] verlaat en later weer betreedt. Zij en haar oudste dochter hebben een sleutel van zijn woning. [naam] brengt de kinderen met de auto van eiseres naar school en eiseres haalt ze meestal op. Als de kinderen buiten zijn geweest lopen zij binnen bij de woning van [naam] .
8.2.
Daarnaast acht de rechtbank de resultaten van het huisbezoek bij beiden van belang én de door eiseres en [naam] afgelegde verklaringen. Op het moment van het huisbezoek bij eiseres was zij op het adres van [naam] aanwezig, waar eveneens een huisbezoek plaatsvond. In de koelkast bij eiseres bevonden zich geen levensmiddelen. Er bevindt zich geen wasmachine in haar woning. Eiseres verklaarde verder dat [naam] niet in haar woning verblijft en dat zij en haar kinderen met name bij [naam] verblijven. Zij gaf rond 7.00 uur-7.30 uur te vertrekken vanaf het uitkeringsadres naar [naam] om daar de hele dag te verblijven. Daar wordt gekookt, worden de kinderen verzorgd, wordt samen gegeten, en wordt sinds anderhalf jaar de hele was gedaan. De kleding van de zoon van eiseres, die gebruik maakt van de derde slaapkamer in haar woning, is te vinden bij [naam] . [naam] heeft verklaard dat hij en eiseres en hun kinderen een gezin vormen. Zij hebben meermaals om een groter huis gevraagd, maar er is geen groot huis beschikbaar. [naam] heeft verklaard dat zij samenleven, ze zijn IVA-uitkering en haar bijstand samenvoegen en daar “onze dingen van doen". Zij zijn bijna altijd in zijn woning, zeker 80% van de tijd. Zij eten, drinken en slapen samen en zorgen voor elkaar in geval van ziekte. De kinderen hebben elk hun eigen slaapplek, verdeeld over de twee huizen. Soms willen de kinderen in hun eigen kamer slapen. Dan is eiseres ook op haar eigen adres. Maar vaker slapen ze in zijn huis, verdeeld over de slaapkamers op matrassen. [naam] geeft bij één slaapkamer boven aan dat dat “onze slaapkamer’ is.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college met het bovenstaande aannemelijk heeft gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van eiseres zich in de woning van [naam] bevindt. Daarnaast heeft het college aannemelijk gemaakt dat zij zorgdragen voor elkaar. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden voor het voeren van een gezamenlijke huishouding.
9. Voor zover eiseres met haar stelling dat alle instanties op de hoogte waren van de feitelijke situatie, betoogt dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, slaagt deze beroepsgrond niet. Het college was niet bekend met de feitelijke woon- en leefsituatie en is hier pas achter gekomen na het onderzoek. Het college heeft toegelicht dat de hulpverlenende instanties waarop eiseres doelt, pas na de besluitvorming in beeld zijn gekomen. Eiseres heeft geen stukken ingebracht waaruit blijkt dat zij wel melding heeft gemaakt van haar feitelijke woon- en leefsituatie.
Evenredigheidsbeginsel
10. De rechtbank overweegt verder dat voorop staat dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW dwingend is geformuleerd. Dit betekent dat het college bij de toepassing van die bepaling geen ruimte heeft om belangen af te wegen. Verder staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet eraan in de weg dat (een bepaling uit) een wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Aangezien de PW een wet in formele zin is, kan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW daarom niet worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als de niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
11. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Aangenomen moet dat de wetgever de gevolgen van de toepassing van deze bepaling voor haar en haar kinderen heeft bedoeld en voorzien. Omdat in dit geval geen sprake is van niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of toepassing van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. [2]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en in de periode in geding sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding met [naam] en zij geen recht had op bijstand naar alleenstaandennorm. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Schrammen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026. .
De griffier is buiten staat
de uitspraak mede te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 3, tweede lid, en derde lid, van de PW luidt:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Artikel 17, eerste lid, van de PW luidt:
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid, van de PW bepaalt:
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Voetnoten

1.Artikel 3, derde lid, van de PW.
2.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1733.