De zaak betreft een kort geding waarin de eisende partij, vertegenwoordigd door haar mentor, vordert dat gedaagde de woning ontruimt omdat hij zonder recht of titel verblijft. Gedaagde betwist dit en stelt medehuurderschap en pandrecht te hebben, en voert hoger beroep tegen een eerdere niet-ontvankelijkheidsbeslissing.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot ontruiming slechts kan worden toegewezen indien het spoedeisend belang aanwezig is en aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Gedaagde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een rechtmatig gebruiksrecht heeft, mede omdat hij pas recentelijk op het adres staat ingeschreven en vrijwel geen huur heeft betaald.
Het verzoek tot medehuurderschap is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betalen van griffierecht en het hoger beroep is kansloos omdat gedaagde niet door een advocaat wordt bijgestaan. De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering toe, veroordeelt gedaagde tot betaling van een gebruiksvergoeding van €569 per maand vanaf 1 februari 2026 tot ontruiming, en legt de proceskosten aan hem op. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.