Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.Inleiding en leeswijzer
2.Het procesverloop
- [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] , bijgestaan door hun gemachtigde.
- namens de raad:
bijgestaan door mr. Fraats voornoemd.
3.De (vertegenwoordiging van) procespartijen
- [belanghebbende 1] , omdat hij eigenaar is,
- [belanghebbende 2] , omdat hij huurder is in de zin van artikel 16.97 aanhef en onder i van de Ow. Hoewel de raad aanvankelijk heeft betwist dat [belanghebbende 2] huurder is, heeft de raad dat standpunt na ontvangst van de huurovereenkomst verlaten.
- [belanghebbende 3] , omdat zij woont in het te onteigenen pand en daarom (rechts)gevolgen ondervindt van onteigening. Daarmee is zij belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Het verzoek tot bekrachtiging
besluit ter onteigening aan te wijzen op naam van gemeente Maastricht;
verzoek tot bekrachtiging bij de rechtbank;
(besluiten te nemen dan wel handelingen te verrichten) dat bijdraagt aan de
bekrachtiging van dit onteigeningsbesluit;
de grondslag of noodzaak van onteigening, de bekrachtigingsprocedure voor de
betreffende onroerende zaak te beëindigen;
verzoek aan de rechtbank tot vaststelling van de schadeloosstelling ten gevolge van
de onteigening en de verdere afwikkeling van dat verzoek;
verzoek aan een notaris tot het verlijden van de onteigeningsakte en de verdere
afwikkeling van dat verzoek.
5.De omvang van de toetsing door de rechtbank
6.De ontvankelijkheid van het verzoek om bekrachtiging
8.De wettelijke vormvoorschriften
9.Het onteigeningsbelang
Het wegbestemmen van de woning van [appellant sub 3] is in het algemeen belang. Het bestemmingsplan omvat de herontwikkeling van het gebied (…). Deze herontwikkeling houdt niet alleen de bouw van een hotel in, maar ook de bouw van 7 stadsvilla’s, waarvan er één mag worden gesplitst in twee woningen, en een ondergrondse parkeergarage. Daarnaast worden er (openbare) verbindingsroutes gerealiseerd in de vorm van nieuwe straatjes met binnenstadbestrating, kenmerkend voor het centrum van Maastricht. Dit met als doel een einde te maken aan de verpauperde bebouwing ter plaatse, bestaande uit een oude cinema, verouderde garages die beklad zijn met graffiti en verouderde woningen.
het behoud vanzijn woning
.De Afdeling lijkt daarmee niet alleen de (motivering voor de) ruimtelijk-planologische aanvaardbaarheid te hebben getoetst, maar ook reeds een doorkijk te hebben gegeven naar de vraag of ten behoeve van het bestemmingsplan onteigend mag worden. In het kader van de uitvoerbaarheid van de (van het huidige gebruik afwijkende) bestemming en de aanvaardbaarheid van het wegbestemmen van dat huidige gebruik is dat ook niet vreemd. De conclusie is eigenlijk dat, nu het bestemmingsplan is vastgesteld en de eindstreep heeft gehaald, in beginsel elk middel tot verwezenlijking daarvan, dus ook het meest verstrekkende middel van onteigening, geoorloofd is. Althans dat het belang van verwezenlijking van het bestemmingsplan moet prevaleren boven het eigendomsbelang (en de andere belangen) waarvoor belanghebbenden opkomen. Voor de rechtbank is er gezien het voorgaande bij de beoordeling van het onteigeningsbelang (vrijwel) geen ruimte meer voor een inhoudelijke toets of het belang van de voorgestane ontwikkeling zwaarder moet wegen dan het belang van de belanghebbenden.
10.De noodzaak tot onteigening
11.De urgentie
- Realisatie nieuwbouw van het complete plan is voorzien in 2027;
- Oplevering van de nieuwbouw is voorzien in 2028.”
12.Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur
13.De proceskosten
€ 245,-- exclusief btw) besteed aan deze fase en voor [belanghebbende 3] is daar bovenop een fixed fee van € 995,-- exclusief btw gerekend. Naar aanleiding van het verweer van de raad daartegen is ter zitting nog aangevoerd dat het indienen van de zienswijzen enkel strategisch is geweest en dat daarin ook kosten zitten van studie. Dat er kosten voor studie/bestuderen van stukken en het opstellen van zienswijzen in rekening zijn gebracht is redelijk maar de hoogte van het aantal uren komt de rechtbank gelet op de specialistische kennis die mag worden verondersteld bij de gemachtigde, de beperkte inhoud van de zienswijze en het overige verweer van de raad daartegen bovenmatig voor. De rechtbank acht het redelijk dat een totaalbedrag van € 3.000,-- voor vergoeding in aanmerking komt terzake kosten in de zin van artikel 16.112 onder b van de Ow. Kosten in de zin van artikel 16.112 onder a van de Ow zijn niet opgevoerd.
14.Het griffierecht
- wijst het verzoek van de raad om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking van 27 mei 2025 toe en bekrachtigt daarmee deze onteigeningsbeschikking;
- heft van de raad een bedrag van € 997,-- aan griffierecht;
- veroordeelt de raad tot betaling van € 19.410,46 aan kosten voor [belanghebbende 1] , € 2.125,-- aan kosten voor [belanghebbende 3] en € 625,-- aan kosten voor [belanghebbende 2] .