ECLI:NL:RVS:2019:4394
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging preventieve last onder dwangsom voor vissen op wolhandkrab zonder vergunning
Het college van gedeputeerde staten van Fryslân legde in 2017 aan appellant twee preventieve lasten onder dwangsom op om te voorkomen dat hij zonder Wnb-vergunning in het Natura 2000-gebied IJsselmeer met staande netten zou vissen op schubvis en wolhandkrab. Voor het vissen op schubvis werd appellant later toegevoegd aan de vergunning van de Producentenorganisatie Nederlandse Vissersbond IJsselmeer U.A. (PO), waarna de preventieve last onder dwangsom voor schubvis werd herroepen. De last voor wolhandkrab bleef echter van kracht.
Appellant voerde aan dat het college niet bevoegd was om een Wnb-vergunning te verlenen voor het vissen op wolhandkrab en dus ook niet preventief kon handhaven. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de bevoegdheid voor het opleggen van een last onder dwangsom voor deze categorie visserij berust bij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en niet bij het college. Daarmee was het besluit van 19 december 2017 onrechtmatig.
De Afdeling vernietigde het besluit van het college dat het beroep tegen de preventieve last onder dwangsom voor het vissen op wolhandkrab ongegrond verklaarde en herroept het besluit van 19 december 2017. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De overige onderdelen van de uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: Het besluit van het college tot oplegging van een preventieve last onder dwangsom voor het vissen op wolhandkrab zonder vergunning wordt vernietigd en herroepen.