8.1.Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder heeft mogen weigeren om tegen de overtreding van artikel 2.7, tweede lid van de Wnb handhavend op te treden vanwege concreet zicht op legalisatie.
Concreet zicht op legalisatie
9. Eisers voeren aan dat ten tijde van de bestreden besluiten geen sprake was van concreet zicht op legalisatie waardoor verweerder ten onrechte op grond daarvan heeft geweigerd om handhavend op te treden. Eisers bestrijden dat de ingediende vergunningaanvraag van de derde-partij betrekking heeft op de feitelijk gerealiseerde mestverwerkingsinstallatie en stellen dat niet kan worden vastgesteld of daadwerkelijk een aanvraag was ingediend voor de bestaande bedrijfsvoering met alle feitelijk aanwezige installatie-onderdelen. Eisers vinden daarom dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat voor de feitelijk aanwezige mestverwerkingsinstallatie concreet zicht op legalisatie kan worden aangenomen.
10. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)geldt als uitgangspunt dat, vanwege het algemeen belang dat is gediend met handhaving, het bevoegd gezag handhavend moet optreden tegen een overtreding. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat en ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is waardoor het bestuursorgaan moet afzien van handhaving.
11. Verweerder heeft zich bij de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft dat gebaseerd op de door de derde-partij op 17 december 2015 ingediende vergunningaanvraag en aanvulling daarvan naar aanleiding van de op 13 juli 2022 aan de derde-partij verzonden waarschuwingsbrief. Verweerder heeft daarover in de bestreden besluiten de volgende motivering opgenomen:
“In aansluiting op de plaatsgevonden hoorzitting van 20 oktober 2022 is naar aanleiding van een inhoudelijke beoordeling vastgesteld dat [derde-partij] zich heeft geconformeerd aan hetgeen beschreven in voornoemde waarschuwingsbrief van 13 juli 2022. Vastgesteld is dat de aanvraag van 17 december 2015 ter verkrijging van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wnb, zodanig met gegevens en bescheiden is aangevuld, op basis waarvan op dit moment sprake is van een ontvankelijke aanvraag en concreet zicht op legalisatie van de bestaande overtreding zoals bedoeld in de door ons college als beleidsregel vastgestelde ‘Gedoogstrategie omgevingsrecht Limburg.’
‘Dit laatste betekent echter niet dat de gevraagde vergunning uiteindelijk ook daadwerkelijk door ons college kan/zal worden verleend. Of dat zo is hangt namelijk te allen tijde af van de geldende wet- en regelgeving, jurisprudentie en de geldende beleidsregels ten tijde van de besluitvorming – in ontwerp definitief – op de aanvraag ter verkrijging van de door [derde-partij] vereiste natuurvergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wnb.”
12. Over de vraag of ten tijde van de bestreden besluiten sprake was van concreet zicht op legalisatie, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie in het kader van een handhavingsprocedure vanwege een overtreding van de Wnb ten minste een ontvankelijke aanvraag om een vergunning nodig is om te beoordelen of een vergunning kan worden verleend. Er kan vervolgens alleen sprake zijn van concreet zicht op legalisatie als het bevoegd gezag kan beoordelen of een vergunning kan worden verleend. De aanvraag moet dus volgens het bevoegd gezag voldoende gegevens bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Verder moeten er op voorhand geen beletselen zijn voor vergunningverlening en moet aannemelijk zijn dat een vergunning zou kunnen worden verleend.
13. De rechtbank is van oordeel dat aan die toetsingsmaatstaf ten tijde van de bestreden besluiten niet was voldaan. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder geen concreet zicht op legalisatie heeft kunnen aannemen ten tijde van de bestreden besluiten. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.
