Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser woont op het adres [adres] in Venlo, samen met zijn echtgenote en zijn broer. Zij zijn alle drie werkzaam in het familietransportbedrijf ‘ [naam bedrijf] ’ (hierna: het bedrijf) dat op hun woonadres is gevestigd. Het bedrijf heeft daarnaast één werknemer in dienst, die elders woont. Het bedrijf heeft vier bussen voor transportbegeleiding (gele bussen met rood-witte markering en opschrift “convoi exceptionnel”). Drie van de bussen worden in de directe omgeving van de woning geparkeerd. De vierde bus wordt door voornoemde werknemer gebruikt en wordt niet in de directe omgeving van de woning geparkeerd (maar bij de woning van deze werknemer elders). Naast de bussen beschikt de broer van eiser nog over een eigen auto. In totaal worden er dus vier voertuigen rondom de woning van eiser geparkeerd door hem en zijn familieleden.
7. De bussen worden gebruikt om transport te begeleiden van de Duitse grens naar Nederland, België en Frankrijk. De transportritten vinden veelal in de nacht plaats. Dat betekent dat de bussen voornamelijk overdag (tussen 06:00 uur en 19:00 uur) rondom de woning geparkeerd zijn. Het bedrijf beschikt over een kantoor op het perceel, waar voornamelijk administratieve handelingen worden verricht. Er worden geen klanten ontvangen op het kantoor. Op het achtererfgebied van het perceel zijn een aanbouw, een bijgebouw en voornoemd kantoor gebouwd.
8. In juli 2022 heeft een buurman van eiser geklaagd over een erfafscheiding op het achtererf van het perceel van eiser en over het parkeren van de drie bussen rondom de woning. Het college heeft naar aanleiding van deze klacht een gemeentelijke toezichthouder naar het perceel gestuurd. Uit een controle van 15 augustus 2022 en een later verrichte bepaling aan- en bijgebouwen van 15 maart 2023 is volgens het college gebleken dat eiser in overtreding van het Omgevingsplan Venlo (hierna: het omgevingsplan) handelt. Het college heeft daarom op 16 april 2024 aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om handhavend te gaan optreden. Na ontvangst van de zienswijze van eiser heeft het college met het primaire besluit van 1 november 2024 twee lasten onder dwangsom aan eiser opgelegd. Volgens het college is sprake van twee overtredingen: 1) het gebruiken van de aanwezige bebouwing op het perceel van eiser voor bedrijfsmatige activiteiten in strijd met de op het perceel geldende woonbestemming, hetgeen in strijd is met artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet en artikel 21.1 van het bestemmingsplan ‘Venlo-Zuid’ (hierna: het bestemmingsplan), onderdeel van het omgevingsplan, en 2) het bebouwen van een te groot percentage van het achtererfgebied, hetgeen in strijd is met artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet en artikel 21.2.2, onder i van het bestemmingsplan.
9. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Op 18 december 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de begunstigingstermijn voor het voldoen aan de opgelegde lasten onder dwangsom op 1 april 2026 verloopt.
10. Om te beoordelen of het college handhavend mocht optreden jegens de gestelde overtreder, moet sprake zijn van een overtreding van die als overtreder aangemerkte persoon. Indien sprake is van een overtreding en eiser als overtreder aangemerkt kan worden, is het college in beginsel bevoegd om handhavend op te treden jegens eiser. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
11. De voorzieningenrechter geeft hierna per opgelegde last aan of sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend had moeten optreden en, zo ja, of er redenen zijn om van handhavend optreden af te zien. Dat, als sprake is van een overtreding, eiser overtreder is, is niet in geschil.
Last 1: Bedrijfsmatige activiteiten
Is sprake van een overtreding?
