ECLI:NL:RBLIM:2026:3089

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/03/334312 HA ZA 24-404
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 7:758 lid 3 BWArt. 7:755 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid aannemer voor herstel gebreken en vervangende schadevergoeding na oplevering woning

In deze civiele bodemzaak vordert de aannemer gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst en vrijgave van een depot, terwijl de opdrachtgevers vervangende schadevergoeding en herstel van gebreken eisen. De rechtbank oordeelt dat de aannemer tekort is geschoten in haar verplichtingen en in verzuim is met het herstellen van diverse gebreken die tijdens en na oplevering zijn vastgesteld.

De rechtbank beoordeelt uitvoerig de verschillende categorieën gebreken: niet-herstelde opleverpunten, verborgen gebreken en overige gebreken, waarbij de deskundigenrapporten van ZNEB een belangrijke rol spelen. De aannemer heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van gebreken en heeft nagelaten een contra-expertise met rapport te overleggen. Daarnaast is vastgesteld dat bepaalde werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, wat als minderwerk wordt aangemerkt.

De rechtbank wijst de vorderingen van de aannemer af en veroordeelt haar tot betaling van een vervangende schadevergoeding van €35.188,86, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens moet de aannemer onverschuldigd betaalde bedragen voor meerwerk terugbetalen en het depotbedrag aan de opdrachtgevers uitbetalen. Proces- en deskundigenkosten worden eveneens aan de opdrachtgevers toegewezen.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige oplevering, het melden van gebreken en de aansprakelijkheid van de aannemer voor herstel en nakoming van de overeenkomst. De rechtbank bevestigt dat de aannemer geen opschortingsrecht had en in verzuim is gekomen door nalatigheid in herstelwerkzaamheden.

Uitkomst: De aannemer wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding en terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen aan de opdrachtgevers wegens niet herstelde gebreken en niet uitgevoerde werkzaamheden.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/334312 / HA ZA 24-404
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[aannemer] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [aannemer] ,
advocaat: mr. M.C.J. Houben,
tegen

1.[opdrachtgever 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[opdrachtgever 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [opdrachtgevers] ,
advocaat: mr. L.C.M. Pril.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 augustus 2025
- de akte uitlating tevens houdende wijziging eis en overlegging productie 33 van [opdrachtgevers]
- de antwoordakte met overlegging producties 18 t/m 25 van [aannemer]
- de akte uitlaten producties van [opdrachtgevers] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

in conventie
2.1.
[aannemer] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk is ontbonden, in die zin dat [aannemer] niet langer gehouden is de opleveringsgebreken te herstellen en [opdrachtgevers] een bedrag van € 2.729,40 niet hoeft te betalen. Verder vordert [aannemer] een verklaring voor recht dat handhaving van het depot onder de notaris niet langer gerechtvaardigd is en veroordeling van [opdrachtgevers] tot vrijgave van het resterende bedrag uit het depot van € 12.892,72 (€ 15.622,12 -/- 2.729,40). [aannemer] vordert dat de rechtbank hier een dwangsom aan verbindt van € 500,00 voor iedere dag dat [opdrachtgevers] niet aan de veroordeling voldoet tot een maximum van € 15.000,00. Tot slot vordert [aannemer] vergoeding van de contractuele rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten.
2.2.
[opdrachtgevers] voert verweer.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
2.3.1.
[opdrachtgevers] vordert na eiswijziging – samengevat – primair dat [aannemer] wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 45.038,64 (inclusief BTW/exclusief P.M. posten). Subsidiair vordert [opdrachtgevers] gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst, namelijk voor wat betreft de door ZNEB geconstateerde gebreken, en betaling van de herstelkosten van € 45.038,64 (inclusief BTW/exclusief P.M. posten). Meer subsidiair vordert [opdrachtgevers] dat [aannemer] wordt veroordeeld om het overeengekomen werk zoals opgenomen in de overeenkomst en bijbehorende stukken te herstellen en volledig na te komen. [opdrachtgevers] vordert dat de rechtbank hieraan een dwangsom verbindt van € 1.000,00 per dag dat [aannemer] niet aan de meer subsidiaire veroordeling voldoet met een maximum van € 100.000,00.
2.3.2.
Verder vordert [opdrachtgevers] in alle gevallen [aannemer] te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 19.331,30 inclusief BTW ten aanzien van minderwerk en een bedrag van € 2.139,20 inclusief BTW ten aanzien van niet uitgevoerde werkzaamheden. [opdrachtgevers] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat het volledige depotbedrag van € 15.622,12 inclusief btw aan [opdrachtgevers] toekomt en verrekend kan worden met de hiervoor genoemde vorderingen. Tot slot vordert [opdrachtgevers] veroordeling van [aannemer] in de deskundigenkosten van € 7.931,55, de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
2.4.
[aannemer] voert verweer.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De verdere beoordeling in conventie en reconventie

Eiswijziging in reconventie
3.1.
[opdrachtgevers] heeft bij akte van 1 oktober 2025 zijn eis in reconventie gewijzigd. [aannemer] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de verandering (vermeerdering en vermindering) van eis.
3.2.
In artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser (in reconventie) bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte, te veranderen of te vermeerderen. Gedaagde (in reconventie) is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten. De rechtbank ziet geen reden om de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Bij de beoordeling zal de rechtbank dan ook uitgaan van de gewijzigde eis.
Het tussenvonnis
3.3.
De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 13 augustus 2025. De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen een aannemingsovereenkomst hebben gesloten voor de bouw van een woning. [aannemer] heeft het werk op 13 december 2022 opgeleverd. [opdrachtgevers] heeft zowel tijdens de bouw, de oplevering en daarna diverse gebreken gemeld bij [aannemer] . Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of [aannemer] aansprakelijk is voor de herstelkosten van de door [opdrachtgevers] genoemde gebreken of dat [opdrachtgevers] de volledige aanneemsom (na aftrekposten) aan [aannemer] moet betalen.
3.4.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat [opdrachtgevers] zich bij akte dient uit te laten over de gestelde gebreken, waarbij [opdrachtgevers] een onderscheid dient te maken tussen de in het rapport van ZNEB genoemde verborgen gebreken, niet-herstelde opleverpunten en overige gebreken.
3.5.
[aannemer] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte hierop te reageren. De rechtbank heeft [aannemer] daarbij opgedragen om het rapport van haar deskundige op dezelfde roldatum als de antwoordakte in het geding dient te brengen, waarbij het de voorkeur verdient dat de deskundige van [aannemer] in de contra-expertise meteen ingaat op de inhoud van de akte van [opdrachtgevers] .
