De vrouw en de man, voormalige echtgenoten en vennoten in een vennootschap onder firma (VOF), zijn in geschil over de ontbinding van de VOF en de nakoming van een uittredingsregeling. De vrouw vordert dat de rechtbank verklaart dat de uittredingsregeling rechtsgeldig tot stand is gekomen en bindend is, en dat de man verplicht is tot betaling van een bedrag en schadevergoeding. De man voert verweer en vordert in reconventie betaling van diverse bedragen.
De rechtbank oordeelt dat partijen geen schriftelijke afspraken hadden gemaakt over de ontbinding van de VOF en dat de enkele wens tot ontbinding onvoldoende is. De uittredingsregeling, opgesteld door de advocaat van de man, bevat wel elementen voor ontbinding, maar partijen hebben niet over alle onderdelen overeenstemming bereikt, met name omdat de vrouw de bijlage met specificatie van bedragen niet heeft ondertekend.
De ondertekening door de man vond plaats zonder aanwezigheid van de vrouw en zonder dat de vrouw de ondertekende bijlage heeft toegezonden. Ook het kort geding vonnis biedt geen basis voor ontbinding per 2 december 2024. De correspondentie na die datum toont voortgezet geschil. Daarom wijst de rechtbank de vorderingen van de vrouw af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.