ECLI:NL:RBLIM:2026:25

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
11939234 \ AZ VERZ 25-116
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 7:653 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens ontvreemding van geld door vestigingsmanager

De werknemer, vestigingsmanager sinds 2021, werd op 27 augustus 2025 op staande voet ontslagen wegens het zonder toestemming wegnemen van €30.000 van de werkgever. De werkgever baseerde het ontslag op camerabeelden en onregelmatigheden in overuren. De werknemer erkende de ontvreemding maar betwistte de onverwijldheid van het ontslag en verwees naar persoonlijke omstandigheden.

De kantonrechter oordeelde dat het wegnemen van geld een dringende reden vormt die het ontslag rechtvaardigt, ook los van de andere reden. De persoonlijke omstandigheden van de werknemer wegen niet op tegen de ernst van de gedragingen. Het ontslag is onverwijld medegedeeld, aangezien de werkgever voortvarend heeft gehandeld na het ontstaan van het vermoeden en het onderzoek snel heeft afgerond.

Het verzoek tot vernietiging van het ontslag en tot doorbetaling van loon wordt afgewezen. Wel wordt de werkgever veroordeeld om de loonstrook van augustus 2025 te verstrekken. De proceskosten worden aan de werknemer opgelegd vanwege zijn verwijtbare handelen.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens ontvreemding van €30.000 wordt rechtsgeldig verklaard en het verzoek tot vernietiging afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 11939234 \ AZ VERZ 25-116
Beschikking van 15 januari 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonende te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers,
tegen
[werkgever] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. S.M.M. Hamers.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet. Werknemer erkent de dringende reden dat hij geld heeft weggenomen uit het bedrijf maar betwist dat het ontslag op staande voet onverwijld is medegedeeld. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet wel onverwijld is medegedeeld.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 26 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift,
- het op 8 december 2025 ontvangen verweerschrift, met een voorwaardelijk tegenverzoek,
- de spreekaantekeningen van de zijde van [werknemer] ,
- de mondelinge behandeling van 18 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [geboortedag] 1963, is sinds 1 augustus 2021 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is vestigingsmanager.
2.2.
Eind juli 2025 heeft de (nieuwe) directeur van [werkgever] , de heer [directeur] , een gesprek gehad met [werknemer] waarin hij hem gevraagd heeft waarom hij niet in- en uitklokte en hoe het afstorten van geld in zijn werk ging.
2.3.
Op 20 augustus 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de eigenaar, de heer [eigenaar] , de heer [directeur] en [werknemer] . In dit gesprek heeft de heer [eigenaar] laten weten dat hij elke maand veel geld moest bijleggen.
2.4.
Op 27 augustus 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [directeur] en [werknemer] waarin aan [werknemer] is verteld dat [werkgever] op camerabeelden heeft gezien dat hij geld in zijn broekzak stopte en dat [werknemer] meer uren in rekening bracht dan hij werkte. [werkgever] heeft [werknemer] aan het einde van het gesprek geschorst.
2.5.
[werknemer] heeft [werkgever] op 27 augustus 2025 een e-mail gestuurd met
- voor zover van belang - de volgende inhoud:
“Bij deze ga ik niet akkoord met de schorsing.
Ook het feit dat er geen salaris is overgemaakt van de maand Augustus is niet juist.
Heb recht op dit salaris.
(…)
Bij deze wil ik dan ook mijn arbeidsovereenkomst op zeggen.
Dit houd in dat mijn laatste werkdag zal zijn Dinsdag 30 september 2025.
(…)”
2.6.
De gemachtigde van [werkgever] heeft [werknemer] op 27 augustus 2025 een brief gestuurd waarin onder meer het volgende staat vermeld:
“(…)
Namens cliënte bericht ik u hierbij dat u per heden 27 augustus 2025 op staande voet bent ontslagen.
De reden voor het ontslag op staande voet is gelegen in het feit dat u ten onrechte overuren schrijft en laat uitbetalen. U schrijft meer overuren dan u daadwerkelijk hebt gewerkt. Cliënte heeft dit vastgesteld aan de hand van de camerabeelden waarop te zien is hoe laat u de vestiging betreedt en verlaat. De tijden dat u werkzaam bent geweest, corresponderen niet met de door u opgegeven overuren. Hieruit spreekt een zekere welbewustheid om uzelf ten koste van cliënte te bevoordelen. Cliënt heeft u op 27 augustus 2025 hiernaar gevraagd en u gaf aan de uren wel te hebben gewerkt alsook dat u vanuit thuis zou hebben gewerkt. Uit de camerabeelden volgt echter het tegendeel en uit niets volgt dat u thuis hebt gewerkt. Cliënte acht voornoemd gedrag ernstig verwijtbaar en een reden voor ontslag op staande voet. Cliente kan u niet vertrouwen.
Voorts heeft cliënte geconstateerd dat u gelden van cliënte zonder toestemming van cliënte hebt toegeëigend. (…)
Cliënte heeft de camerabeelden nageslagen en geconstateerd dat u geldbedragen in een muntbeker legt, u loopt naar uw bureau en aldaar stopt u met uw hand iets in uw broekzak. Het geld in de muntbeker is hierna verdwenen, terwijl het daarvoor (voordat u met uw hand in uw broekzak ging) wel zichtbaar was. Ook hier heeft cliënte u op 27 augustus 2025 naar gevraagd. U gaf aan niet te weten waar dit overgaat. Cliënte kan dit niet volgen, omdat uit de camerabeelden duidelijk vorengaande volgt. Cliënte kan niet anders dan concluderen dat u geldt ontvreemdt c.q. onrechtmatig toe-eigent. Ook dit is een reden voor het ontslag op staande voet.
Voor cliënte levert/leveren bovenstaande reden(en), zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, reden(en) op om u op staande voet te ontslaan.
(…)”