3.6.
[opdrachtgevers] heeft een akte genomen waarin hij zijn eis heeft gewijzigd. Vervolgens heeft [opdrachtgevers] de gebreken uitgesplitst in (1) niet-herstelde opleverpunten, (2) verborgen gebreken en (3) overige gebreken. Bij deze akte heeft [opdrachtgevers] als productie 33 een addendum op het (tweede) expertiserapport van ZNEB overgelegd (hierna: het addendum). Uit het addendum en het e-mailbericht waarvan het vergezeld gaat, blijkt dat bij de opname in het kader van de contra-expertise op 15 april 2025 aanvullingen en correcties zijn opgenomen door ZNEB. Het betreft – voor zover, gelet op de stellingen van [opdrachtgevers] bij akte, van belang: punt 1.a Gevelbekleding, punt 6. Kozijnen op maaiveldniveau (Holonite dorpel en vertinte delen vs geïsoleerde kantplanken), en Raming algemeen waarbij de uurtarieven verhoogd worden. Uit de stellingen van [opdrachtgevers] (r.nr. 10 van diezelfde akte) blijkt dat punt 1a, hoewel door [opdrachtgevers] opgenomen onder “niet-herstelde opleverpunten” een verborgen gebrek is. De rechtbank zal dit punt dan ook meenemen bij de behandeling van de gestelde verborgen gebreken.
3.7.
[aannemer] heeft bij antwoordakte op de akte van [opdrachtgevers] gereageerd. [aannemer] heeft gemeld dat zij niet in staat is om een rapport van de door haar ingeschakelde deskundige over te leggen, omdat zij niet over een definitief rapport beschikt. Bij gebreke van een contra-expertise heeft [aannemer] zelf een inhoudelijke reactie opgesteld van de door [opdrachtgevers] gestelde gebreken (uitgesplitst in (1) niet-herstelde opleverpunten, (2) verborgen gebreken en (3) overige gebreken), het meer- en minderwerk en niet uitgevoerde werkzaamheden.
Opmerking vooraf
3.8.
[aannemer] schrijft in haar bespreking van de gestelde gebreken herhaaldelijk dat zij bereid is om een zeker bedrag in mindering te brengen op de aanneemsom aangezien bepaalde (herstel)werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Door [aannemer] is niet gesteld waarom zij gerechtigd zou zijn om eenzijdig te beslissen de overeengekomen werkzaamheden niet uit te voeren tegen reducering van de aanneemsom (minderwerk). [opdrachtgevers] heeft [aannemer] gesommeerd de genoemde gebreken te herstellen en in onderhavige procedure aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 lid 1 BW Pro).
3.9.
Voor zover in het navolgende komt vast te staan dat [aannemer] in verzuim is met een deugdelijke uitvoering van het werk zal [aannemer] , in het licht van de omzettingsverklaring van [opdrachtgevers] (zie de CvA/EiR) op grond van artikel 6:87 BW Pro een vervangende schadevergoeding aan [opdrachtgevers] moeten voldoen.
3.10.
De rechtbank zal hierna ingaan op de verschillende gestelde gebreken, daarna zal de rechtbank beoordelen of [aannemer] terecht een beroep op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst doet dan wel dat [aannemer] in verzuim is voor de herstelwerkzaamheden.
Niet-herstelde opleverpunten
3.11.
De opleverpunten vallen in twee categorieën uiteen, namelijk enerzijds de door [aannemer] erkende, maar niet herstelde opleverpunten en anderzijds de door [aannemer] betwiste opleverpunten.
3.12.
Tijdens de oplevering is [opdrachtgevers] bijgestaan door een bouwkundige van Vereniging Eigen Huis (VEH). De bouwkundige heeft een opleverrapport opgesteld en daarin opgenomen 79 gebreken en 2 algemene opmerkingen. In het mede door [aannemer] ondertekende opleverrapport zijn op pagina 7 en 8 een aantal gebreken onder protest van [aannemer] opgenomen.
3.13.
Aangezien [aannemer] het opleverrapport heeft ondertekend, is de rechtbank van oordeel dat [aannemer] de overige opleverpunten heeft erkend. [aannemer] kan daar niet later (lees: in deze procedure) op terugkomen. Juridisch gezien betekent dit dat de punten waartegen [aannemer]
nietheeft geprotesteerd bij de oplevering door [aannemer] moeten worden hersteld. Ten aanzien van de punten waartegen [aannemer]
welheeft geprotesteerd en waarvan [opdrachtgevers] nakoming althans vervangende schadevergoeding vordert zal de rechtbank moeten beoordelen of sprake is van een gebrek.
3.14.
De rechtbank oordeelt ten aanzien van de betwiste opleverpunten als volgt. In opdracht van [opdrachtgevers] zijn een opleverrapport van VEH en twee uitvoerige expertiserapporten van ZNEB opgesteld, welke rapporten ook in het geding zijn gebracht. ZNEB is in haar rapporten ingegaan op de reacties van [aannemer] bij de verschillende opleverpunten. Daarmee heeft [opdrachtgevers] zijn stelling dat sprake is van gebreken uitvoerig en gemotiveerd onderbouwd. [aannemer] heeft die stelling betwist, maar die betwisting is niet nader onderbouwd met stukken. [aannemer] is in de gelegenheid gesteld om een contra-expertise te laten uitvoeren en heeft ook een deskundige ingeschakeld om het werk te beoordelen. De deskundige heeft het werk op 15 april 2025 beoordeeld, maar geen rapport aangeleverd. Dat [aannemer] een procedure is gestart zonder over (het rapport van) een contra-expertise te beschikken, terwijl zij op de hoogte was van het door [opdrachtgevers] gestelde grote aantal gebreken, komt voor haar risico. [aannemer] had ook een andere deskundige kunnen inschakelen om het werk (nogmaals) te beoordelen en/of andere documenten ter staving van haar verweer kunnen overleggen die niet enkel van haar hand zijn, maar heeft dit nagelaten. Gelet op het vorenstaande heeft [aannemer] onvoldoende gemotiveerd betwist dat de opleverpunten zoals genoemd in het opleverrapport van VEH gebreken zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat (ook) de betwiste opleverpunten kwalificeren als een gebrek en dat [aannemer] alle genoemde opleverpunten had moeten herstellen.
