ECLI:NL:RBLIM:2026:2111

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ROE 25/1492
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:454 BWArt. 4:6 AwbArt. 64 Wet WIABesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluit UWV over weigering terug te komen op WIA-uitkering en ingangsdatum

Eiser, die sinds 2006 arbeidsongeschikt is, vroeg in 2008 een WIA-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd. In 2024 vroeg eiser het UWV terug te komen op dat besluit op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (nova), waaronder een diagnose Asperger die in 2014 werd gesteld. Het UWV weigerde dit en handhaafde ook de ingangsdatum van de uitkering op 2023.

De rechtbank oordeelt dat het UWV de medische rapporten uit 2008 onrechtmatig heeft vernietigd, terwijl de wettelijke bewaartermijn sinds 2020 twintig jaar bedraagt. Hierdoor ontbreekt essentiële informatie over de eerdere beoordeling, wat voor risico van het UWV komt. Dit leidt tot de conclusie dat het UWV ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen nova zijn.

Verder stelt de rechtbank vast dat eiser vanwege ernstige persoonlijke omstandigheden terecht een bijzonder geval is om de ingangsdatum van de uitkering eerder te laten ingaan dan één jaar voor de aanvraag. Het UWV heeft beleidsruimte, maar moet dit zorgvuldig en proportioneel invullen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het UWV moet een nieuw besluit nemen over terugkomen op het besluit van 2008 en de ingangsdatum van de WIA-uitkering, waarbij de vernietiging van medische rapporten onrechtmatig was.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.H.M.M. Kusters),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), het Uwv
(gemachtigde: M. Wardenburg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat I over de vraag of het Uwv heeft mogen besluiten om niet terug te komen van een eerder besluit en II over de ingangsdatum van de uitkering die aan eiser is toegekend. Eiser is het met beide besluiten niet eens. Op basis van de aangevoerde beroepsgronden is de rechtbank van oordeel dat beide onderdelen van het bestreden besluit geen stand kunnen houden. Het Uwv moet daarover dus een nieuw besluit nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit I van 30 september 2024 heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het besluit van 2 oktober 2008, waarbij is geweigerd om aan eiser per 14 oktober 2008 een WIA-uitkering toe te kennen. Er is volgens het Uwv geen sprake van nieuwe feiten en/of omstandigheden (nova), nu er volgens de verzekeringsarts geen medische indicatie is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling die ten grondslag lag aan dat besluit.
2.1.
Met het primaire besluit II van 30 september 2024 heeft het Uwv aan eiser vanaf 29 juni 2023 een WIA-uitkering toegekend, omdat eiser per 1 januari 2010 voor 100% arbeidsongeschikt is bevonden en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden om het recht op uitkering eerder te doen ingaan dan 52 weken vóór de dag van aanvraag.
2.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten en vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op die bezwaarschriften. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 heeft het Uwv alsnog op de bezwaren beslist en aangegeven dat een dwangsom wordt betaald wegens niet tijdig besluiten. Bij dat besluit (hierna: het bestreden besluit) is het Uwv bij het standpunt gebleven dat niet wordt teruggekomen van het besluit van 2 oktober 2008. Ook heeft het Uwv de ingangsdatum van de WIA-uitkering van eiser gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld en gronden aangevoerd tegen beide onderdelen van het bestreden besluit.
2.4.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
2.5.
Eiser heeft nadere gronden aangevoerd en daarbij een rapport van de medisch adviseur en verzekeringsarts [naam 1] overgelegd. Het Uwv heeft daarop gereageerd middels een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam 2] .
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de echtgenote van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser werkte als medewerker administratie toen hij per 17 oktober 2006 vanwege psychische klachten uitviel. Het dienstverband van eiser is op 31 december 2006 beëindigd. Per 1 januari 2007 heeft hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Op 31 juli 2008 heeft eiser een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag heeft er een medisch onderzoek door een verzekeringsarts plaatsgevonden en is er een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld op 4 september 2008, geldig vanaf die dag. In die FML zijn op twee onderdelen van het persoonlijk functioneren (lichte) beperkingen aangegeven, namelijk dat hij is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Na onderzoek door een arbeidsdeskundige is eiser voor minder dan 35%, namelijk voor 29,30%, arbeidsongeschikt bevonden.
3.1.
Het Uwv heeft bij besluit van 2 oktober 2008 geweigerd om per 14 oktober 2008 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij niet aan de voorwaarden voor toekenning voldeed. Nadat op 13 oktober 2008 de ZW-uitkering van eiser is beëindigd, is aan hem van 14 oktober 2008 tot en met 13 maart 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend.