14. Aannemend dat sprake was van een ontvankelijke aanvraag, heeft verweerder over die aanvraag, na hierover op zitting uitvoerig te zijn bevraagd, enkel gesteld dat verweerder het tijde van het nemen van de bestreden besluiten door de latere aanvulling niet op voorhand uitgesloten achtte dat alsnog een vergunning kon worden verleend. Die latere aanvulling van de aanvraag zag met name op gegevens over externe saldering. De rechtbank is van oordeel dat ‘niet uitgesloten achten’ onvoldoende is om de toetsingsmaatstaf van de Afdeling, namelijk dat het bevoegd gezag ten tijde van het besluit moet kunnen beoordelen dat aannemelijk is dat een vergunning verleend kan worden, te halen. Uit het feit dat vergunningverlening niet kan worden uitgesloten blijkt namelijk niet de verwachting dat de vergunning in dit geval kon worden verleend. Ook volgt daaruit niet dat het ten tijde van de bestreden besluiten aannemelijk was dat de vergunning, ondanks de eerder bestaande twijfels over de legalisatiemogelijkheden en het op 2 juni 2022 gepubliceerde ontwerpbesluit tot weigering, (alsnog) verleend kon worden. Reeds hierom is onvoldoende onderbouwd dat sprake was van concreet zicht op legalisatie.
15. Verder overweegt de rechtbank dat uit de feiten en omstandigheden van deze zaak ook niet aannemelijk is dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. De rechtbank overweegt dat verweerder heeft erkend dat in de periodes vóór en ná het nemen van de bestreden besluiten geen sprake was van concreet zicht op legalisatie, omdat het verlenen van een vergunning volgens verweerder toen juridisch niet houdbaar was. Verweerder heeft ter zitting ook erkend dat er ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten bij verweerder onduidelijkheid en twijfels bestonden over de houdbaarheid van een te verlenen vergunning vanwege veranderende wet- en regelgeving en jurisprudentie over stikstof en externe saldering. Deze onduidelijkheid en twijfels bij verweerder over de legaliseerbaarheid, zoals ter zitting erkend, blijken ook uit de motivering van de bestreden besluiten en die onduidelijkheid op zichzelf doet naar het oordeel van de rechtbank al afbreuk aan het aannemen van concreet zicht op legalisatie. Hoe ondanks die beperkingen en hobbels voor het verlenen van een natuurvergunning toch concreet zicht op legalisatie zou kunnen bestaan ten tijde van de bestreden besluiten, heeft verweerder niet kunnen uitleggen. Verder overweegt de rechtbank dat zij het voorgaande bevestigd ziet door de omstandigheid dat verweerder ook nooit een (positief) ontwerpbesluit van een legaliserende vergunning ter inzage heeft gelegd en dat (voorlopig) ook niet voornemens is te doen.
16. De rechtbank is aldus van oordeel dat verweerder geen concreet zicht op legalisatie heeft kunnen aannemen. Er waren ook geen bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. Het beroep is reeds daarom gegrond, want verweerder had in bezwaar moeten besluiten om tot handhaving over te gaan. De beroepsgrond van eisers over de strekking van de vergunningaanvraag en of deze wel of niet de feitelijke situatie behelst behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.
17. De rechtbank concludeert dat ten tijde van de bestreden besluiten geen sprake was van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft ten onrechte op die grond geweigerd om handhavend op te treden.
18. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Verweerder dient nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eisers met in achtneming van deze uitspraak.
19. Bij de nieuw te nemen besluiten dient verweerder in aanmerking te nemen dat de overtreding van artikel 2.7, tweede lid van de Wnb niet is opgeheven en dat - zoals ook tussen partijen niet ter discussie staat - in de huidige situatie geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Gelet op de beginselplicht tot handhaving, is verweerder dan in beginsel gehouden om tegen (het voortduren van) de overtreding van artikel 2.7, tweede lid van de Wnb handhavend op te treden en dient verweerder een gedegen afweging te maken ten aanzien van de vraag of zich bijzondere omstandigheden voorzien op basis waarvan van handhavend optreden kan worden afgezien. Verweerder kan bij de nieuw te nemen besluiten, als tot handhavend optreden wordt besloten, naar het oordeel van de rechtbank niet meer volstaan met een derde waarschuwing.
20. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 365,- vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- voor beide beroepschriften gezamenlijk (1 punt voor het indienen van elk beroepschrift door dezelfde gemachtigde met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 1).