3.15.
[opdrachtgevers] heeft gesteld dat de volgende opleverpunten niet zijn hersteld en vordert de door ZNEB begrote herstelkosten [1] :
1. Deur berging voorgevel (opleverpunt 33, 34, 35)
2. Houtwerk lamellen (7, 62, 63, 66, 72)
7. Beschadigde dakplaten (2, 22,25)
8. Boeiboorden (74, 75, 76, 77)
9. Pv-panelen (79)
16. Waterslagen onder houten gevelbekleding (67)
18. Plat dak (80)
20. Beldrukker (73)
21. Dakpannen aan zijkanten pv-panelen (78)
23. Slaapkamer eerste verdieping voorzijde (15 en 17)
24. Slaapkamer eerste verdieping achterzijde (5)
25. Badkamer eerste verdieping (19)
26. Technische ruimte eerste verdieping (8 t/m 12)
27. Trapopgang (42 t/m 44)
28. Keuken (31 en 32)
29. Woonkamer (36)
30. Toiletruimte (40)
37. Krassen in glas (27, 39)
38. Water op dorpel tuindeuren (65)
3.16.
[aannemer] betwist dit. Volgens [aannemer] zijn de opleverpunten 12, 31, 32, 74, 78 en 80 hersteld na de oplevering (zie productie 5 bij dagvaarding).
3.17.
De rechtbank overweegt als volgt. [opdrachtgevers] heeft gemotiveerd gesteld dat de opleverpunten niet zijn hersteld. [opdrachtgevers] heeft daarvoor gewezen op het opleverrapport van VEH, waarin de opleverpunten zijn genoemd, het eerste expertiserapport van ZNEB waarin de opleverpunten zijn besproken, het tweede expertiserapport van ZNEB, waarbij is gereageerd op de verweren van [aannemer] en het addendum naar aanleiding van de opname contra-expertise namens [aannemer] ). Uit deze overgelegde documenten blijkt dat sprake is van gebreken, die niet (adequaat) door [aannemer] zijn hersteld. [aannemer] heeft dus niet aan haar herstelverplichting voldaan, ook niet ten aanzien van de opleverpunten 12, 31, 32, 74, 78 en 80. [aannemer] is dan ook aansprakelijk voor de onder 3.15 genoemde opleverpunten. De enige uitzondering daarop vormt punt 28, welk volgens het tweede expertiserapport van ZNEB al is opgelost door ZNEB zelf zodat geen gebrek meer is vast te stellen.
3.18.
Daarnaast stelt [opdrachtgevers] zich met betrekking tot punt 30 (toiletruimte) op het standpunt dat volgens het proces-verbaal van oplevering de standleiding niet alleen gerepareerd maar ook afgewerkt moest worden. Dat laatste wordt door ZNEB niet onderschreven, en zij adviseert als redelijke herstelkosten € 106,50. Nu [opdrachtgevers] zijn vordering op dit punt niet heeft aangepast, dat wil zeggen geen kosten van afwerking vordert, en [aannemer] het gebrek heeft erkend, gaat de rechtbank uit van de door ZNEB berekende herstelkosten, zoals opgenomen in het addendum.
3.19.
Op basis van het addendum met de aangevulde raming komt de rechtbank tot de slotsom dat aan niet-herstelde opleverpunten een bedrag aan herstelkosten gemoeid is van € 3.178 (1) + € 2.178 (2) + € 4.542 (7) + € 3.796 (8) + € 1.604 (9) + € 1.958 (16) + € 4.446 (18) + € 48,13 (20) + 854 (21) + 166 (23) + 90,50 (24) + 23,88 (25) + € 101,50 (26) + € 702 (27) + € 0,0 (28) + € 70,75 (29) + € 106,50 (30) + 267,50 (37) + € 312 (38) =
€ 24.444,76.
Verborgen gebreken
3.20.
[opdrachtgevers] stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de volgende punten sprake is van verborgen gebreken en vordert de door ZNEB begrote herstelkosten:
1a. Houten gevelbekleding
6. Onvoldoende isolatie onder kozijnen
11. Aansluiting dak/gevel/muurplaat
31. Meterkast (onderverdeeld in 31a. luchtlekkage en 31b. elektra)
33. Badkamer begane grond
34. Slaapkamer begane grond
35a. Koude dakdoorvoer berging
39. Stucwerk
41. Bevestiging hemelwaterafvoeren
42. Elektra screens
54. Vloerverwarming
55. WTW-unit
56. Dakraam
3.21.
[aannemer] betwist dit. [aannemer] stelt dat ten aanzien van de punten 11, 34, 41, 42, 55 en 56 geen sprake is van een verborgen gebrek, omdat deze punten tijdens de oplevering zichtbaar of kenbaar waren, maar toen niet zijn gemeld. Die gebreken komen volgens [aannemer] voor risico van [opdrachtgevers] . Met betrekking tot punt 6 (onvoldoende isolatie onder kozijnen) stelt [aannemer] dat partijen hier afwijkende afspraken over hebben gemaakt, omdat van herstel door geïsoleerde kantplanken geen sprake is. Ten aanzien van punt 31 (meterkast) stelt [aannemer] dat [opdrachtgevers] dit gebrek heeft geaccepteerd, maar dat [aannemer] bereid is om een bedrag van € 169,40 terug te geven aan [opdrachtgevers] .
3.22.
De rechtbank overweegt als volgt. Punt 1a is door [aannemer] in haar akte van 19 november 2025 niet betwist en kan worden toegewezen, nu uit het addendum blijkt dat sprake is van een verborgen gebrek. Ten aanzien van de punten 34, 41 en 56 is
geensprake van een verborgen gebrek. Dat enig onderzoek nodig was (bijvoorbeeld naar het type raam maakt niet dat dit verborgen was voor [opdrachtgevers] . Voor de gebreken 11, 33 en 42 heeft [opdrachtgevers] onbetwist gesteld dat destructief onderzoek nodig was om dat gebrek vast te stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat die gebreken
welverborgen waren ten tijde van de oplevering. Ten aanzien van punt 11 heeft de rechtbank de (herstel)kosten al meegenomen bij punt 7, nu deze in de rapportage van ZNEB gezamenlijk worden beoordeeld.
3.23.