3.2.
Op 27 juni 2024 heeft eiser telefonisch contact openomen met het Uwv en gevraagd om een toelichting te mogen geven op zijn medische situatie ten tijde van de WIA-beoordeling in 2008 en daarna. Op 28 juni 2024 heeft er een gesprek met een medewerker van het Uwv plaatsgevonden. Het Uwv heeft deze contacten gezien als een verzoek om terug te komen op het besluit van 2 oktober 2008 op grond van nova. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv aan eiser gevraagd om (nieuwe) medische informatie toe te sturen. Eiser heeft dat gedaan in de vorm van een eigen beschrijving van zijn gezondheidstoestand, door hem ervaren beperkingen en gevolgde therapieën en trainingen sinds het begin van zijn arbeidsverleden. Die periode wordt volgens hem gekenmerkt door recidiverende ernstige depressies. Ook heeft hij een brief van het RIAGG van 18 maart 2014 overgelegd waarin diagnoses van een aantal stoornissen, waaronder Asperger, zijn vermeld.
3.3.
Er heeft opnieuw een medisch onderzoek door een (verzekerings)arts plaatsgevonden. De primaire arts heeft de diagnoses van het RIAGG overgenomen en overwogen dat er begin 2010 sprake is geweest van een forse terugval van depressieve klachten die hebben aangehouden en in ernst zijn toegenomen. Er is er een FML opgesteld op 24 juli 2024, die geldig is vanaf 1 januari 2010 en ongewijzigd geldt per 23 juli 2024. Daarin zijn op een groot aantal onderdelen van het persoonlijk en sociaal functioneren beperkingen aangenomen en ook een urenbeperking tot vier uur per dag en twintig uur per week. Er is volgens de (verzekerings)arts echter geen medische indicatie om te twijfelen aan de juistheid van de eerdere beoordeling per 14 oktober 2008.
3.4.
Na onderzoek door een arbeidsdeskundige is eiser per 1 januari 2010 voor 100% arbeidsongeschikt bevonden omdat op basis van de FML geen functies konden worden geduid. Vervolgens heeft het Uwv de primaire besluiten van 30 september 2024 genomen. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw naar de zaak gekeken.
Standpunt eiser
4. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat het Uwv terug had moeten komen van het besluit van 2 oktober 2008, aangezien er wel sprake is van nova nu inmiddels bij hem onder meer de diagnose Asperger is gesteld. Hierdoor ondervond hij in 2008 ook al beperkingen. Deze beperkingen zijn toen echter onvoldoende opgenomen in de FML van 4 september 2008. Eiser wijst erop dat in die FML slechts zeer geringe beperkingen zijn vermeld. Hij benadrukt dat de primaire (verzekerings)arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet de beschikking hebben gehad over de rapportages van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep uit 2008, nu deze blijken te zijn vernietigd. Daarmee heeft het Uwv gehandeld in strijd met de bewaarplicht van artikel 7:454 van Pro het Burgerlijk Wetboek, waaruit volgt dat die rapporten twintig jaar hadden moeten worden bewaard. De onbekendheid met de rapportages uit 2008 dient voor risico van het Uwv te komen, aldus eiser.
4.1.
Eiser betoogt voorts dat de WIA-uitkering met een verdergaande terugwerkende kracht dan met slechts een jaar moet worden toegekend. Er is bij eiser sprake van een bijzonder geval. Hij heeft het de afgelopen jaren heel zwaar gehad en met moeite medisch en financieel het hoofd boven water kunnen houden. Hierdoor was er geen ruimte om stil te staan bij het feit dat de nieuwe diagnose en de toename van zijn klachten en zijn beperkingen mogelijk zou kunnen leiden tot een andere beoordeling dan in 2008. Eiser was ook niet bekend met de mogelijkheid om een herziening aan te vragen.
4.2.
Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser een rapport van medisch adviseur verzekeringsarts Özyurt van 11 augustus 2025 overgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Weigering terugkomen
5. Het verzoek van eiser strekt er in de eerste plaats toe dat wordt teruggekomen van het besluit van 2 oktober 2008. Het Uwv heeft op het verzoek van eiser beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nova zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [1] Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden wordt verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit, worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd.
5.1.
