ECLI:NL:RBLIM:2026:1781

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
ROE 24/4213
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R.N. Crombaghs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 8:57 AwbArt. 3:3 APVArt. 3:4 APVArt. 7 Wet Bibob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen buiten behandeling stellen exploitatievergunning op grond van Wet Bibob

Eiser, franchisenemer van een New York Pizza vestiging, vroeg op 25 oktober 2023 een exploitatievergunning aan voor het afhalen van pizza’s. De burgemeester stelde de aanvraag buiten behandeling omdat eiser niet alle gevraagde financiële stukken over de herkomst van een lening op de balans van zijn onderneming had aangeleverd, noodzakelijk voor een integriteitsbeoordeling op grond van de Wet Bibob.

Eiser voerde aan dat de lening betrekking had op een auto die hij van zijn vader had gekregen en dat hij niet over de gevraagde stukken kon beschikken vanwege een slechte relatie en culturele redenen. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester de gevraagde stukken terecht noodzakelijk achtte en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over de stukken kon beschikken.

De rechtbank overwoog verder dat het besluit niet onevenredig was, mede omdat het algemeen belang bij een volledige Bibob-toets zwaarder woog dan het individuele belang van eiser. Ook het psychisch leed van eiser was onvoldoende onderbouwd. Omdat eiser inmiddels een nieuwe aanvraag had ingediend, bleef zijn procesbelang bestaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de burgemeester de aanvraag buiten behandeling mocht stellen wegens onvoldoende financiële gegevens voor de Bibob-toets.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4213