12. Eiser wordt in het primaire besluit in de eerste last onder dwangsom gelast:
“
De bedrijfsmatige activiteiten (zowel het kantoor als het parkeren van de bedrijfsbussen) van het bedrijf ‘ [naam bedrijf] ’ op het adres [adres] te beëindigen en beëindigd houden. Daarbij mogen de bedrijfsbussen niet meer worden geparkeerd op de openbare weg in het geel omlijnde gebied zoals weergeven op de kaart (zie bijlage onderdeel 7). Buiten dit gebied mogen de bedrijfsbussen enkel worden geparkeerd op plekken waar het is toegestaan.”
Indien eiser niet aan de last voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 500,- per constatering met een maximum van € 5.000,-.
13. Op grond van het omgevingsplan en het daarvan onderdeel uitmakende bestemmingsplan rust de bestemming ‘wonen’ op het perceel van eiser. Artikel 21.1, aanhef en onder b, van de planregels bepaalt dat het uitvoeren van een aan huis gebonden beroep is toegestaan op het perceel. In artikel 21.4.2 staan specifieke gebruiksregels in de ‘Beroepen aan huis regeling’: Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt niet gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor het in combinatie met het wonen uitoefenen van een aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mits de bedrijfsactiviteit is opgenomen in de bijlage bij deze regels “bedrijvenlijst woongebied”, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Ter zitting is met partijen besproken dat er aldus een rechtstreeks recht bestaat op bedrijfsmatige activiteiten aan huis, zolang aan de voorwaarden van artikel 21.4.2 van de bestemmingsplanregels wordt voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van eiser zijn opgenomen in de genoemde bedrijvenlijst. Wel in geschil is of aan de voorwaarden d, e en g van artikel 21.4.2 wordt voldaan. Deze voorwaarden luiden:
d. door beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast;
e. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geen parkeeroverlast voor de directe (woon)omgeving veroorzaken of dat hierdoor geen extra parkeervoorzieningen noodzakelijk zijn;
g. geen (overig) gevaar, schade, hinder of overlast voor de (woon)omgeving ontstaat”.
Ter zitting is besproken dat in het onderhavige geval dit met name neerkomt op de vraag of door de bedrijfsactiviteiten parkeeroverlast ontstaat. Verkeersbewegingen zijn ook genoemd door het college, maar zoals ook op zitting besproken betreft dit een relatief beperkt aantal omdat de bussen in de regel ’s avonds vertrekken voor een begeleiding van transport en dan pas ’s morgens weer terugkomen, waarna de bussen geparkeerd worden tot de volgende opdracht in de avond. De beperkte verkeersbewegingen die plaatsvinden vanuit de woning van eiser zijn, zo heeft de gemachtigde van het college ter zitting verklaard, niet doorslaggevend geweest voor het handhavend optreden. Aan de voorzieningenrechter ligt daarom de vraag voor of het college zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van strijd met het omgevingsplan en het daarvan deel uitmakende bestemmingsplan omdat het bedrijf van eiser voor parkeeroverlast zorgt.
14. Het college heeft de gestelde parkeeroverlast gemotiveerd aan de hand van een ‘parkeeronderzoek’. Dit parkeeronderzoek blijkt in essentie uit een computerprogramma waarin gegevens aanwezig zijn die door een door de gemeente ingeschakeld onderzoeksbureau ter plaatse zijn vergaard. Het college heeft in het bestreden besluit twee grotendeels onleesbare schermafdrukken van dit computerprogramma opgenomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college deze afdrukken toegelicht, maar niet meer momenten kunnen tonen dan opgenomen in de betreffende afdrukken.