Het Uwv stelt zich op het standpunt dat hetgeen eiser bij zijn verzoek in juni 2024 heeft aangevoerd en overgelegd niet als nova is aan te merken. Volgens het Uwv waren de medische klachten waarvoor later een diagnose is gesteld ook al bekend in 2008. Het Uwv wijst daarbij op jurisprudentie van de CRvB waarin is geoordeeld dat een nieuwe diagnose als zodanig niet als een nieuw feit of omstandigheid wordt aangemerkt. De rechtbank kan uit die jurisprudentie echter niet afleiden dat een nieuwe diagnose geen enkele rol kan spelen bij beantwoording van de vraag of er nova zijn. Het is immers mogelijk dat een diagnose een nieuw licht werpt op een eerdere beoordeling in het kader van de WIA. Dat kan het geval zijn als door een (nieuwe) diagnose aan het licht komt dat sprake is van een eerder niet onderkende aandoening die andere of meer beperkingen met zich kan brengen dan bij de eerdere beoordeling is vastgesteld. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is zal de verzekeringsarts van het Uwv ook moeten bekijken van welke aandoeningen en beperkingen eerder is uitgegaan. In dit geval heeft het RIAGG in maart 2014 de diagnoses Asperger, depressieve stoornis (deels in remissie) en specifieke fobie gesteld en geconstateerd dat er trekken zijn van een obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het patroon van recidiverende zware depressies zich is blijven herhalen. Zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als de medisch adviseur van eiser achten aannemelijk dat genoemde aandoeningen er ook al in 2008 waren. Bij gebreke van de rapporten uit 2008 hebben zij echter niet kunnen vaststellen met welke aandoeningen de verzekeringsartsen destijds rekening hebben gehouden en ook niet in hoeverre eiser door de in 2014 vastgestelde aandoeningen al in 2008 functioneel beperkt was. De verzekeringsarts concludeert niettemin dat er geen sprake is van nova met in wezen als enige redengeving dat hij geen steekhoudende argumenten ziet om aan te nemen dat de eerdere beoordelingen onjuist waren of zijn. Het voorgaande roept de vraag op of de onzekerheid die bestaat ten gevolge van het ontbreken van de rapporten van de verzekeringsartsen uit 2008 voor risico van het Uwv komt en, zo ja, wat daarvan de gevolgen zijn. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
5.2
Afdeling 5 van Titel 7 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek betreft de overeenkomt inzake geneeskundige behandeling (WGBO). Onderdeel daarvan is artikel
7:454, derde lid, van het BW, inhoudend – voor zover van belang – dat het medisch dossier wordt bewaard gedurende twintig jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging in het dossier heeft plaatsgevonden. Naar tussen partijen niet in geschil is en ook de rechtbank van oordeel is, is deze bepaling van toepassing op de medische stukken inzake het geneeskundig onderzoek in WIA-zaken. Naar ter zitting is gebleken is het medisch dossier van het onderzoek dat 2008 heeft plaatsgevonden– anders dan de niet-medische stukken waaronder de FML – vernietigd, omdat al vóór de herhaalde aanvraag de bewaartermijn van de WGBO zou zijn verstreken. Eiser bestrijdt dat standpunt en de rechtbank is dat met hem eens. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 4:54 van Pro het BW blijkt dat de bewaartermijn in stappen is verlengd van de aanvankelijke tien jaar, naar vervolgens vijftien jaar (
Stb.2006, 29), naar – per 1 januari 2020 – twintig jaar (
Stb.2019, 224). Het Uwv stelt zich op het standpunt dat ten tijde van de beoordeling in 2008 een bewaartermijn van vijftien jaar gold, zodat het medisch dossier van eiser in 2023 mocht worden vernietigd. Het Uwv miskent daarbij echter dat de verlenging van 1 januari 2020 onmiddellijke werking had en dus van toepassing was op alle dossiers die op dat moment nog bewaard moesten worden omdat de termijn van vijftien jaar nog niet was verstreken. Dit vindt bevestiging in de Memorie van Toelichting van die wetswijziging: “ Er is niet voorzien in overgangsrecht bij deze wijziging. Er is dus sprake van onmiddellijke werking”. [2] Het voorgaande betekent dat het Uwv de rapporten van de verzekeringsartsen uit 2008 niet heeft mogen vernietigen en dat de onbeschikbaarheid daarvan voor risico van het Uwv komt. Mede in aanmerking genomen dat er bij vergelijking van de FML van september 2008 en de per 1 januari 2010 geldende FML een groot en niet op voorhand verklaarbaar verschil is te zien in aantal en zwaarte van de beperkingen, volgt daaruit tevens dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser geen nova heeft aangevoerd.
5.3.
