ECLI:NL:RBLIM:2026:2100

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ROE 26/408
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugshandel

De burgemeester van Kerkrade heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten de woning van verzoeker voor 52 weken te sluiten vanwege de vondst van 50 gram cocaïne, 419 gram henneptoppen en 50 gram hasj, alsmede attributen die duiden op drugshandel. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting te voorkomen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. De politieobservaties en de bestuurlijke rapportage bevestigen de drugshandel vanuit de woning. Verzoeker heeft geen overtuigend bewijs geleverd dat de sluiting onnodig of onevenwichtig is.

De voorzieningenrechter weegt mee dat het minderjarige kind van verzoeker niet in de woning woont en dat de omgang elders kan plaatsvinden. Ook is niet gebleken dat verzoeker geen alternatieve woonruimte kan vinden. De sluiting blijft daarom gehandhaafd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens drugshandel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/408

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Eygelshoven, verzoeker

(gemachtigde: mr. B.H.S. Brinkman),
en

de burgemeester van de gemeente Kerkrade, de burgemeester

(gemachtigden: mr. B.J.M. Schmeets en mr. C.M.C. Dodemont).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van verzoekers woning op grond van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt of de burgemeester in redelijkheid mocht gelasten de woning te sluiten en voor de duur van 52 weken gesloten te houden. De voorzieningenrechter doet dit aan de hand van de gronden die verzoeker in deze procedure en in de bezwaarschriftprocedure tegen de last heeft aangevoerd.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester heeft de woning mogen sluiten en daarbij de belangen van de sluiting zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoeker. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten voor de duur van 52 weken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft ermee ingestemd dat de woning open blijft tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoeker huurt de woning van de woningbouwvereniging Stichting Wonen Limburg (verhuurder).
3.1.
Op 26 november 2025 heeft de politie de woning onderzocht. Het onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van klachten over mogelijke handel in drugs. Verder heeft de politie op drie afzonderlijke dagen de woning van verzoeker geobserveerd en gezien dat er kortstondige bezoekjes van verschillende personen hebben plaatsgevonden, laatstelijk op de dag van het politieonderzoek. Die dag werd ook een koper afgevangen, die ten overstaan van de politie heeft verklaard een sealtje cocaïne van verzoeker te hebben gekocht. Door de politie is 50 gram cocaïne, 419 gram henneptoppen en 50 gram hasj aangetroffen in de woning. Daarnaast zijn attributen gevonden, zie wijzen op drugshandel, zoals een doos met naalden, weegschaaltjes, een valmes, meerdere (lege) gripzakjes, een emmer met acetongeur en een geldbedrag van € 3.312,45. De bevindingen van de politie zijn opgenomen in een naar waarheid opgemaakt bestuurlijke rapportage van 23 december 2025.
3.2.
Naar aanleiding van de ontvangen rapportage heeft de burgemeester op 5 januari 2026 aan verzoeker meegedeeld voornemens te zijn om de woning voor de duur van 52 weken te sluiten. Verzoeker heeft op 21 januari 2026 een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen.
Spoedeisendheid
4. Niet in geschil is dat verzoeker, gelet op de aard van de zaak, een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen softdrugs (zoals henneptoppen en hasj) en harddrugs (cocaïne) worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Kerkrade tegen te gaan. Dit beleid staat in het Damoclesbeleid gemeente Kerkrade 2020 (het beleid). In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning. Uit het beleid volgt dat bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid softdrugs én harddrugs in een woning, de burgemeester de woning sluit voor een periode van 52 weken. [1]
5.1.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019 [2] , 6 juli 2022 [3] en 16 juli 2025 [4] . Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Bevoegdheid
6. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd is tot woningsluiting over te gaan. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het aantreffen van een handelshoeveelheid hennep en hasj (softdrugs) en van een handelshoeveelheid cocaïne (harddrugs).
De evenredigheidsbeoordeling
Geschiktheid
7. De voorzieningenrechter overweegt dat het middel van sluiting in het algemeen geschikt is om de betreffende woning aan het drugscircuit te onttrekken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen, gelet op de ernst van de overtreding en de aangetroffen hoeveelheid soft- en harddrugs.
Noodzaak