15. De voorzieningenrechter overweegt dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding en dit voldoende te motiveren. Uit de twee schermafdrukken blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende dat de bussen van eiser leiden tot parkeeroverlast in de buurt. Daaruit blijkt namelijk onvoldoende wat de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen in de omgeving op verschillende dagdelen en verschillende momenten in de week is en in hoeverre de kritische bezettingsgraad – de bezettingsgraad waarbij kan worden gesproken van een te hoge parkeerdruk – door de bussen van het bedrijf van eiser overschreden wordt. Voor de voorzieningenrechter is op basis van de schermafdrukken niet te controleren welke gegevens zijn gebruikt en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van parkeeroverlast. Daar komt bij dat de bezettingsgraad per straat of parkeergelegenheid in de directe omgeving volgens de betreffende, toegelichte schermafdrukken behoorlijk verschilt. Daarnaast is ter zitting ook gebleken dat het college niet heeft meegewogen in hoeverre de parkeerdruk veroorzaakt vanuit onderhavige woning met bedrijf afwijkt van de per definitie toegestane parkeerdruk vanuit een woning zonder bedrijf. Inherent aan een normale gezinswoning is immers de aanwezigheid van een of zelfs meer auto’s. Ook aan een aan huis gebonden beroep of bedrijfsmatige activiteit is inherent het beschikken over ten minste een voertuig. Het college lijkt zich blijkens de opgelegde last op het standpunt te stellen dat het in de omgeving parkeren van geen enkel bedrijfsvoertuig is toegestaan. Dat standpunt kan de voorzieningenrechter niet volgen, nu het omgevingsplan ter plaatse rechtstreeks woongebruik toestaat en ook bedrijfsmatige activiteiten. De voorwaarde dat daarmee geen parkeeroverlast mag ontstaan, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer zo vergaand worden uitgelegd dat geen enkel bedrijfsvoertuig gebruikt/ geparkeerd mag worden.
16. Het voorgaande betekent dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van strijd met het omgevingsplan en dus dat sprake is van een overtreding.
Doel en strekking (evenredigheid) van de last
17. De voorzieningenrechter constateert dat de last op twee gedachten hinkt. Enerzijds wordt eiser gelast om alle bedrijfsmatige activiteiten van het bedrijf te staken – dus ook het kantoor ter plaatse en het gebruik van alle voertuigen – anderzijds wordt hij gelast om enkel de bussen buiten een bepaald gebied te parkeren. Dit laatste impliceert dat het bedrijf, ook op het betreffende adres, nog wel gevoerd zou mogen worden. De last is daardoor onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig. De last van volledige bedrijfsbeëindiging strekt bovendien duidelijk verder dan nodig om het beoogde doel (beëindigen van parkeeroverlast) te bereiken, nu dit blijkens het ook genoemde elders parkeren ook op een andere manier kan worden bereikt. Bedrijfsmatige activiteiten zijn ingevolge het omgevingsplan ook rechtstreeks toegestaan, zolang (voor zover hier relevant) maar geen parkeeroverlast wordt veroorzaakt. Uit hetgeen onder 15 is overwogen volgt dat onvoldoende gemotiveerd is dat beëindiging van het parkeren van alle bussen in de directe omgeving noodzakelijk is.
18. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de last onder dwangsom ten aanzien van de bedrijfsmatige activiteiten van eiser onvoldoende gemotiveerd is en onjuist en onduidelijk geformuleerd dan wel te verstrekkend is. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Het beroep van eiser ten aanzien van deze last is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit voor zover het de eerste last onder dwangsom betreft. De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit ten aanzien van de eerste last onder dwangsom te herroepen, nu dit besluit vanwege hetzelfde motiveringsgebrek niet in stand kan blijven. Indien het college een nieuw handhavingsbesluit wenst te nemen, dient het college deze uitspraak daarbij in acht te nemen.
Handelt het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
19. Los van het voorgaande heeft eiser betoogd dat er meerdere bedrijven in de omgeving gevestigd zijn die eveneens parkeercapaciteit innemen, zonder dat het college daartegen handhavend optreedt. Het betreft een taxibedrijf en een transportbedrijf. Eiser beroep zich op het gelijkheidsbeginsel, omdat hij van mening is dat zijn bedrijf gelijk is aan de twee door hem genoemde bedrijven, terwijl het college niet handhavend optreedt tegen de overtredingen van deze bedrijven. Vanuit oogpunt van finale geschilbeslechting gaat de voorzieningenrechter ook op deze beroepsgrond in, voor het geval het college een nieuw handhavingsbesluit neemt.