Ten aanzien van punt 6 is de rechtbank van oordeel dat [aannemer] onvoldoende gemotiveerd heeft aangevoerd dat partijen afwijkende afspraken hebben gemaakt. Het is aan [aannemer] om dat standpunt nader te onderbouwen, hetgeen [aannemer] heeft nagelaten. Nu [aannemer] heeft erkend dat zij de oorspronkelijke opdracht niet heeft uitgevoerd, terwijl niet is komen vast te staan dat partijen afwijkende afspraken hebben gemaakt, is sprake van een gebrek waarvoor [aannemer] aansprakelijk is. De rechtbank heeft de (herstel)kosten hiervoor al meegerekend bij punt 16 van de niet-herstelde gebreken (zie r.o. 3.15 e.v.) nu deze punten gezamenlijk worden besproken in de rapporten van ZNEB. Ten aanzien van punt 31, waarover [aannemer] stelt dat [opdrachtgevers] de gebreken heeft geaccepteerd, overweegt de rechtbank dat [opdrachtgevers] gemotiveerd heeft betwist dat hij het gebrek heeft geaccepteerd onder verwijzing naar de door [aannemer] als productie 23 overgelegde e-mail, waarop handgeschreven opmerkingen zijn geplaatst en welke e-mail is ondertekend door partijen. Uit die e-mail met aantekeningen volgt dat het werk niet (volledig) is geaccepteerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [aannemer] haar stelling dat partijen afwijkende afspraken hebben gemaakt dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat [aannemer] ook voor dit gebrek aansprakelijk is.
3.24.
Met betrekking tot de betwisting van de gebreken met nummer 35a, 39 en 54 overweegt de rechtbank dat [aannemer] de gestelde gebreken onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat [aannemer] van mening is dat zij de werkzaamheden deugdelijk heeft uitgevoerd, heeft zij weliswaar gesteld, maar niet nader met stukken onderbouwd. Dit terwijl [opdrachtgevers] gemotiveerd heeft aangevoerd dat de werkzaamheden niet deugdelijk zijn uitgevoerd onder verwijzing naar de uitvoerige rapporten van ZNEB met de reactie van ZNEB op de standpunten van [aannemer] . Gelet op de in opdracht van [opdrachtgevers] opgestelde rapporten, die het standpunt van [opdrachtgevers] onderschrijven, heeft [aannemer] haar betwisting onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Zoals reeds in r.o. 3.14 overwogen had het op de weg van [aannemer] gelegen om een contra-expertise (volledig) te laten uitvoeren en dat rapport in het geding te brengen.
3.25.
Met betrekking tot punt 55 overweegt de rechtbank dat dit in eerste instantie zag op een verkeerd geleverd model WTW-unit. Nu dit voor [opdrachtgevers] zichtbaar had moeten zijn, valt dat gebrek niet onder verborgen gebreken. Echter, naar aanleiding van een aanvullende klacht van [opdrachtgevers] over de gebrekkige koelfunctie van de WTW-unit, volgt uit het tweede expertiserapport (naar aanleiding van het rapport van de door ZNEB ingeschakelde derde deskundige J2) dat dit volgens ZNEB moet worden gezien als een gebrek (in plaats van minderwerk) nu overeengekomen was dat een WTW-unit zou worden geleverd die ook kan koelen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stellingen van [opdrachtgevers] op dit punt (blz 37 CvA/EiR en r.nr. 69 akte uitlating) echter niet duidelijk, met als gevolg dat het verweer van [aannemer] alleen (is blijven) ziet(n) op het verkeerd geleverde model. Het gevorderde herstel van dit verborgen gebrek wordt dan ook afgewezen wegens onvoldoende motivering.
3.26.
Op basis van het addendum komt de rechtbank tot de slotsom dat aan verborgen gebreken een bedrag aan herstelkosten gemoeid is van € 1.074 (1a) + 0,0 (6) [2] + € 0,0 (11) + € 262 (31a+b) + € 418 (33) + € 96,50 (35a) + € 2.082 (39) + € 1.754 (42) + € 2.296 (54) =
€ 7.982,50.
Overige gebreken
3.27.
[opdrachtgevers] stelt dat na de oplevering nog andere gebreken aan het licht zijn gekomen, die hij eerder niet heeft opgemerkt. Het betreft de volgende werkzaamheden:
5. Metselwerk topgevel achterzijde
14. Sleutel buitenkraan
44. Wasmachine-aansluiting
46. Waterslagen
Volgens [opdrachtgevers] had hij die gebreken niet eerder opgemerkt gelet op de grote hoeveelheid gebreken. De waterslagen zijn volgens [opdrachtgevers] pas na de oplevering geplaatst.
3.28.
[aannemer] heeft erkend dat het metselwerk gebreken vertoont en aangeboden om hier € 350,- voor te vergoeden. Ten aanzien van de punten 14 en 44 stelt [aannemer] zich op het standpunt dat geen sprake is van een verborgen gebrek, zodat die gebreken bij de oplevering hadden kunnen en moeten worden gemeld. Na oplevering is [aannemer] niet langer aansprakelijk voor dit gebrek. [aannemer] betwist dat de waterslagen pas na de oplevering zijn geplaatst en verwijst daarvoor naar opleverpunt 67 zoals opgenomen in het opleverrapport van VEH.
3.29.
Aangezien [aannemer] heeft erkend dat sprake is van een gebrek ten aanzien van het metselwerk zal de rechtbank die vordering toewijzen. Het aangeboden bedrag voor herstel van het metselwerk is door [aannemer] niet nader onderbouwd. De deskundige van [opdrachtgevers] heeft de herstelkosten begroot op € 566,00 waarbij inzage is gegeven in de berekening (zie pagina 74 van het eerste expertiserapport van ZNEB en pagina 5 van het addendum). De rechtbank zal die vordering dan ook toewijzen en de kosten begroten op € 566,00.
3.30.
Voor het overige overweegt de rechtbank als volgt. Het moment van oplevering geldt als een belangrijk ijkpunt. In het recht is er behoefte aan zekerheid. Een aannemer moet erop kunnen vertrouwen dat kwesties die kenbaar en zichtbaar zijn, niet eindeloos door kunnen blijven spelen. Op de opdrachtgever rust de plicht om tijdens de oplevering een normaal, met de vereiste zorgvuldigheid verricht onderzoek te doen naar de staat van het opgeleverde werk en alle geconstateerde gebreken te melden aan de aannemer. Gebreken die op het moment van oplevering gemeld worden, moeten door de aannemer worden hersteld of aangepast, waarna partijen van elkaar bevrijd zijn. Gebreken die ten tijde van de oplevering zichtbaar of kenbaar waren en dus gemeld hadden kunnen worden, maar niet gemeld zijn, komen niet langer voor rekening en risico van de aannemer.
