ECLI:NL:RBLIM:2026:2233

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
ROE 24/4261
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.2 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning huisvesting internationale werknemers in Venlo

Deze uitspraak betreft het beroep van meerdere eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Venlo voor het realiseren van huisvesting voor internationale werknemers aan de Albertushof te Venlo.

Eisers betwistten onder meer de ontvankelijkheid van het bezwaar van Sormac B.V., verkeershinder, parkeervoorzieningen, terreinafscheiding en landschappelijke inpassing. De rechtbank oordeelt dat Sormac B.V. geen belanghebbende is vanwege de afstand en het uitgebreide wegennet, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Verder vindt de rechtbank dat de verkeersbewegingen realistisch zijn ingeschat en dat er geen noodzaak is voor verkeersvoorschriften. De maatvoering van parkeerplaatsen is voldoende geborgd in de vergunning. De beroepsgronden over terreinafscheiding en landschappelijke inpassing zijn deels ingetrokken en deels niet ontvankelijk vanwege het relativiteitsvereiste en het feit dat de vergunning niet aan deze voorwaarden hoeft te toetsen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4261

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

Sormac B.V., LVD Vastgoed B.V., Akarton B.V. en [eiser], alle te [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M. van Moorsel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Albertushof Invest B.V.te Velden, vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor onder meer het realiseren van huisvesting voor internationale werknemers. Eisers zijn het er niet mee eens dat verweerder het bezwaar van Sormac B.V. niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook richten zij zich tegen de verlening van de vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van Sormac B.V. terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, en in de bezwaren van de overige eisers geen reden hoefde te zien om terug te komen op de vergunningverlening. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het realiseren van huisvesting voor internationale werknemers, een uitweg en het verplaatsen van een uitweg aan de [adres 1] [plaats] , plaatselijk bekend als de Albertushof.
2.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 april 2024 ingewilligd. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 op de bezwaren van eisers is verweerder bij de verlening van de vergunning gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van verweerder, de gemachtigde van vergunninghoudster en namens vergunninghoudster [naam 1] en [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