20. De voorzieningenrechter overweegt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel sprake moet zijn van een feitelijk en rechtens vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. Ter zitting is gebleken dat, hoewel de gevallen op zichzelf voldoende vergelijkbaar zijn (namelijk bedrijfsmatige activiteiten in een woonwijk in de directe omgeving), het college geen toestemming heeft gegeven aan deze bedrijven om (deze mate van) parkeercapaciteit in te nemen en dit ook niet gedoogt. Het college zal onderzoek doen naar deze bedrijven en, indien nodig, dus indien sprake is van parkeeroverlast ter plaatse, handhavend optreden. De voorzieningenrechter ziet daarom op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Last 2: Bebouwing op het achtererfgebied
Is sprake van een overtreding?
21. In de tweede last onder dwangsom wordt eiser gelast de “
bebouwing van 51 m2 op het achtererf te verwijderen en verwijderd te houden.”Doet eiser dit niet, dan verbeurt hij een dwangsom van € 5.000,- ineens.
22. Uit het rapport ‘Bepaling aan- en bijgebouwen’ van 15 maart 2023 blijkt dat op het bouwvlak van 177 m2, zoals aangegeven in het bestemmingsplan, in totaal 166 m2 aan bebouwing aanwezig is. Onderdeel van deze bebouwing is een bijgebouw, tussen partijen bekend als een overkapping, met een oppervlakte van 49 m2. De oppervlakte van dit bijgebouw is tussen partijen niet in geschil.
23. Artikel 21.2.4 van het bestemmingsplan bepaalt welke regels gelden voor het bouwen van bijgebouwen op een perceel. Onderdeel c van dit artikel bepaalt als volgt:
“
de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag, voor zover gelegen buiten het maximale bouwvlak van het hoofdgebouw zoals bepaald in lid 21.2.2 sub h, niet meer bedragen dan:1. 70 m2 bij een bouwperceel van maximaal 500 m2;2. 100 m2 bij een bouwperceel groter dan 500 m2;met dien verstande dat het maximale bouwpercentage als hiervoor bedoeld onder lid 21.2.2 sub i en j niet mag worden overschreden”.
24. Artikel 21.2.2, onder i, van het bestemmingsplan, waarnaar in voornoemd artikel 21.2.4 onder c wordt verwezen, bepaalt: “
het bebouwingspercentage van het bouwvlak voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke hoger zijn [dan] 1 meter gemeten vanaf het aansluitend terrein (…) mag niet meer dan 65 bedragen.
25. Uit voornoemd artikel blijkt dat het bouwvlak zoals omschreven in het bestemmingsplan slechts voor 65% bebouwd mag zijn. Voor het standpunt van eiser dat niet van het bouwvlak, maar van het bouwperceel uitgegaan moet worden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. In artikel 21.2.2, onder i, van het bestemmingsplan wordt duidelijk over het bouwvlak gesproken en dat is op de bestemmingsplankaart aangeduid.
26. Op grond van artikel 21.2.4, onder c, van het bestemmingsplan, in samenhang met artikel 21.2.2, onder i, mag niet meer dan 115 m2 van het bouwvlak bebouwd zijn, namelijk 65 % van het bouwvlak van 177 m2. Eiser stelt dat het bouwwerk van 49 m2 hierbij niet moet worden meegeteld. Hij verwijst daartoe naar artikel 21.2.5 van het bestemmingsplan, waarin volgens hem is bepaald dat overkappingen worden uitgezonderd van het bebouwingspercentage als bedoeld in artikel 21.2.2, onder i.
27. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in dit standpunt. Een overkapping is volgens artikel 1.71 van het bestemmingsplan een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand. Ter zitting is gebleken dat het betreffende bouwwerk aan meerdere zijden is omsloten, waardoor het niet voldoet aan de definitie van een overkapping. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit bouwwerk daarom als bijgebouw in de zin van artikel 1.34 van het bestemmingsplan moet worden gezien. De oppervlakte van het bijgebouw is naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht door het college meegenomen in de berekening van de bebouwing op het perceel. Dit nog daargelaten hetgeen onder 21.2.5 onder d is bepaald, namelijk dat het onder 21.2.2 onder i aangegeven bebouwingspercentage (ook) ten gevolge van andere bouwwerken die hoger zijn dan 1 meter niet mag worden overschreden.
28. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college terecht stelt dat het maximaal toegestane bebouwingspercentage met 51 m2 (166 – 115) is overschreden. Eiser overtreedt hiermee de artikelen 21.2.4 en 21.2.2 van het bestemmingsplan. Omdat hij voor het handelen in strijd met het omgevingsplan, waar het bestemmingsplan onderdeel van uitmaakt, geen omgevingsvergunning heeft, overtreedt eiser artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet. Het college is in beginsel bevoegd om handhavend op te treden tegen deze overtreding. De voorzieningenrechter beoordeelt hierna of het handhavend optreden in dit geval evenredig is.
Is het handhavend optreden evenredig?
29. De last laat eiser vrij in het bepalen welke bebouwing hij verwijdert op het achtererf, zolang maar 51 m2 wordt verwijderd. De bebouwing op het achtererf bestaat naast het onder 26 en 27 genoemde bijgebouw van 49 m2 ook nog uit andere bebouwing. Ter zitting heeft eiser aangegeven dit bijgebouw te willen verwijderen, wanneer uit onderhavige uitspraak volgt dat dit bouwwerk meetelt bij het bebouwingspercentage. Na het verwijderen van dit bijgebouw van 49 m2 resteert een overtreding van nog slechts 2 m2. Eiser stelt in zijn beroepschrift en heeft op zitting toegelicht dat het verwijderen van meer dan het bijgebouw van 49 m2 niet evenredig is, omdat hij dan constructieve delen van de andere bijgebouwen moet slopen en verwijderen en dit een vergaande verbouwing van die bijgebouwen vereist om deze voor het overige bruikbaar te houden. Ter zitting heeft het college aangegeven te begrijpen dat het handhavend optreden tegen een overtreding van 2 m2 mogelijk niet in verhouding staat tot de constructieve gevolgen daarvan.
30. De voorzieningenrechter is, gelet op hetgeen op zitting besproken is zoals vermeld onder 29, van oordeel dat het niet evenredig is om eiser te gelasten meer dan het bijgebouw van 49 m2 te verwijderen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat de tweede last onder dwangsom beperkt dient te blijven tot enkel het verwijderen van het bijgebouw van 49 m2 en dat het college ten aanzien van de resterende overtreding van 2 m2, hoewel in strijd met het bestemmingsplan, van handhavend optreden had moeten afzien.
Conclusie tweede last onder dwangsom
31. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit ook ten aanzien van de tweede last onder dwangsom, omdat de last gelet op de feitelijke situatie onevenredig is. De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit in zoverre te herroepen dat de tweede last onder dwangsom beperkt wordt tot het verwijderen van het bijgebouw, tussen partijen bekend als de overkapping, met een oppervlakte van 49 m2. Voor de volledigheid verwijst de voorzieningenrechter naar onderstaande foto, waarin het bedoelde bijgebouw is omlijnd. Het primaire besluit blijft voor het overige in stand, met dien verstande dat de begunstigingstermijn wordt gewijzigd zoals onder 32 bepaald. De hoogte van de dwangsom komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor.
32. Omdat de begunstigingstermijn voor het voldoen aan de overgebleven last onder dwangsom op 1 april 2026 verloopt, circa drie weken na onderhavige uitspraak, bepaalt de voorzieningenrechter dat de begunstigingstermijn wordt verlengd, en wel tot drie maanden na deze uitspraak, in lijn met de eerder door het college gegeven begunstigingstermijn. Aangezien het betreffende bijgebouw relatief gemakkelijk te verwijderen is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze begunstigingstermijn niet te kort is.