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

New York Pizza Hoensbroek, uit Hoensbroek, eiser,

(gemachtigde: mr. G.I.M. Teeuwen)
en

de burgemeester van de gemeente Heerlen

(gemachtigden: mr. K.A.J. Ubachs en mr. T.R.M. Clements)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de aanvraag van eiser voor een exploitatievergunning buiten behandeling te stellen. De burgemeester heeft dit gedaan omdat eiser niet alle stukken heeft aangeleverd die nodig zijn voor een volledige beoordeling op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Eiser is het niet eens met deze beslissing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester de aanvraag van eiser buiten behandeling heeft mogen stellen.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aanvraag van eiser niet in behandeling te nemen. De gevraagde stukken waren noodzakelijk voor een volledige integriteitsbeoordeling en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daar niet over kon beschikken. Verder is de rechtbank van oordeel dat het buiten behandeling stellen van de aanvraag niet onevenredig is. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning. Met het besluit van 25 maart 2024 heeft de burgemeester deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
2.1.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De burgemeester heeft het bezwaar met het bestreden besluit van 19 augustus 2024 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.
3. De rechtbank heeft het onderzoek op 27 oktober 2025 heropend om partijen in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over het procesbelang van eiser.
3.1.
Op 30 oktober 2025 heeft eiser een aanvullend stuk ingediend. Het college heeft hierop gereageerd op 11 november 2025.
3.2.
Partijen hebben desgevraagd niet aangegeven de zaak opnieuw op zitting te willen behandelen. De rechtbank heeft vervolgens op 12 januari 2026 het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder nadere zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
4. Eiser is franchisenemer van een New York Pizza vestiging van waaruit hij pizza’s bezorgt. Eiser heeft op 25 oktober 2023 een exploitatievergunning aangevraagd voor het laten afhalen van pizza’s. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de burgemeester een onderzoek ingesteld op grond van de Wet Bibob.
4.1.
Uit de in het kader van dat onderzoek door eiser aangeleverde stukken en toelichting blijkt dat eiser in 2018 een auto van zijn vader heeft gekregen die door zijn boekhouder als lening in eisers administratie is verwerkt. Eisers vader zou deze auto volledig contant hebben betaald.
4.2.
De burgemeester heeft vervolgens aanvullende stukken gevraagd, waaronder de aangifte van bezittingen bij de Duitse belastingdienst in 2018 van eisers vader en bankafschriften waaruit blijkt dat eisers vader conform eisers toelichting maandelijks geld heeft gespaard en deze bedragen vervolgens contant heeft opgenomen voor de aankoop van de auto.
4.3.
Eiser heeft de persoonsgegevens en enkele jaaropgaven van zijn vader overgelegd. De burgemeester heeft vastgesteld dat deze stukken onvoldoende zijn voor de beoordeling van eisers aanvraag. Zonder de gevraagde aanvullende stukken kan de burgemeester geen volledige Bibob-beoordeling uitvoeren. Om die reden heeft de burgemeester de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Heeft eiser procesbelang?
5. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser inmiddels een nieuwe, vergelijkbare aanvraag voor dezelfde vergunning heeft ingediend en dat de burgemeester daarop een inhoudelijk besluit heeft genomen. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
5.1.
Eiser dient een actueel en reëel belang te hebben bij de uitkomst van deze procedure. Dat betekent dat het doel dat eiser voor ogen heeft met deze beroepsprocedure moet kunnen worden bereikt en van feitelijke betekenis moet zijn. Als dat belang is vervallen, hoeft de bestuursrechter geen inhoudelijke uitspraak te doen alleen wegens de principiële betekenis daarvan. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [2]
5.2.
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij schade heeft geleden door de buiten behandeling stelling van zijn aanvraag. Over de periode tussen deze aanvraag en de tweede aanvraag heeft hij namelijk geen pizza’s kunnen laten afhalen of ter plekke laten bestellen, waardoor hij omzet is misgelopen. Deze schade kan hij enkel op de burgemeester verhalen indien het bestreden besluit onrechtmatig blijkt. Een eventuele schadevergoeding kan eiser voor deze periode niet baseren op (de eventuele) onrechtmatigheid van de beslissing op de tweede aanvraag. Gelet op deze toelichting is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft en komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.
Toetsingskader
6. Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2021 (APV) is het verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning. [3] Onder een horeca-inrichting valt ook een afhaalcentrum, dat wil zeggen een winkel waar uitsluitend eetwaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse. [4]
6.1.
Een verplichte vergunning kan worden geweigerd als niet aan de eisen van de Wet Bibob is voldaan. [5] De Wet Bibob heeft tot doel te voorkomen dat door het verlenen van vergunningen criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Om te kunnen beoordelen of er gevaar bestaat dat een vergunning wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten [6] , of voor het plegen van strafbare feiten [7] , dient de burgemeester voldoende inzicht te hebben in de financiering van de onderneming. [8]
6.2.
Uit artikel 4:5 van Pro de Awb volgt dat de burgemeester kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. [9] Dit mag echter pas nadat de aanvrager de kans heeft gekregen om de ontbrekende gegevens of documenten binnen een door de burgemeester gestelde termijn alsnog aan te leveren. Daarbij gaat het om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. [10] Het is uiteindelijk aan de burgemeester om te bepalen of hij over voldoende informatie beschikt om de aanvraag van eiser te beoordelen. [11]
Beoordeling door de rechtbank
Zijn de gevraagde financiële gegevens noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag?