3.31.
Het enkele feit dat sprake was van veel opleverpunten/gebreken ontslaat [opdrachtgevers] niet van deze verplichting. De punten 14 (Sleutel buitenkraan) en 44 (Wasmachine aansluiting) kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank niet als verborgen gebreken. Dat betekent dat [aannemer] ten aanzien van deze gebreken niet (langer) aansprakelijk is.
3.32.
Dat is anders voor punt 46 (Waterslagen). Het gebrek met betrekking tot de waterslagen is opgenomen in het rapport van VEH (zie punt 67) en betwist door [aannemer] . Dit gebrek is reeds hiervoor besproken onder de niet-herstelde opleverpunten (zie r.o. 3.15 e.v.). De rechtbank verwijst hier kortheidshalve naar.
3.33.
Samengevat is [aannemer] niet aansprakelijk voor de overige gebreken, behoudens de herstelkosten voor het metselwerk, welke zijn begroot op
€ 566,00.
Niet-uitgevoerde werkzaamheden
3.34.
[opdrachtgevers] heeft gesteld dat [aannemer] een aantal werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, zodat dit als minderwerk moet worden aangemerkt.
3.35.
[aannemer] brengt hiertegen in dat zij niet (meer) aansprakelijk is voor niet-verborgen gebreken c.q. tekortkomingen die voor [opdrachtgevers] bekend of kenbaar waren ten tijde van de oplevering. In feite doet [aannemer] hiermee een beroep op artikel 7:758 lid 3 BW Pro.
3.36.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 7:758 lid 3 BW Pro is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever ten tijde van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Dat artikel heeft betrekking op gebreken in de prestatie en ziet dus alleen op gevallen van ondeugdelijke nakoming. Het artikel ziet daarmee niet (mede) op situaties waarin in het geheel niet is gepresteerd (HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3531). Voor zover [aannemer] bepaalde werkzaamheden in het geheel niet heeft uitgevoerd, komt haar geen beroep op artikel 7:758 BW Pro toe.
3.37.
Het vorenstaande betekent dat voor zover door [aannemer] is erkend dat de werkzaamheden (al dan niet met toestemming van [opdrachtgevers] ) niet zijn uitgevoerd, sprake is van minderwerk dat door [opdrachtgevers] ook niet hoeft te worden betaald. Het betreft de volgende werkzaamheden: 2.3 Isotrans, 2.6 Afwerking bovenkozijn, 2.8 Uitgehaald binnenkozijn en 2.9 Muurtjes.
3.38.
Het verschil in model WTW-unit is reeds hiervoor onder r.o. 3.25 besproken, waarna kortheidshalve wordt verwezen.
3.39.
Ten aanzien van 2.2 Folie heeft [opdrachtgevers] gemotiveerd gesteld dat de bedoelde folie ontbreekt door te verwijzen naar het tweede expertiserapport van 8 oktober 2024 en de daarbij gevoegde foto’s (Foto C23). [aannemer] heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is bewezen dat de folie niet is geplaatst. Door [aannemer] is niet betwist dat de folie ontbreekt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van een (voldoende gemotiveerde) betwisting aan de zijde van [aannemer] geen sprake is. Voor zover al sprake zou zijn van een betwisting aan de zijde van [aannemer] , dan is die betwisting onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van [aannemer] gelegen om een factuur van de folie, een verklaring van de uitvoerder of dergelijke over te leggen, om een betwisting (voor zover daar al sprake van zou zijn) nader te onderbouwen. Dat heeft [aannemer] nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank komt daarmee als voldoende gemotiveerd gesteld en onvoldoende betwist vast te staan dat de bedoelde folie ontbreekt. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De kosten voor het aanbrengen van de folie van € 248,80 zullen dan ook als minderwerk in mindering strekken op de door [opdrachtgevers] te betalen aanneemsom.
3.40.
Met betrekking tot de post 2.4 Graafwerkzaamheden is door [aannemer] gemotiveerd gesteld dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd. Door [opdrachtgevers] is enkel gesteld dat [aannemer] eerder zou hebben erkend dat die werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, maar dat blijkt verder nergens uit. Deze vordering van [opdrachtgevers] zal dan ook worden afgewezen.
3.41.
Met betrekking tot de post 2.14 Dilataties stelt [opdrachtgevers] dat de op de dilatatietekeningen voorgeschreven dilataties bij de kozijnen ontbreken. Hij verwijst naar het tweede expertiserapport waar staat dat als [opdrachtgevers] ervoor opteert om de dilataties niet meer aan te laten brengen (met kans op het later toch ontstaan van scheuren) deze kosten als minderwerk zouden kunnen worden gezien. [aannemer] betwist de vordering, stellende dat het ontbreken van de dilatatievoegen niet in het proces-verbaal van oplevering is opgenomen, en dat er geen sprake is van schade of waardevermindering. Daarnaast stelt zij aansprakelijk te blijven voor scheurvorming, waarvan 2 jaar na oplevering nog geen sprake is.
3.42.
De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van op tekening voorgeschreven dilatatievoegen in de gevel een gebrek in de uitvoering oplevert en niet minderwerk. Nu het ontbreken van dilataties eenvoudig te ontdekken is, en nu inderdaad, zoals [aannemer] stelt, dit gebrek niet is opgenomen in het proces-verbaal van oplevering, is [aannemer] niet meer aansprakelijk te houden voor dit gebrek.
3.43.
Op basis van het addendum komt de rechtbank tot de slotsom dat aan niet-uitgevoerde werkzaamheden een bedrag gemoeid is van € 248,80 (2.2) + € 0,0 (2.3) + € 298,40 (2.6) + € 0,0 (2.8) + € 298,40 (2.9) =
€ 845,60. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Resumé en kosten
3.44.
De rechtbank zal daarnaast de algemene kosten voor de inzet van steigerwerk van € 750,00 en een container van € 600,00 toewijzen.
3.45.
Samenvattend zijn de door ZNEB begrote bedragen als volgt toewijsbaar:
  • Niet-herstelde opleverpunten € 24.444,76
  • Verborgen gebreken € 7.982,50
  • Overige gebreken € 566,00
  • Niet-uitgevoerde werkzaamheden (minderwerk) € 845,60
  • Steigerwerk € 750,00
  • Container
Totaal € 35.188,86
Verkeert [aannemer] in verzuim voor de herstelwerkzaamheden na oplevering?