Omdat ten onrechte geen nova zijn aangenomen berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het Uwv dient alsnog, op basis van alle voorhanden gegevens en eventueel nader te verkrijgen inlichtingen, een inhoudelijke beoordeling van de belastbaarheid van eiser in oktober 2008 te verrichten. De rechtbank onderkent dat bij het ontbreken van essentiële gegevens deze beoordeling noodzakelijkerwijs enigszins het karakter van een waarschijnlijkheidsoordeel zal moeten hebben.
5.4.
Ter voorlichting van eiser wijst de rechtbank er nog op dat het Uwv, ook als nader onderzoek uitwijst dat het in 2008 genomen besluit onjuist was, niet zonder meer verplicht is om alsnog met volledige terugwerkende kracht een uitkering toe te kennen. Dit betreft immers een bevoegdheid met beleidsruimte. Daarvoor geldt wel dat het Uwv daarvan gebruik moet maken met inachtneming van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is van belang dat het Uwv beleidsregels over dit onderwerp heeft. [3] In die beleidsregel is onder meer opgenomen dat de terugwerkende kracht van een correctie vijf jaar is. [4]
Ingangsdatum van de uitkering
6. Eiser heeft tevens (subsidiair) gronden aangevoerd tegen de ingangsdatum van de uitkering, zijnde 23 juni 2023, terwijl arbeidsongeschiktheid vanaf 1 januari 2010 wordt aangenomen. Hij is van mening dat er sprake is van een bijzonder geval om de toekenning eerder te doen ingaan dan een jaar vóór de aanvraag. De rechtbank volgt hem daarin en overweegt daartoe als volgt.
6.1.
In artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA is bepaald dat het recht op een uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen hiervan afwijken.
6.2.
Naar vaste rechtspraak van de CRvB [5] moet met name van een bijzonder geval als hier bedoeld worden gesproken, indien de betrokken verzekerde ter zake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Dit zal onder meer het geval zijn wanneer de verzekerde om medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving van de verzekerde.
6.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de diagnose Asperger, de persoonlijkheidsstructuur en/of de (recidiverende) stemmingsproblematiek van eiser weliswaar kunnen, maar niet altijd en niet ten alle tijden gepaard gaan met beïnvloeding van het vermogen tot initiatief nemen, plannen, zelfredzaam handelen en het benutten van rechten, zodat eiser niet eerder in staat zou zijn geweest dan wel de capaciteiten had om een herzieningsverzoek in te dienen. Er zijn volgens de verzekeringsarts evenmin medische argumenten om te veronderstellen dat eiser er niet eerder door anderen op gewezen had kunnen worden. De rechtbank is echter van oordeel dat het Uwv door zich uitsluitend op voormelde medische beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te baseren van een te beperkte reikwijdte van het wettelijk begrip “bijzondere gevallen” uitgaat. Het gaat daarbij niet om een strikt medische beoordeling. Gelet op de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, constateert de rechtbank dat eiser in de periode tussen oktober 2008 en zijn aanvraag in 2024 met dermate veel en ernstig belastende problemen op het gebied van gezondheid (therapieën en trainingen), familie (relatie met ouder gezin), gezin (twee kinderen met ernstige beperkingen), huwelijk (relatietherapie), werksituatie (mislukte pogingen tot ondernemerschap) en financiën dat het hem niet euvel is te duiden dat hij niet eerder dan in juni 2024 met het Uwv contact heeft opgenomen om opnieuw naar zijn uitkeringsrechten te kijken.
6.4.
Dat het Uwv ten onrechte geen bijzonder geval heeft aangenomen, betekent niet dat het Uwv alsnog vanaf 1 januari 2010 een uitkering moet toekennen. Het Uwv heeft ook op dit punt beleidsruimte, die het moet invullen op de wijze als omschreven in overweging 5.4. van deze uitspraak. Het komt de rechtbank voor dat het Uwv dat zou kunnen doen analoog aan de in die overweging genoemde Beleidsregel.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien en acht het toepassen van een bestuurlijke lus in dit geval geen efficiënte wijze van afdoening. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in totaal € 2.335, - (1 punt voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen met een wegingsfactor 0,5 en voorts 1 punt voor het indienen van beroepsgronden tegen het bestreden besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1, alles uitgaande van een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het Uwv op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,- vergoedt;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.M.A.W. Kusters-van Mulken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 2 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115, en van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:540.
2.Kamerstukken 2017-2018, 34994, nr 3, p. 8.
3.Beleidsregel Uwv Terugkomen van een vaststaande beslissing, Stscrt 2025, nr. 30050.
4.Artikel 7, tweede lid, van de Beleidsregel.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1211.