3. De verleende omgevingsvergunning ziet kort gezegd op de activiteiten bouwen, gebruiken in strijd met het bestemmingsplan en veranderen van een uitweg, als bedoeld in respectievelijk artikel 2.1, eerste lid, onder a, artikel 2.1, eerste lid, onder c, en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo. Ter plaatse gold destijds het bestemmingsplan ‘Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo’ (hierna: het bestemmingsplan). Tegen het bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), die op 16 juli 2025 een tussenuitspraak heeft gedaan. [1] De strijdigheid met het bestemmingsplan betreft het bouwen buiten het bouwvlak, het percentage bebouwde oppervlakte, de bouwhoogte van overkappingen en de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Toepasselijk recht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Niet-ontvankelijkheid bezwaar van Sormac B.V.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van Sormac B.V. tegen de verlening van de vergunning niet-ontvankelijk verklaard. De reden daarvoor is dat Sormac B.V. volgens verweerder geen belanghebbende is bij het besluit tot vergunningverlening.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de projectlocatie en de vestiging van Sormac B.V. aan de Huiskensstraat 68 hemelsbreed ongeveer 350 meter is. Vanaf de vestiging is er geen zicht op de projectlocatie. Eisers menen dat Sormac B.V. toch belanghebbende is vanwege de verwachte toename van verkeer op de wegen die zij gebruikt voor haar goederenvervoer. De rechtbank volgt eisers daarin niet. Allereerst verwacht de rechtbank met verweerder niet dat door de toekomstige bewoners van de projectlocatie gebruik van enige betekenis zal worden gemaakt van de Huiskensstraat, net zoals Sormac B.V. geen gebruik maakt van de Hendrikkenhofstraat. Wel komen de Huiskensstraat en de Hendrikkenhofstraat beide uit op de Hakkestraat. Eisers hebben gewezen op twee uitspraken waarin ondanks de grote afstand toch werd geoordeeld dat de eiser in die zaken belanghebbende was vanwege de verwachte toename van verkeer, namelijk een uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 april 2021 en een uitspraak van de Afdeling van 29 september 2021. [2] De rechtbank is echter van oordeel dat de feitelijke situatie in die zaken afwijkt van de situatie die hier voorligt. Anders dan in die zaken is hier geen sprake van een beperkte ontsluitingsmogelijkheid, maar van een uitgebreid wegennet met een ruime capaciteit.
5.2.
Dit betekent dat Sormac B.V. geen belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de vergunning. Verweerder heeft het bezwaar van Sormac B.V. daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verkeersvoorschriften ter voorkoming van verkeershinder
6. Eisers betogen dat verweerder aan de vergunning voorschriften had moeten verbinden ter waarborging van de verkeersveiligheid. Zij stellen dat het aantal verkeersbewegingen waarvan verweerder is uitgegaan, niet is onderbouwd, waardoor de huisvesting mogelijk tot meer verkeer zal leiden, en dan met name in de nacht.
6.1.
De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan op een rapport van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. In dit geval heeft verweerder zich voor de beoordeling van de eventuele verkeershinder gebaseerd op de notitie “Verkeerskundig onderzoek ontwikkelproject Albertushof te Venlo Versie 3” van [naam 3] , gedateerd 3 december 2021, dat is opgesteld ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan. Op basis van de notitie is verweerder uitgegaan van een toename als gevolg van de huisvesting met ongeveer 280 verkeersbewegingen per etmaal. Verweerder heeft dit aantal realistisch geacht. In de enkele stelling van eisers dat de huisvesting mogelijk tot meer verkeer zal leiden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet van dit aantal mocht uitgaan.
6.2.
Gelet ook op de capaciteit van het wegennet in de omgeving van het projectplan is de rechtbank niet ervan overtuigd geraakt dat een toename van 280 verkeersbewegingen per etmaal tot verkeershinder zal leiden. Voor het stellen van verkeersvoorschriften hoefde verweerder dan ook geen noodzaak te zien. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Parkeren
7. Eisers stellen dat de maatvoering van de parkeerplaatsen die op het terrein worden gerealiseerd niet is geborgd.
7.1.
Anders dan vergunninghoudster ter zitting heeft betoogd, ziet de rechtbank geen reden om deze beroepsgrond buiten beschouwing te laten wegens het relativiteitsvereiste dat is neergelegd in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank overweegt daartoe dat als de parkeervakken kleiner zouden zijn dan de norm, dat ertoe zou kunnen leiden dat buiten het terrein wordt geparkeerd en de parkeerdruk in de omgeving van eisers zou toenemen. Niet kan dus worden volgehouden dat de maatvoering van de parkeerplaatsen kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers.
7.2.