3.46.
[aannemer] was aanwezig bij de opname door de bouwkundige van VEH en het opleverrapport is met [aannemer] gedeeld. [opdrachtgevers] heeft [aannemer] op 19 december 2022 verzocht om de opleverpunten te herstellen. [aannemer] heeft hier inhoudelijk op gereageerd middels de e-mail van 22 december 2022 en daarbij aangegeven dat niet alle gestelde punten gebreken betreffen, maar dat zij met de overige punten aan de slag zal gaan en in dat kader contact met haar onderaannemers heeft opgenomen.
3.47.
De rechtbank begrijpt die e-mailcorrespondentie als volgt. [aannemer] heeft erkend een aantal gebreken te moeten herstellen en betwist bij de overige punten dat hier sprake is van een gebrek. Desondanks is adequaat herstel van de erkende gebreken uitgebleven, zoals hierboven reeds is vastgesteld. [aannemer] heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan de werkzaamheden die zij in ieder geval diende te verrichten niet reeds konden worden uitgevoerd. [aannemer] heeft in dat kader enkel een beroep op opschorting gedaan, in die zin dat [opdrachtgevers] eerst de restant aanneemsom diende te voldoen alvorens [aannemer] over zou gaan tot het verrichten van de herstelwerkzaamheden. In het tussenvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat het depotbedrag juist dient als stok achter de deur voor het geval [aannemer] de aannemingsovereenkomst (nog) niet volledig is nagekomen. Uit het voorgaande blijkt dat er nog diverse gebreken / opleverpunten waren die [aannemer] diende te herstellen. [aannemer] kwam dan ook geen beroep op een opschortingsrecht toe.
3.48.
Nu de herstelwerkzaamheden niet (adequaat) door [aannemer] zijn uitgevoerd, is [aannemer] in verzuim vanaf 19 januari 2023 (één maand na de sommatiebrief van 19 december 2022). Hiervoor is reeds komen vast te staan dat [aannemer] de verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst ook voor de andere punten uit het opleverrapport onvoldoende is nagekomen, doordat het betreffende opgeleverde werk gebrekkig was (en dus geen meerwerk betreft), zodat zij ook voor die gebreken in verzuim verkeert.
3.49.
Ten aanzien van de rapporten van ZNEB overweegt de rechtbank als volgt.
3.50.
[opdrachtgevers] heeft [aannemer] op 21 juli 2023 (productie 28 bij CvA/EiR) onder verwijzing naar het rapport van ZNEB (opnieuw) gesommeerd de gebreken te herstellen. Door [aannemer] is hier op 12 september 2023 en 17 oktober 2023 op gereageerd, waarbij de in het rapport opgenomen gebreken (grotendeels) zijn betwist en waarin [aannemer] aangeeft dat zij geen aansprakelijkheid erkent.
3.51.
De rechtbank is van oordeel dat [opdrachtgevers] uit de mededelingen van [aannemer] had mogen begrijpen dat [aannemer] de in het rapport van ZNEB opgenomen gebreken niet zou herstellen, omdat zij in haar standpunt volhardde hier niet toe gehouden te zijn. [aannemer] heeft die gebreken ook nimmer hersteld. Ten aanzien van de verborgen gebreken en de overige gebreken geldt dat [aannemer] , voor zover is komen vast te staan dat sprake is van een gebrek, in verzuim is komen te verkeren vanaf het moment van ontvangst van het
eersterapport van ZNEB. Ten aanzien van de niet-uitgevoerde werkzaamheden geldt dat deze zijn opgenomen in het tweede expertiserapport van ZNEB, zodat [aannemer] in verzuim verkeert vanaf de datum van het
tweedeexpertiserapport.
3.52.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank ook de wettelijke rente over de toegekende bedragen toewijzen. De wettelijke rente over de begrote herstelkosten van de opleverpunten is gaan lopen op 19 januari 2023. De wettelijke rente ten aanzien van de begrote herstelkosten voor de verborgen en overige gebreken zal de rechtbank toewijzen vanaf het moment van ontvangst van het rapport van ZNEB door [aannemer] , zijnde 21 juli 2023. De wettelijke rente voor de niet-uitgevoerde werkzaamheden (minderwerk) zal de rechtbank toewijzen vanaf de datum van het tweede rapport van ZNEB door [aannemer] , zijnde 8 oktober 2024.
Vervangende schadevergoeding i.p.v. nakoming
3.53.
Voor zover is komen vast te staan dat [aannemer] in verzuim is met een deugdelijke uitvoering van het aanneemwerk, zoals hiervoor overwogen, zal [aannemer] , in het licht van de omzettingsverklaring van [opdrachtgevers] zoals opgenomen in de CvA/EiR op grond van artikel 6:87 BW Pro een vervangende schadevergoeding aan [opdrachtgevers] moeten voldoen. [aannemer] heeft immers – om haar moverende redenen – geen gebruik gemaakt van de door [opdrachtgevers] geboden mogelijkheid tot herstel van gebreken althans heeft de herstelwerkzaamheden niet naar behoren uitgevoerd. [aannemer] heeft niet betwist dat de door [opdrachtgevers] gestelde schadeposten betrekking hebben op vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 6:87 BW Pro. De rechtbank heeft aan de hand van de rapporten van ZNEB de omvang van de schadevergoeding begroot op een bedrag van € 35.188,86.
Depotbedrag
3.54.
Gelet op het vorenstaande worden de vorderingen van [aannemer] om voor recht te verklaren dat handhaving van het depot niet langer gerechtvaardigd is, afgewezen. Ook de vordering tot vrijgave van het depotbedrag aan [aannemer] , vermeerderd met de wettelijke rente zal worden afgewezen.
3.55.
[opdrachtgevers] heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat het depotbedrag aan [opdrachtgevers] toekomt en dat dit bedrag aan [opdrachtgevers] moet worden uitbetaald, welk bedrag in mindering kan worden gebracht op de toegewezen bedrag. De rechtbank zal die vordering inclusief het beroep op verrekening toewijzen.
Meerwerkfacturen
3.56.
[opdrachtgevers] vordert betaling van een bedrag van € 19.331,30 inclusief btw aan teveel betaald meerwerk. [opdrachtgevers] stelt dat vier meerwerkfacturen onterecht in rekening zijn gebracht. Het gaat om de volgende posten:
1.1
Dakpannen
1.4
Glas
1.7
Afwerking peil
1.8
Houtwerk
3.57.
