ECLI:NL:RBLIM:2026:2386

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
12079144 \ CV EXPL 26-582
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Drenth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 7:267 BWArt. 237 lid 3 RvArt. 556 lid 1 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruimingsvordering wegens verblijf zonder recht of titel in woonruimte

De zaak betreft een kort geding waarin de eisende partij, vertegenwoordigd door haar mentor, vordert dat gedaagde de woning ontruimt omdat hij zonder recht of titel verblijft. Gedaagde betwist dit en stelt medehuurderschap en pandrecht te hebben, en voert hoger beroep tegen een eerdere niet-ontvankelijkheidsbeslissing.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot ontruiming slechts kan worden toegewezen indien het spoedeisend belang aanwezig is en aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Gedaagde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een rechtmatig gebruiksrecht heeft, mede omdat hij pas recentelijk op het adres staat ingeschreven en vrijwel geen huur heeft betaald.

Het verzoek tot medehuurderschap is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betalen van griffierecht en het hoger beroep is kansloos omdat gedaagde niet door een advocaat wordt bijgestaan. De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering toe, veroordeelt gedaagde tot betaling van een gebruiksvergoeding van €569 per maand vanaf 1 februari 2026 tot ontruiming, en legt de proceskosten aan hem op. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen zeven dagen en betaling van gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12079144 \ CV EXPL 26-582
Vonnis in kort geding van 19 maart 2026
in de zaak van
[de mentor],
in zijn hoedanigheid als gevolmachtigde namens mevrouw [eisende partij] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de [mentor] en mevrouw [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. J.E.J. Beckers,
tegen

1.[gedaagde partij 1] ,2. STICHTING [gedaagde partij 2] ,3. [gedaagde partij 3] B.V.,

