ECLI:NL:RBLIM:2026:3483

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ROE 25/2378
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R.N. Crombaghs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Bestemmingsplan Heerlerheide ZuidECLI:NL:RVS:2019:1694ECLI:NL:RVS:2025:678ECLI:NL:RVS:2024:4242
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College ziet af van handhaving voortuinparkeren wegens gewekt vertrouwen

Eiser diende een handhavingsverzoek in tegen het parkeren van auto's in de voortuin door zijn overburen, wat in strijd is met het bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen weigerde handhavend op te treden omdat het vertrouwen was gewekt dat parkeren in de voortuin werd gedoogd.

De rechtbank bevestigt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een toezegging is gedaan via een brief uit juni 2020, waarin het college aangeeft voortuinparkeren te gedogen. Deze toezegging is toe te rekenen aan het college, omdat de brief is ondertekend door een ambtenaar van Domein Ruimte en op officieel gemeentelijk briefpapier is verzonden.

Hoewel eiser stelt dat hij de brief niet heeft ontvangen en dat het parkeren leidt tot verlies van openbare parkeerplaatsen en hinder voor zijn uitzicht, weegt de rechtbank het algemeen belang van het verminderen van parkeerdruk in de wijk zwaarder dan het individuele belang van eiser. De rechtbank concludeert dat het college terecht heeft afgezien van handhaving en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het college hoeft niet handhavend op te treden tegen voortuinparkeren.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2378