8. Als de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een woning te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook met dat minder ingrijpende middel had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. [5]
8.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester op goede gronden heeft besloten dat er in dit geval een noodzaak bestond om de woning te sluiten. In de woning is een grote hoeveelheid soft- en harddrugs aangetroffen. Verder zijn in de woning een groot aantal voorwerpen aangetroffen die wijzen op drugshandel. Dit staat in de bestuurlijke rapportage. De voorzieningenrechter ziet – evenals de burgemeester – geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de in de bestuurlijke rapportage van 23 december 2025 vermelde feiten en omstandigheden. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt ook dat er klachten zijn geweest over drugshandel vanuit de woning, dat de politie zelf heeft waargenomen dat bij de woning kortstondige bezoekjes plaats hebben gevonden van verschillende personen en dat er één van die personen is aangehouden en heeft verklaard cocaïne te hebben gekocht van verzoeker. Het betoog van verzoeker dat er geen loop was van en naar de woning en geen overlast, kan de voorzieningenrechter dan ook niet volgen. Dat de gemeente Kerkrade als geheel al geruime tijd kampt met een omvangrijke verdovende middelen problematiek heeft de burgemeester ook mogen meewegen in zijn besluitvorming. De voorzieningenrechter acht – gelet op het voorgaande – aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en acht daarom sluiting noodzakelijk.
Evenwichtigheid
9. Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich te vergewissen dat de (duur van de sluiting) evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting willen bereiken. Die houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning – die een inmenging in het in artikel 8 van Pro het EVRM [6] neergelegde recht kan vormen – een zwaar gewicht toe te kennen bij de beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
9.1.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoe lang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. Ook dient de burgemeester mee te laten wegen dat de huurder door de sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. [7]
9.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een verwijt treft. Dat laatste wordt ook niet betwist door verzoeker. Van een speciale binding met de woning van het minderjarig kind van verzoeker is de voorzieningenrechter niet gebleken. Het kind van verzoeker heeft niet haar hoofdverblijf bij verzoeker, maar bij de moeder. Het kind wordt dus niet dakloos. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat de omgangsregeling met verzoekers kind onder druk komt te staan, maar de voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat deze omgangsregeling ook ergens anders kan plaatsvinden. Bovendien is niet gesteld noch gebleken dat deze vervalt als verzoeker zijn woning kwijtraakt.
9.3.
Uit de voorhanden zijnde gedingstukken volgt dat de verhuurder, los van het bestreden besluit van de burgemeester, voornemens is een procedure te starten tot ontbinding van de huurovereenkomst met verzoeker. Het opleggen van een waarschuwing, zoals door verzoeker voorgesteld, verschaft verzoeker daarom geen zekerheid dat hij zijn woning zal kunnen behouden. Dat verzoeker op een zwarte lijst komt te staan bij de verhuurder (de woningbouwvereniging), betekent niet dat verzoeker geen vervangende woonruimte kan vinden en dakloos wordt. Niet is gebleken verder dat verzoeker al heeft geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat hij daar niet in is geslaagd. Ook heeft verzoeker niet aangetoond dat hij – gelet op zijn financiën – niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden. Het enkel aanvoeren dat hij geen uitkering meer heeft en daarom geen geld heeft om borg en huur te betalen in de particuliere sector is daartoe onvoldoende. Verzoeker heeft deze stelling niet geconcretiseerd en met bewijsmiddelen onderbouwd. Verder is van belang dat de burgemeester erop heeft gewezen dat als verzoeker toch in de situatie terecht komt dat hij niet (meer) over vervangende huisvesting kan beschikken, hij zich kan wenden tot het algemeen maatschappelijk werk Impuls Kerkrade voor hulp of te verblijven in een crisisopvang in de buurt van Kerkrade.
9.4.
De voorzieningenrechter acht – gelet op het voorgaande – de woningsluiting voor de periode van 52 weken evenwichtig.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Het bestreden besluit blijft in stand. Dat betekent dat de burgemeester bevoegd is de woning van verzoeker te sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 4 maart 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 1, vierde lid, van het beleid in samenhang gelezen met handhavingsmatrix A, opgenomen in bijlage 1 van het beleid.
5.Zie noot 4 (r.o 10.1).
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Zie noot 4 (r.o. 11.1 en 11.2).