allen te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partij 1] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15
- de conclusie van antwoord
- het bevoegdheidsverweer van [gedaagde partij 1]
- productie 16 van [eisende partij]
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de zittingsaantekeningen van [eisende partij]
- de zittingsaantekeningen van [gedaagde partij 1] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 1 november 2019 heeft de kantonrechter mentorschap ingesteld ten behoeve van mevrouw [eisende partij] . De [mentor] is benoemd als mentor.
2.2.
Mevrouw [eisende partij] heeft bij levenstestament aan de [mentor] algemene volmacht verleend. Deze volmacht strekt zich onder andere uit tot vertegenwoordiging van mevrouw [eisende partij] in alle zaken en alle rechtshandelingen op het gebied van het onder andere het verbintenissenrecht.
2.3.
Mevrouw [eisende partij] is eigenaresse van het pand aan de [adres] (hierna: de woning).
2.4.
Omstreeks september 2016 is mevrouw [persoon] (hierna: [persoon] ) de woning gaan bewonen. [persoon] heeft sindsdien bedragen aan mevrouw [eisende partij] overgemaakt onder de noemer ‘huur’. Bij aanvang bedroeg het maandbedrag € 550,00 en vanaf november 2022 bedroeg het maandbedrag € 568,15. Er zijn geen schriftelijke afspraken gemaakt.
2.5.
Eind 2023 heeft de heer [de makelaar] van [makelaarskantoor] het beheer van het pand overgenomen. Vanaf dat moment is de huur voldaan van de rekening van [persoon] aan de beheerder.
2.6.
De beheerder heeft op 27 maart 2024 een inspectie uitgevoerd aan het pand, waarbij [persoon] en [gedaagde partij 1] aanwezig waren. Tijdens de inspectie heeft de beheerder een ‘wietplantage tent’ op de zolder aangetroffen. In het gespreksverslag van die inspectie staat onder andere:
“Momenteel woont een vriend bij haar in huis. Deze wacht op een toewijzing van een huurwoning. Hij staat tijdelijk op haar adres ingeschreven.”
2.7.
Ook de twee bedrijven van [gedaagde partij 1] staan op het onderhavige adres ingeschreven.
2.8.
Op 29 april 2024 heeft de politie 13 hennepplanten, een groeitent, twee ledlampen en een assimilatielamp aangetroffen in de woning. Bij besluit van de gemeente van 27 juni 2024 wordt een last onder dwangsom van eenmalig € 5.000,00 opgelegd.
2.9.
[gedaagde partij 1] heeft op 12 mei 2025 aan de beheerder een volmacht gestuurd. In die volmacht is opgenomen dat [persoon] het pand zou overdragen aan [gedaagde partij 1] (Stichting [gedaagde partij 2] ), dat er zekerheidsrechten werden overgedragen en dat [gedaagde partij 1] gevolmachtigd is om documenten en aktes te ondertekenen.
2.10.
Mevrouw [eisende partij] heeft bij brief van 16 mei 2025 ingestemd met de huuropzegging van [persoon] van 22 april 2025. Met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van een maand eindigde de huurovereenkomst derhalve op 1 juni 2025. Op die datum diende [persoon] de woning ontruimd op te leveren.
2.11.
[gedaagde partij 1] heeft niet ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst.
2.12.
Bij brief van 23 juni 2025 heeft mevrouw [eisende partij] [persoon] gewezen op de opzegging per 1 juni 2025. Voor zover de huurovereenkomst niet zou zijn opgezegd, zegt mevrouw [eisende partij] in die brief de huurovereenkomst op tegen 1 januari 2026.
2.13.
[gedaagde partij 1] heeft op 15 augustus 2025 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Limburg, locatie Roermond met het verzoek om als medehuurder te worden aangemerkt. Bij beschikking van 28 oktober 2025 is [gedaagde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek omdat hij het griffierecht niet heeft voldaan.
2.14.
Het beheer van de woning wordt inmiddels uitgevoerd door RTZN Makelaardij.
2.15.
Op 19 december 2025 heeft [persoon] gevraagd om een verhuurdersverklaring. De beheerder heeft medegedeeld dat [eisende partij] hieraan wil meewerken, mits [persoon] bevestigt dat zij en alle inwonenden per 31 januari 2026 de woning verlaten. [persoon] heeft de verhuurdersverklaring ontvangen. [gedaagde partij 1] heeft de woning niet verlaten.
2.16.
[gedaagde partij 1] heeft in januari 2026 één keer geld overgemaakt naar de beheerder. Het bedrag is teruggestort met de mededeling dat [eisende partij] geen bedragen van [gedaagde partij 1] wenst te ontvangen omdat [gedaagde partij 1] zonder rechtsgrond in de woning verblijft.
2.17.
[gedaagde partij 1] geeft aan dat hij in de woning zal blijven wonen en niet zal meewerken aan een ontruiming zonder gerechtelijke uitspraak.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – om een verklaring voor recht af te geven inhoudende dat er tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen per 1 februari 2026, [gedaagde partij 1] te veroordelen om de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis te ontruiming, met machtiging van [eisende partij] om bij niet tijdige ontruiming deze zelf, voor rekening van [eisende partij] , te bewerkstelligen door middel van een deurwaarder, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie, [gedaagde partij 1] te veroordelen tot betaling van een gebruikersvergoeding van € 569,00 per maand vanaf 1 februari 2026 tot aan de daadwerkelijke ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente daarover en de proceskosten en de nakosten, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eisende partij] legt – samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] heeft nooit ingestemd met gebruik van de woning door [gedaagde partij 1] . [gedaagde partij 1] heeft meermaals gevraagd om overdracht van de huurrechten van [persoon] aan [gedaagde partij 1] , maar [eisende partij] heeft hier nooit mee ingestemd. [gedaagde partij 1] heeft, op de ene betaling in januari 2026 na, nooit huur betaald aan [eisende partij] . De rechtbank heeft het verzoekschrift tot medehuurderschap niet-ontvankelijk verklaard. [gedaagde partij 1] verblijft dan ook zonder recht of titel in de woning.
3.3.
[gedaagde partij 1] voert verweer en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagde partij 1] en [persoon] wonen al negen jaar gezamenlijk in de woning. [persoon] heeft nooit aangegeven de woning te gaan verlaten. [persoon] heeft als cedent haar huurvorderingen en bijbehorende rechten en titels overgedragen aan [gedaagde partij 2] . [gedaagde partij 2] wordt aangemerkt als pandhouder. Een kennisgeving hiervan is aangetekend verzonden aan [eisende partij] . [gedaagde partij 1] stelt zich op het standpunt dat een ontruiming onterecht is zolang het hoger beroep met betrekking tot het medehuurderschap loopt. [gedaagde partij 1] behoudt rechten uit cessie, pandrecht en medehuurderschap tot het einde van het hoger beroep, dat inmiddels in behandeling is genomen op basis van een door hemzelf opgesteld beroepschrift. Hij heeft geen advocaat ingeschakeld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid kantonrechter
4.1.
