Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om hem geen tegemoetkoming voor een voucher toe te kennen. De minister wees het verzoek af omdat eiser alleen een wo-bachelor heeft afgerond en niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden die een hbo-bachelor of het geheel van een wo-bachelor en wo-master vereisen.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk behandeld en geoordeeld dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling, waarbij alleen met een hbo-bachelor of een volledige wo-bachelor plus wo-master aanspraak bestaat op de voucher. De rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en rechtbank Amsterdam ter onderbouwing.
Eiser stelde dat het onderscheid tussen wo- en hbo-bachelor onrechtvaardig is en niet strookt met zijn rechtsgevoel, mede omdat zijn opleiding destijds niet als hbo-bachelor beschikbaar was. De rechtbank erkent dat dit voor eiser nadelig is, maar benadrukt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het financiële nadeel onvoldoende is om het beroep gegrond te verklaren.
De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.