3.Het geschil

3.1.
Het eerste verzoek van [werknemer] tot het bepalen van een datum waarop de zitting wordt behandeld, is reeds vervuld. [werknemer] verzoekt verder, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad :
Primair:
  • het ontslag op staande voet te vernietigen, althans nietig te verklaren;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon van augustus 2025, inclusief emolumenten en vermeerderd met 50% wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon van september 2025, inclusief emolumenten en vermeerderd met de wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon van oktober 2025, inclusief 8% vakantietoeslag, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en vermeerderd met de wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente;
  • [werkgever] te veroordelen om aan [werknemer] de loonstroken vanaf augustus 2025 tot het einde van het dienstverband te verstrekken.
Subsidiair:
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon van augustus 2025, inclusief emolumenten en vermeerderd met 50% wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente;
  • [werkgever] te veroordelen om aan [werknemer] de loonstrook van augustus 2025 te verstrekken;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 4.840,80 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding van € 9.681,60 bruto;
  • te bepalen dat [werkgever] op grond van artikel 7:653 lid 4 BW Pro geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentie- en relatiebeding als bedoeld in artikel 11 van Pro de arbeidsovereenkomst.
Primair en subsidiair:
 [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven. [werknemer] erkent dat hij zich geld van [werkgever] heeft toegeëigend, maar is van mening dat [werkgever] niet voortvarend heeft gehandeld en te lang heeft gewacht om hem op staande voet te ontslaan. Ook heeft [werkgever] onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [werknemer] .
3.3.
[werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. [werkgever] betwist dat zij al langer op de hoogte was van het feit dat [werknemer] geld uit [werkgever] wegnam. Bovendien stelt [werkgever] dat [werknemer] op 27 augustus 2025 zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 1 oktober 2025.
3.4.
Voor het geval geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, verzoekt [werkgever] om de arbeidsovereenkomst tegen een zo kort mogelijke termijn te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen van [werknemer] .
3.5.
Op de stelling van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van het loon vanaf augustus 2025. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst de verzoeken van [werknemer] af. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Ontslag op staande voet, juridisch kader
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is [1] . Dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens vaste rechtspraak moet de rechter bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant zijn bijvoorbeeld de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de wijze waarop de werkgever reageerde op eerdere soortgelijke gedragingen. Ook de gevolgen van het ontslag zijn van belang. Echter, ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. Voorop staat dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag voor de werknemer mag dit alleen bij uitzondering worden gegeven.
4.3.
Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer [2] . Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. De van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorgvuldigheid [3] . Nadat bij de werkgever een vermoeden is ontstaan van een dringende reden, dient hij voortvarend te handelen. Wanneer een werkgever een onderzoek instelt naar de gegrondheid van een dringende reden, is van belang dat dit onderzoek voortvarend wordt verricht, dat de werkgever zich actief op de hoogte laat stellen van tussentijdse bevindingen en dat de werkgever na kennisneming van de uitkomst van het onderzoek voldoende voortvarend is overgegaan tot het ontslag op staande voet [4] .
Dringende reden is erkend
4.4.
[werkgever] heeft in haar ontslagbrief twee dringende redenen aangevoerd [5] . De eerste reden, namelijk het onterecht laten uitbetalen van overuren, heeft [werknemer] betwist. De tweede reden, het ontvreemden van gelden van [werkgever] , heeft [werknemer] erkend. In de ontslagbrief heeft [werkgever] aangegeven dat beide redenen ook afzonderlijk bezien een dringende reden voor ontslag op staande voet vormen.
4.5.
Het ontvreemden van geld van de werkgever is dermate ernstig dat dit op zichzelf staand een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] erkend dat hij een bedrag van € 30.000,00 zonder medeweten en zonder toestemming van [werkgever] voor eigen gewin heeft meegenomen. Van [werkgever] kan dan niet langer verwacht worden dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. De andere aangevoerde dringende reden kan daarmee onbesproken blijven.
Persoonlijke omstandigheden van [werknemer]
4.6.