[aannemer] betwist dat [opdrachtgevers] te veel heeft betaald aan meerwerk. Volgens [aannemer] heeft [opdrachtgevers] ingestemd met het meerwerk onder verwijzing naar door [opdrachtgevers] ondertekende meerwerkopgaves.
3.58.
De rechtbank zal de genoemde meerwerkposten hieronder puntsgewijs bespreken.
1.1
Dakpannen
3.59.
[opdrachtgevers] heeft ten aanzien van de dakpannen verwezen naar de als productie 22 bij CvA/EiR overgelegde e-mailcorrespondentie. [opdrachtgevers] schrijft in een e-mail van 6 april 2022:
“Wij zijn door deze situatie genoodzaakt om te kiezen voor een andere dakpan. Om de voortgang van de bouw niet te stagneren gaan we jouw voorstellen bekijken, maar we verwachten wel een dakpan van dezelfde kwaliteit en kleur. De meerkosten hiervan zijn niet voor onze rekening. Jij hebt verzuimd de dakpannen tijdig te bestellen.”
3.60.
Op 8 april 2022 legt [aannemer] een meerwerkfactuur voor aan [opdrachtgevers] voor een bedrag van € 1.841,20 aan meerwerk, omdat de nieuwe dakpannen duurder zijn uitgevallen. [opdrachtgevers] stuurt op 12 april 2022 een brief aan [aannemer] , waarin [opdrachtgevers] erop wijst dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen en dat [opdrachtgevers] het niet eens is met de meerwerkfactuur. Vervolgens ondertekent [opdrachtgevers] onder verwijzing naar de brief van 12 april 2022 de meerwerkfactuur.
3.61.
De rechtbank overweegt als volgt.
Door [opdrachtgevers] is herhaaldelijk aangegeven dat hij niet akkoord gaat met de meerprijs voor de dakpannen. Het enkele ondertekenen van de meerwerkfactuur is, gelet op de e-mailcorrespondentie tussen partijen en de brief van 12 april 2022 van [opdrachtgevers] aan [aannemer] onvoldoende om aan te nemen dat [opdrachtgevers] akkoord is gegaan met de meerprijs. [opdrachtgevers] heeft van meet af aan kenbaar gemaakt niet akkoord te gaan met een meerprijs. Partijen hebben een vaste prijs voor de dakpannen afgesproken, de dakpannen zijn ruim op tijd gekozen door [opdrachtgevers] en het had op de weg van [aannemer] gelegen om de dakpannen op tijd te bestellen, hetgeen zij echter heeft nagelaten. Dat [aannemer] vervolgens geen andere mogelijkheid had dan de gelijkwaardige (wat betreft kleur en kwaliteit), maar duurdere dakpannen te bestellen en te plaatsen, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van [aannemer] . De meerwerkkosten van € 1.841,20 die [aannemer] hiervoor in rekening heeft gebracht en door [opdrachtgevers] zijn voldaan, zijn dan ook onverschuldigd betaald.
1.4
Glas
3.62.
[opdrachtgevers] stelt dat [aannemer] ten onrechte een bedrag van € 940,80 aan [opdrachtgevers] heeft doorberekend gerelateerd aan prijsstijgingen voor de beglazing. De meerwerkopgave van 26 april 2022 is door [opdrachtgevers] ondertekend op 8 mei 2022 met de aantekening “met behoud van rechten”. Volgens [opdrachtgevers] heeft hij de opgave onder protest getekend en de meerprijs onder protest betaald.
3.63.
[aannemer] voert aan dat [opdrachtgevers] de meerwerkopgave heeft ondertekend en daar niet op een later moment op terug kan komen.
3.64.
Naar het oordeel van de rechtbank is onder de gegeven omstandigheden het enkele ondertekenen van de meerwerkopgave onvoldoende om aan te nemen dat [opdrachtgevers] heeft ingestemd met de meerprijs. [opdrachtgevers] heeft namelijk in het contact met [aannemer] en op de meerwerkopgave steeds aangegeven niet akkoord te gaan. Daarom moet worden gekeken naar hetgeen partijen zijn overeengekomen bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst. In de aannemingsovereenkomst is bepaald dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen. Bij een vaste prijs draagt de aannemer het risico van financiële tegenvallers (zie bijvoorbeeld r.o. 2.9., conclusie A-G voor HR 4 december 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BJ8839). Dat is anders bij onvoorziene omstandigheden, omdat partijen in artikel 5 van Pro de op de aannemingsovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden (AVA 2013) in dat geval een afwijkende afspraak hebben gemaakt. In artikel 5 AVA Pro 2013 is bepaald dat kostenverhogende omstandigheden de aannemer recht geven op vergoeding van de daaruit voortvloeiende gevolgen. Kostenverhogende omstandigheden zijn gedefinieerd als omstandigheden die van dien aard zijn dat bij het stand komen van de overeenkomst geen rekening behoefde te worden gehouden met de kans dat deze zich voordoen en die de aannemer niet kunnen worden toegerekend ene die de kosten van het werk verhogen.
3.65.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van onvoorziene omstandigheden. Eventuele prijsstijgingen voor materiaal zijn omstandigheden waarmee juist rekening wordt gehouden bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst en kunnen een reden vormen om een vaste aanneemsom overeen te komen. De meerwerkkosten voor het glas zijn dan ook ten onrechte in rekening gebracht en dus onverschuldigd betaald.
1.7
Afwerking peil
3.66.
[opdrachtgevers] stelt ten aanzien van dit punt het volgende. Door [aannemer] zijn geïsoleerde kanttekenplaten aangebracht. De kosten daarvoor waren niet meegenomen in de calculatie, omdat de kanttekenplaten ontbraken op de daaraan ten grondslag liggende tekeningen. De tekeningen zijn later door de architect gewijzigd, waarna [aannemer] de werkzaamheden conform de nieuwe tekeningen heeft uitgevoerd. [opdrachtgevers] stelt dat [aannemer] niet heeft gewaarschuwd voor de meerprijs.
3.67.
[aannemer] voert aan dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de door [opdrachtgevers] aangeleverde nieuwe tekeningen en dat [opdrachtgevers] de meerwerkopgave heeft ondertekend.
3.68.