[gedaagde partij 1] heeft zich bij e-mailbericht van 28 februari 2026 op het standpunt gesteld dat de kantonrechter in deze zaak niet absoluut bevoegd is aangezien de onderhavige vordering geen aangelegenheid betreft als bedoeld in artikel 93 Rv Pro. [gedaagde partij 1] verzoekt aan de kantonrechter om zich onbevoegd te verklaren, de zaak te verwijzen naar de bevoegde civiele kamer van de rechtbank en [eisende partij] te veroordelen in de kosten van dit incident.
4.2.
Volgens [eisende partij] is de kantonrechter evident bevoegd op grond van artikel 93 sub c Rv Pro. De kantonrechter volgt dit standpunt van [eisende partij] . De vorderingen vloeien namelijk voort uit huur en [gedaagde partij 1] doet zelf ook een beroep op huurrechtelijke bepalingen. Van een kostenveroordeling in incident is geen sprake.
Spoedeisend belang
4.3.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat spoedeisend belang is gelet op de aard van de vordering (ontruiming) gegeven.
Verklaring voor recht
4.4.
[eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen per 1 februari 2026. Gelet op het voorlopige karakter van het kort geding, kan de kortgedingrechter slechts een voorlopig oordeel geven over de rechtsverhouding tussen partijen, en daarover niet een definitieve uitspraak doen. Dit betekent dat in een uitspraak in kort geding geen plaats is voor een verklaring voor recht. [1] Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
Ontruiming
4.5.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende maatregel is. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.6.
In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar, indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht en voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, die geconfronteerd wordt met hetzelfde feitencomplex, de vordering zal toewijzen. Dit betekent concreet dat beoordeeld dient te worden of het al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [gedaagde partij 1] zonder recht of titel in de woning verblijft en [eisende partij] derhalve gerechtigd is tot ontruiming.
4.7.
De door [gedaagde partij 1] ingediende stukken betreffen naar het oordeel van de kantonrechter grotendeels onnavolgbare teksten, hier en daar doorspekt met wat juridische termen die geheel niet in de juiste betekenis worden gebruikt. Kennelijk is het standpunt van [gedaagde partij 1] dat het door hem gevestigde pandrecht en de overdracht van zekerheidsrechten bescherming bieden tegen de gevorderde ontruiming. Dit is juridisch onnavolgbaar. Ten aanzien van het standpunt van [gedaagde partij 1] dat de ontruiming niet kan worden toegewezen omdat [gedaagde partij 1] in hoger beroep is gegaan overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde partij 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij in dit hoger beroep zelf optreedt als gemachtigde en zich dus niet laat bijstaan door een advocaat. Dit heeft hij ook te kennen gegeven bij het gerechtshof. In artikel 353 Rv Pro is echter bepaald dat partijen in hoger beroep slechts bij advocaat kunnen procederen. Alleen al hierdoor zal het hoger beroep geen kans van slagen hebben. Ook bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek worden vraagtekens geplaatst bij de toewijsbaarheid van het verzoek. [gedaagde partij 1] heeft een verzoek tot medehuurderschap ingediend overeenkomstig artikel 7:267 lid 1 BW Pro. In lid 3 van dit artikel zijn de voorwaarden voor afwijzing van de vordering limitatief opgesomd. De rechter wijst de vordering bedoeld in lid 1 slechts af indien de persoon bedoeld in lid 1 niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft of indien, mede gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de persoon bedoeld in lid 1 op korte termijn de positie van huurder te verschaffen of indien de persoon bedoeld in lid 1 vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. [gedaagde partij 1] voert in deze procedure aan dat hij negen jaar lang samen met [persoon] in de woning heeft gewoond. In het verzoekschrift tot medehuurderschap heeft [gedaagde partij 1] echter opgenomen dat hij sinds 23 februari 2025 staat ingeschreven op het adres van de woning. In het gespreksverslag van de beheerder staat dat [gedaagde partij 1] tijdelijk, in afwachting van toewijzing van een huurwoning, staat ingeschreven op het adres. [gedaagde partij 1] heeft ook nimmer, op één overboeking na die is teruggestort door [eisende partij] , aangetoond dat hij de huur (deels) betaalde.
4.8.
Een verder zinnig, steekhoudend verweer valt uit de stukken van [gedaagde partij 1] niet te ontwaren. Al het overige door [gedaagde partij 1] aangevoerd wordt daarom onbesproken gelaten.
4.9.
Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij 1] op enige grond een gebruiksrecht ten aanzien van de woning kan doen gelden, is het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat [gedaagde partij 1] zonder recht of titel in de woning verblijft. Op grond van het voorgaande is het ook niet aannemelijk dat [gedaagde partij 1] deze titel zal verkrijgen door middel van het ingestelde hoger beroep. [gedaagde partij 1] zal op grond van het voorgaande worden veroordeeld de woning te ontruimen op een termijn van zeven dagen na betekening van het vonnis. Dit is een redelijke termijn om aan de veroordeling te voldoen nu [gedaagde partij 1] zonder recht of titel in de woning verblijft.
4.10.
De op voorhand gevorderde ontruimingskosten worden afgewezen nu deze kosten niet vallen onder de kosten ex artikel 237 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en zij zich zonder nadere toelichting, niet lenen voor voorwaardelijke begroting.
4.11.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro overbodig is.
Gebruiksvergoeding
4.12.
Nu [gedaagde partij 1] zonder recht of titel in de woning verblijft, is [gedaagde partij 1] tot aan het moment van ontruiming van de woning een gebruiksvergoeding verschuldigd, tegen de hoogte waarvan hij geen verweer heeft gevoerd. Het gevorderde bedrag van € 569,00 per maand is toewijsbaar. Ook de gevorderde wettelijke rente daarover is toewijsbaar zoals gevorderd.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde partij 1] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
160,35
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.262,35
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij 1] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] met al het hare en de harer te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutel ter vrije beschikking aan [eisende partij] te stellen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij 1] tot betaling van € 569,00 per maand aan gebruiksvergoeding vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van daadwerkelijke ontruiming van de woning, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij 1] in de proceskosten van € 1.262,35, te betalen binnen veertien dagen na vonnisdatum, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vonnisdatum zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:503.