Zoals ter zitting is besproken, is de maatvoering van de parkeerplaatsen af te leiden uit de tekening ‘Verkeer en Parkeren’ die deel uitmaakt van de vergunning. Weliswaar staat daarop alleen bij een paar parkeerplaatsen als diepte 5,13 meter vermeld, maar de tekening is op schaal en eisers hebben niet betwist dat nagemeten kan worden dat de breedte 2,50 meter is en dat alle parkeerplaatsen dezelfde maatvoering hebben. Verder heeft verweerder bij het bestreden besluit naar aanleiding van de bezwaren van eisers voorschrift 3 van het onderdeel gebruik opgenomen, waarin is bepaald dat op het terrein minimaal 324 parkeerplaatsen worden gerealiseerd met een afmeting van minimaal 2,50 bij 5,00 meter. Het standpunt van eisers dat niet duidelijk zou zijn of de diepte 5,00 dan wel 5,13 meter moet zijn, volgt de rechtbank niet. Een diepte van 5,13 meter is immers meer dan de in voorschrift 3 voorgeschreven minimale diepte van 5,00 meter, zodat van een tegenstrijdigheid geen sprake is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Terreinafscheiding
8. Eisers hebben aangevoerd dat in de omgevingsvergunning niet is geborgd dat een dichte groene afscheiding van minstens twee meter hoog wordt gerealiseerd tussen de huisvestingslocatie en de overige gronden van het bestemmingsplan. Ter zitting hebben eisers – vanwege het relativiteitsvereiste – deze beroepsgrond ingetrokken, behalve voor zover deze is ingediend namens [eiser] . Hij is eigenaar en bewoner van het pand aan de [adres 2] , dat op ongeveer 95 meter ligt van de gronden waar de huisvesting wordt gerealiseerd. Ter zitting heeft zijn gemachtigde toegelicht dat het deze eiser gaat om het zicht op de beoogde huisvesting.
8.1.
Anders dan verweerder en vergunninghoudster hebben betoogd, is de rechtbank niet van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan beoordeling van deze beroepsgrond. De rechtbank begrijpt het standpunt van vergunninghoudster dat beoogd is met de in voorschrift 6.5.3, aanhef en onder a, sub 2, van het bestemmingsplan voorgeschreven afscheiding een goede en duidelijke scheiding te maken tussen de huisvesting en de andere functies, namelijk ‘bos’, ‘groen’ en ‘maatschappelijk’. Nu de percelen tussen de woning van [eiser] en de beoogde huisvesting de functie ‘groen’ hebben, is de rechtbank niet van oordeel dat het voorschrift kennelijk niet mede strekt tot bescherming van zijn belangen. Daarbij overweegt de rechtbank dat onbetwist is dat eiser – zij het beperkt door beplanting – zicht heeft op de beoogde huisvesting.
8.2.
Over de inhoud van de beroepsgrond overweegt de rechtbank dat de afscheiding is voorgeschreven als voorwaardelijke verplichting. In voorschrift 6.5.3, aanhef en onder a, sub 2, van het bestemmingsplan is namelijk, voor zover hier van belang, bepaald dat huisvesting van internationale werknemers uitsluitend is toegelaten onder de voorwaarde dat voor ingebruikname van de huisvesting voor internationale werknemers tussen het gebied met deze aanduiding en de overige gronden binnen het plangebied een fysieke scheiding wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, bestaande uit een volledig dichte afscheiding met een minimale hoogte van twee meter. Nu de omgevingsvergunning ziet op de activiteiten bouwen, veranderen van een uitweg, en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan, waarbij de strijdigheid geen betrekking heeft op de in voorschrift 6.5.3 voorgeschreven afscheiding, ziet de rechtbank geen reden waarom verweerder naleving van deze bepaling had moeten toetsen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Landschappelijke inpassing
9. Eisers hebben aangevoerd dat niet is aangetoond dat wordt voldaan aan ‘Onderdeel Landschapsintegratie en kwaliteitsimpulsplan Resomeercentrum en huisvestiging internationale werknemers’ dat als bijlage 1 onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan (hierna: landschapsplan). Ter zitting hebben eisers – vanwege het relativiteitsvereiste – ook deze beroepsgrond ingetrokken, behalve voor zover deze is ingediend namens [eiser] .
9.1.
Anders dan verweerder en vergunninghoudster hebben betoogd, is de rechtbank ook hier niet van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan beoordeling van deze beroepsgrond. Het landschapsplan ziet niet alleen op het groen op de percelen met bestemming ‘Wonen’, maar ook op de overige percelen; beoogd is immers om met het landschapsplan de huisvesting in te passen in de bestaande, ruimere omgeving. Nu het landschapsplan mede betrekking heeft op de gronden tussen het perceel van [eiser] en de beoogde huisvesting, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het landschapsplan kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van deze eiser.
9.2.
Over de inhoud van de beroepsgrond overweegt de rechtbank dat in voorschrift 6.5.2 van het bestemmingsplan is bepaald dat onder strijdig gebruik met de bestemmingen in ieder geval wordt verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken conform de betreffende bestemming indien niet voldaan is aan de voorwaarden ten aanzien van de realisatie en instandhouding van de landschappelijke integratie zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze bestemmingsplanregels, met dien verstande dat herplant van 3750 m2 bos, welke onderdeel uitmaakt van het landschapsintegratieplan, gerealiseerd dient te zijn op 31 december 2022. De rechtbank stelt vast dat ook dit een voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan het feitelijke gebruik is, waaraan verweerder de aanvraag om een omgevingsvergunning niet hoefde te toetsen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Genders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.