7. Eiser voert aan dat de burgemeester ten onrechte heeft geconcludeerd dat de aanvullende stukken over de auto noodzakelijk zijn voor de Bibob-toets. Hij stelt dat hij de auto van zijn vader heeft gekregen en dat deze bestemd was voor zijn inmiddels gestaakte taxibedrijf. De waarde van de auto is door de boekhouder als lening in de administratie verwerkt omdat het een bedrijfsmiddel betrof. De in de boekhouding opgenomen lening is niet bedoeld voor de financiering van de onderneming waarvoor hij nu een exploitatievergunning aanvraagt. De auto speelt ook geen enkele rol in de bedrijfsvoering van de onderneming. Volgens eiser heeft hij met de overgelegde stukken voldoende inzicht gegeven in de herkomst van zijn inkomsten en de financiering van zijn onderneming. Daarom vindt eiser dat de burgemeester over alle benodigde informatie beschikt om een Bibob-beoordeling te maken.
8. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester de gevraagde financiële stukken van eisers vader noodzakelijk heeft mogen achten voor de beoordeling van eisers aanvraag. Gelet op de Wet Bibob is het noodzakelijk dat de burgemeester alle relevante geldstromen controleert, waaronder dus ook het bedrag dat als lening op de balans van eisers onderneming is opgenomen. Om die reden mocht de burgemeester verlangen dat eiser stukken overlegt waaruit de herkomst van de lening, en dus de auto en de financiering daarvan, blijkt. Zonder die stukken blijft de herkomst van de financiering van de auto onduidelijk en kan niet worden uitgesloten dat het geld uit criminele bron afkomstig is. Het feit dat de auto geen rol speelt in de bedrijfsvoering doet daar niet aan af. Omdat de auto op de balans staat van de onderneming, valt deze onder het bereik van de Bibob-toets.
Kon eiser redelijkerwijs beschikken over de gevraagde gegevens?
9. Eiser voert aan dat hij niet over de gevraagde stukken kan beschikken. Hij heeft geen goede relatie met zijn vader, waardoor het voor hem niet mogelijk is om de gevraagde documenten te verkrijgen. Ook stelt eiser dat het in zijn cultuur ongebruikelijk is om naar de herkomst van geld te vragen en dat hij niet zelfstandig de benodigde gegevens kan opvragen bij instanties zoals de belastingdienst, omdat het persoonlijke gegevens van zijn vader betreffen. Op zitting heeft eiser aangegeven dat de gevraagde stukken er niet (meer) zijn en hij hier dus ook niet meer aan kan komen. Eiser vindt dat het buiten behandeling stellen van zijn aanvraag vanwege het ontbreken van de gevraagde stukken daarom onterecht is.
10. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kan beschikken. Van eiser mag worden verwacht dat hij zijn inspanningen om de stukken te verkrijgen concreet aantoont, bijvoorbeeld door e-mails, berichten of andere bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat hij heeft geprobeerd de stukken te verkrijgen, maar deze niet heeft ontvangen. Eiser heeft echter geen concrete toelichting gegeven en niet met stukken onderbouwd dat hij daadwerkelijk heeft geprobeerd de stukken bij zijn vader of andere instanties op te vragen. Eisers stelling dat hij ruzie heeft met zijn vader en dat het in zijn cultuur niet gebruikelijk is om naar de herkomst van gelden te vragen, is onvoldoende. De rechtbank oordeelt daarom dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kon beschikken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen onevenredig?
11. Eiser stelt dat de gevolgen van het buiten behandeling stellen van de aanvraag voor hem onevenredig zijn ten opzichte van het belang dat de burgemeester tracht te beschermen. Hij voert aan dat de vermelding van de auto als lening in zijn administratie het gevolg is van een fout van zijn boekhouder. Volgens eiser wordt hij door deze fout steeds opnieuw benadeeld, omdat dit probleem bij elke nieuwe aanvraag terugkomt. Eiser geeft aan dat hij de auto wil verkopen om zijn administratie te corrigeren, maar dat hem daartoe geen kans wordt geboden. Hierdoor blijft hij last houden van een fout waarvoor hij niet verantwoordelijk is en die hij niet kan herstellen. Verder stelt eiser dat het besluit hem psychisch zwaar treft, omdat hij zich machteloos voelt door de situatie en hierdoor in een depressie is geraakt. Ook benadrukt eiser dat hij de vergunning nodig heeft om zijn bedrijf voort te zetten en daarmee hogere inkomsten te verwerven.
12. De rechtbank overweegt dat de burgemeester een discretionaire bevoegdheid heeft, waarbij hij de betrokken belangen tegen elkaar dient af te wegen. De rechtbank zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat de burgemeester niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. [12]
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester het belang van een zorgvuldig en volledig Bibob-onderzoek zwaarder mocht laten wegen dan het individuele belang van eiser bij het verkrijgen van een inhoudelijke besluit op zijn aanvraag. Het algemeen belang is namelijk gediend met het voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van uit criminele activiteiten verkregen middelen. Dat eiser bij elke nieuwe aanvraag geconfronteerd zal worden met de in de boekhouding opgenomen lening, is – voor zover al juist – het gevolg van het ontbreken van de noodzakelijke gegevens over de herkomst van die lening en maakt het besluit niet onevenredig. Wat betreft de psychische gevolgen overweegt de rechtbank dat dit niet nader is onderbouwd door eiser. Ook acht de rechtbank het van belang dat de gevolgen voor eiser niet onomkeerbaar zijn, nu hij de mogelijkheid heeft een nieuwe aanvraag in te dienen. Uit hetgeen ter zitting is besproken blijkt bovendien al dat eiser van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen. Eiser krijgt dus geen gelijk en de burgemeester hoeft de aanvraag niet alsnog in behandeling te nemen.
14. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van
N.I.W. Smeets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
3.Zie artikel 3:4 van Pro de APV.
4.Zie artikel 3:3, aanhef en onder a, derde lid van de APV.
5.Zie artikel 7, eerste lid van de Wet Bibob en artikel 3 van Pro de Wet Bibob.
6.Zie artikel 3, eerste lid, onder a van de Wet Bibob.
7.Zie artikel 3, eerste lid, onder b van de Wet Bibob.
8.Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 6 (paragraaf 2.3.).
9.Zie artikel 4:5 van Pro de Awb, eerste lid, aanhef en onder c.
10.Zie artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2060, r.o. 4.2.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:407, r.o. 8.1.