Zoals in r.o. 4.2. overwogen dienen bij een ontslag op staande voet ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer te worden meegewogen. Een ontslag op staande voet heeft immers vergaande gevolgen voor een werknemer. Niet alleen verliest hij per direct zijn inkomen, hij krijgt ook geen uitkering. Maar ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is [6] .
4.7.
De door [werknemer] aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken niet dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd zou zijn. Het wegnemen van € 30.000,00 in amper acht maanden tijd is dermate ernstig dat zijn persoonlijke omstandigheden niet kunnen afdoen aan de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet.
Is het ontslag onverwijld verleend?
4.8.
Een volgende vraag is of [werkgever] het ontslag op staande voet wel onverwijld heeft verleend en voortvarend genoeg heeft gehandeld.
4.9.
[werknemer] stelt dat [werkgever] het ontslag niet onverwijld heeft medegedeeld omdat zij op 20 augustus 2025 al op de hoogte was van het feit dat [werknemer] geld ontvreemdde en toch tot 27 augustus 2025 heeft gewacht om hem op staande voet te ontslaan. [werknemer] voert daartoe aan dat [werkgever] hem in het gesprek van 20 augustus 2025 heeft laten weten dat zij elke maand veel geld moest bijleggen en dat ze dit tot op de bodem ging uitzoeken. Ook heeft [werkgever] op 22 augustus 2025 gebeld met haar advocaat. Verder heeft [werkgever] in het gesprek van 27 augustus 2025 verteld dat zij al weken een extern bedrijf onderzoek heeft laten doen en dat ze camerabeelden en de computer van [werknemer] hebben bekeken.
4.10.
[werkgever] heeft de stellingen van [werknemer] betwist en ter zitting een tijdlijn geschetst van de door haar ondernomen acties aangaande het onderzoek voorafgaand aan het ontslag op staande voet. Daaruit volgt dat er op 20 augustus 2025 is gesproken over het feit dat er elke maand geld bijgelegd moest worden, maar dat [werkgever] nog geen idee had wat daarvan de oorzaak was. Vervolgens heeft de heer [directeur] op 21 augustus 2025 bij de voorbereiding op een vergadering van 22 augustus 2025 een kasboek gevonden waarin een afboeking van - € 60.000,00 stond vermeld. Deze boeking was gedaan door [werknemer] . [werkgever] had op dat moment nog geen idee wat er aan de hand was, alleen dat er geld weg was. In de vergadering van vrijdag 22 augustus 2025 heeft [werkgever] besloten om hiervoor een advocaat te consulteren. Voorafgaand aan de afspraak met haar gemachtigde op maandag 25 augustus 2025 heeft [werkgever] onderzoek gedaan en camerabeelden bekeken. Op basis van deze camerabeelden heeft zij geconstateerd dat [werknemer] geld ontvreemdde. [werkgever] heeft deze constateringen op 25 augustus 2025 gedeeld met haar gemachtigde en advies ingewonnen. Vervolgens heeft [werkgever] [werknemer] op 27 augustus 2025 geconfronteerd met haar bevindingen. Van een wekenlang onderzoek door een extern bedrijf was geen sprake.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] hiermee de stellingen van [werknemer] gemotiveerd heeft betwist. [werknemer] heeft het verweer van [werkgever] niet, of in ieder geval onvoldoende weersproken. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [werkgever] al eerder concrete aanwijzingen had dat [werknemer] geld van haar ontvreemdde. Met de hierboven genoemde handelswijze heeft [werkgever] voortvarend gehandeld, zodat zij het ontslag op staande voet onverwijld aan [werknemer] heeft medegedeeld.
Conclusie
4.12.
De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen. Dit geldt ook voor zijn verzoek tot doorbetaling van het loon.
Loonstrook augustus 2025
4.13.
Omdat [werknemer] tot 27 augustus 2025 in dienst was bij [werkgever] , heeft hij recht op de loonstrook van augustus 2025. Dit verzoek zal worden toegewezen.
Subsidiaire verzoek
4.14.
Het subsidiaire verzoek is ingediend voor het geval [werknemer] zou berusten in het ontslag op staande voet. Nu het ontslag rechtsgeldig is gegeven, hoeft de kantonrechter niet te oordelen over de onderdelen van het subsidiaire verzoek.
Het tegenverzoek
4.15.
Op het verzoek van [werkgever] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, hoeft niet te worden beslist. De voorwaarde waaronder [werkgever] dat verzoek heeft gedaan, is namelijk niet vervuld. Hiervoor is immers beslist dat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd.
De proceskosten
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 949,00 € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de loonstrook van augustus 2025 te verstrekken,
5.2.
wijst de overige verzoeken af,
op het tegenverzoek,
5.3.
verstaat dat op het voorwaardelijke verzoek niet hoeft te worden beslist,
op het verzoek en op het tegenverzoek
5.4.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.1. en 5.4. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad [7] ,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:677 lid 1 BW Pro.
2.Artikel 7:677 lid 1 BW Pro.
3.Hoge Raad 15 februari 1980, NJ 1980/328 (Gelderse Tramweg Maatschappij).
4.Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668 (Econocom).
5.Zie hiervoor onder 2.6.
6.HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436 (Hema).
7.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.