Ook hier geldt dat [opdrachtgevers] de meerwerkopgave onder protest heeft getekend, zodat daar naar het oordeel van de rechtbank geen rechten aan kunnen worden ontleend. Op grond van artikel 7:755 BW Pro geven toevoegingen of veranderingen in het werk waarmee de opdrachtgever heeft ingestemd de aannemer niet zonder meer recht op prijsverhoging. Daarvoor is vereist dat de aannemer de opdrachtgever voorafgaand aan het opdragen van meerwerk ervoor heeft gewaarschuwd dat deze toevoegingen of veranderingen (per saldo) zullen leiden tot een hogere prijs. Nergens blijkt uit dat [aannemer] [opdrachtgevers] voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden heeft gewaarschuwd voor de prijsverhogingen. De meerprijs die [opdrachtgevers] heeft betaald is dus ten onrechte in rekening gebracht, zodat het bedrag van € 784,62 onverschuldigd is betaald.
1.8
Houtwerk
3.69.
[opdrachtgevers] stelt dat [aannemer] niet op tijd heeft gewaarschuwd voor de prijsverhoging. [opdrachtgevers] wijst in dat kader op een e-mail van 2 december 2022 aan [aannemer] , waarin [opdrachtgevers] schrijft:
“Hallo [naam 1],
Wij gaan niet akkoord met deze prijsverhoging
13 april heeft [naam 2] mij medegedeeld dat hij het hout van foreco ging bestellen.
Enkele dagen later heeft hij mij medegedeeld dat hij ze had besteld. In de planning van
juni staat dat de delen 27-06 geplaatst zouden worden en o4-07 de lamellen, in mei
heeft [naam 2] medegedeeld dat ze op de werf aanwezig waren ook medewerkers
hebben aangegeven dat ze al langer op de werf lagen.
Nu pas kom je met een groot prijsverschil dit had jij tijdig moeten doen, dan had ik nog
een andere keuze kunnen maken. Jij hebt ons niet tijdig op de hoogte gebracht met het
verschil in prijs.”
3.70.
[aannemer] voert aan dat [opdrachtgevers] zelf het merk Foreco wilde en voor akkoord heeft getekend voor de prijs van de lamellen. [aannemer] verwijst in dat kader naar de offerte van de lamellen.
3.71.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit die offerte niet dat [opdrachtgevers] hiermee heeft ingestemd. Die offerte gaat namelijk vergezeld van een e-mail van 10 juni 2021 van [opdrachtgevers] aan [aannemer] , waarin [opdrachtgevers] een aantal vragen stelt over de eigenschappen van de lamellen. Van een akkoord valt niets te lezen in de overgelegde stukken. Aangezien [opdrachtgevers] heeft betwist akkoord te zijn gegaan en het tegendeel nergens uit blijkt, heeft [aannemer] ten onrechte een meerprijs van € 1.299,72 in rekening gebracht.
Conclusie meerwerk
3.72.
Door [aannemer] is in totaal een bedrag van € 4.866,34 te veel in rekening gebracht. [opdrachtgevers] vordert een bedrag van € 19.331,30 inclusief btw terug. Door [opdrachtgevers] is dit bedrag niet nader onderbouwd, behalve een verwijzing naar het rapport van ZNEB. Het is niet aan de rechtbank om zelfstandig in producties een onderbouwing van een vordering van partijen te zoeken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [opdrachtgevers] voor het meerdere niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat het meerdere zal worden afgewezen.
3.73.
[opdrachtgevers] vordert betaling van wettelijke rente over de onverschuldigd betaalde bedragen vanaf 21 augustus 2023. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:205 BW Pro de ontvanger te kwader trouw zonder ingebrekestelling in verzuim is. Nu [aannemer] de betalingen heeft ontvangen, terwijl [opdrachtgevers] deze onder protest heeft betaald, was [aannemer] naar het oordeel van de rechtbank te kwader trouw en is zij dus zonder ingebrekestelling in verzuim. Door partijen is niet aangevoerd wanneer [opdrachtgevers] de betreffende betalingen heeft verricht. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente toewijzen overeenkomstig de vordering van [opdrachtgevers] , dus vanaf 21 augustus 2023.
Proceskosten, deskundigenkosten en beslagkosten
in conventie
3.74.
[aannemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgevers] worden begroot op:
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.100,50
3.75.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
3.76.
[opdrachtgevers] heeft een bedrag van € 7.931,55 inclusief btw gevorderd aan kosten in verband met de door hem ingeschakelde deskundigen.
3.77.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro komen de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding als vermogensschade in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat de door [opdrachtgevers] gemaakte deskundigenkosten redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de kosten dan ook toewijzen.
3.78.
[aannemer] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgevers] worden begroot op:
- kosten deskundigen
7.931,55
- salaris advocaat
816,25
(2,5 punten × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.895,80
3.79.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [aannemer] af,
4.2.
veroordeelt [aannemer] in de proceskosten van [opdrachtgevers] in conventie begroot op € 2.100,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.3.
veroordeelt [aannemer] tot betaling van vervangende schadevergoeding van € 35.188,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van 23.340,76 vanaf 19 januari 2023 en over een bedrag van 10.897,30 vanaf 21 juli 2023 tot aan de dag der algehele vergoeding,
4.4.
veroordeelt [aannemer] tot terugbetaling van € 4.866,34 ten aanzien van meer- en minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 21 augustus 2023 en tot betaling van € 845,60 incl. BTW voor niet uitgevoerde werkzaamheden wegens onverschuldigde betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening,
4.5.
verklaart voor recht dat het depotbedrag van € 15.622,12 incl. BTW aan [opdrachtgevers] toekomt en dat voormeld bedrag aan [opdrachtgevers] moet worden uitbetaald, welk bedrag in mindering moet worden gebracht op de toegewezen bedragen onder vordering 1 en/of vordering 2,
4.6.
veroordeelt [aannemer] in de proceskosten van [opdrachtgevers] in reconventie begroot op € 8.895,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.7.
veroordeelt [aannemer] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [aannemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8.
veroordeelt [aannemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken door mr. Roeffen op 8 april 2026.

Voetnoten

1.De gehanteerde nummering is gelijk aan de nummers in de akte van [opdrachtgevers] van 1 oktober 2025 en de nummers tussen haakjes verwijzen naar de opleverpunten zoals opgenomen in het opleverrapport van VEH.
2.In het expertiserapport zijn deze kosten samengenomen met de herstelkosten van punt 16. Deze herstelkosten zijn voor punt 16 toegewezen en zullen daarom voor punt 6 worden afgewezen.