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen

(gemachtigde: mr. S.F.A. Garritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser met betrekking tot het parkeren van de auto door de overburen in hun voortuin. Het college heeft dit handhavingsverzoek afgewezen, omdat bij de overburen het vertrouwen is gewekt dat het college niet handhavend zou optreden tegen parkeren in de voortuin. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er vertrouwen is gewekt en zich op het standpunt heeft mogen stellen dat dit vertrouwen in deze situatie voorrang heeft op de belangen van eiser. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 28 augustus 2023 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Het college heeft dit verzoek op 9 november 2023 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 4 september 2025 (het bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend bij het college omdat zijn overburen hun voortuin gebruiken om hun auto te parkeren. Dit is volgens eiser in strijd met het bestemmingsplan. [1]
3.1.
Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eiser heeft het college controles uitgevoerd. Uit deze controles is gebleken dat de overburen van eiser inderdaad in de voortuin parkeren. Het college erkent dat dit handelen in strijd is met het bestemmingsplan. Desondanks heeft het college besloten niet handhavend op te treden tegen het parkeren in de voortuin. Volgens het college is aan de gehele buurt, en dus ook aan de overburen van eiser en eiser zelf, kenbaar gemaakt (met een brief) dat het parkeren in de voortuin wordt gedoogd. Op grond hiervan stelt het college zich op het standpunt dat sprake is van een uitzondering op de beginselplicht tot handhaving, en ziet het college af van het nemen van handhavingsmaatregelen.
Beginselplicht tot handhaven
4. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat tegen een overtreding moet worden opgetreden omdat het algemeen belang gediend is met handhaving. Dat wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Zo een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat handhaving onevenredig is, bijvoorbeeld bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [2]
Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?
5. Eiser voert aan dat de brief waarop het college zich beroept om het vertrouwensbeginsel te onderbouwen, niet is verstuurd of eiser in ieder geval niet heeft bereikt. Volgens eiser ontbreekt daardoor een bijzondere omstandigheid om af te zien van handhavend optreden. Eiser stelt dat het college daarom verplicht is om op te treden tegen het parkeren van auto’s in de voortuin door de overburen. Daarnaast betoogt eiser dat het parkeren in de voortuin leidt tot het verdwijnen van openbare parkeerplaatsen op straat, waardoor zijn bezoekers niet langer in de directe omgeving kunnen parkeren. Ook ervaart eiser hinder doordat het parkeren in de voortuin zijn uitzicht belemmert.
6. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht. [3] In deze uitspraak wordt een stappenplan geïntroduceerd. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating en/of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. De rechtbank zal hierna aan de hand van de drie stappen beoordelen of het college terecht heeft afgezien van handhavend optreden met een beroep op het vertrouwensbeginsel.
Stap 1: Is sprake van een toezegging?
7. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk hebben gewekt van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Het college wijst ter onderbouwing naar een brief die is bijgevoegd in het procesdossier met de datum ‘juni 2020’ die door het college is verstuurd aan de bewoners van de wijk [naam wijk] . Hierin staat het volgende:
“”Vraag:
Is voortuinparkeren in de wijk [naam wijk] toegestaan?
Antwoord:
Voortuin parkeren gebeurt al sinds jaren in deze buurt. Deze wijk is gebouwd toen er nog geen of nauwelijks auto’s waren en hier is toen geen rekening mee gehouden. In de loop der jaren zijn er steeds meer auto’s bijgekomen en is naar oplossingen gezocht om deze op eigen terrein te kunnen parkeren. Een van de oplossingen is voortuinparkeren. Voortuinparkeren verbieden zou voor parkeerproblemen zorgen in deze buurt. De gemeente is hier geen voorstander van en gedoogt het voortuinparkeren.“”
8. De rechtbank oordeelt dat de betreffende passage uit de brief een toezegging bevat waarin wordt aangegeven dat parkeren in de voortuin wordt gedoogd. Deze uitlating geeft blijk van een algemeen gedoogbeleid voor het parkeren in de voortuin in deze wijk en wekt daarmee redelijkerwijs de indruk dat het college bewust heeft gekozen om niet handhavend op te treden tegen het parkeren in de voortuin, ondanks dat dit een overtreding oplevert op grond van het bestemmingsplan. De bewoners mogen er dan ook vanuit gaan dat het college niet handhavend optreedt als zij hun auto in de voortuin parkeren. Dat eiser stelt dat hij de brief niet heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Het is in dit geval immers niet van belang of bij eiser (persoonlijk) gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, maar of bij de overtreder dat vertrouwen is gewekt. Het ontbreken van kennis bij eiser – van het bestaan van de brief - staat daarom niet in de weg aan het oordeel dat bij de overtreders (de mensen die in de voortuin parkeren) vertrouwen is gewekt omtrent het uitblijven van handhavend optreden.
Stap 2: Is deze toezegging toe te rekenen aan het bestuursorgaan?
9. Om een toezegging toe te kunnen rekenen aan het bestuursorgaan is vereist dat de toezegging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake, als de betrokkenen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte, de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. [4]
10. De rechtbank overweegt dat de toezegging, die is gedaan via een brief ondertekend door een ambtenaar van Domein Ruimte, toe te rekenen is aan het college. De afdeling Domein Ruimte maakt onderdeel uit van de gemeente Heerlen. Het dagelijks bestuur van de gemeente Heerlen wordt gevormd door het college. Dit maakt dat er een duidelijk verband bestaat tussen Domein ruimte en het college. Hierdoor mochten de betrokkenen onder de gegeven omstandigheden er redelijkerwijs van uitgaan dat de ambtenaar die de uitlating deed, handelende namens het college. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat betrokkenen er, mede gezien de functie van de ambtenaar als projectleider bij Domein Ruimte, op mochten vertrouwen dat deze ambtenaar de opvatting van het college vertolkte op het gebied van openbare ruimte, waaronder ook de beleidsopvattingen over parkeren. De rechtbank acht het hierbij bovendien relevant dat de brief op officieel gemeentelijk briefpapier is verzonden. Verder is er geen aanwijzing dat deze brief niet namens het college was verzonden. Dit staat overigens ook niet ter discussie tussen partijen.
Stap 3: Belangenafweging
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is bij de ontvangers van de brief een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt. Een belangenafweging moet uitwijzen of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen. Daarbij weegt volgens vaste rechtspraak het algemeen belang dat gediend is bij handhavend optreden in zijn algemeenheid zwaar, maar dit hoeft niet doorslaggevend te zijn als er geen concrete bedreigde belangen van enige betekenis aangewezen kunnen worden. [5] Concreet betekent dit dat andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden (zoals het belang van eiser), zwaarder kunnen wegen dan het gewekt vertrouwen.
12. Eiser heeft aangevoerd dat zijn belang bij handhavend optreden door het college is gelegen in het behoud van openbare parkeerplaatsen en het onbelemmerd uitzicht vanuit zijn woning. Hij stelt dat de ruimte direct voor de voortuin, die voorheen als openbare parkeerplaats werd gebruikt, nu functioneert als inrit naar een parkeerplaats in de voortuin. Hierdoor kan er niet meer worden geparkeerd op die plekken omdat de plek voor de voortuin (waar anders geparkeerd zou kunnen worden) vrij moet blijven voor het in- en uitrijden van auto’s. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat er te weinig openbare parkeerplaatsen zijn voor alle bewoners van de wijk [naam wijk] en dat het parkeren in de voortuin daarom wordt gedoogd. Daarbij heeft het college erkend dat op sommige plekken openbare parkeerplaatsen vervallen als gevolg van het toestaan van parkeren in de voortuin. Het college stelt echter dat door het parkeren in de voortuin de totale parkeerdruk in de wijk afneemt. Hierdoor wordt de parkeerdruk in de wijk verlicht.
13. De rechtbank acht het belang van een goede parkeervoorziening en het verminderen van parkeerdruk voor alle bewoners van de wijk zwaarder wegen dan het individuele belang van eiser bij het behoud van enkele parkeerplaatsen en het uitzicht vanuit zijn woning. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat het college heeft gemotiveerd dat het gedogen van parkeren in de voortuin ertoe leidt dat de totale parkeerdruk in de wijk afneemt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zelf ook in de voortuin mag parkeren en dat uit het procesdossier volgt dat er in de straat van eiser voldoende alternatieve parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Eiser heeft niet onderbouwd waarom het parkeren in de voortuin tot meer hinder van zijn uitzicht leidt dan wanneer auto’s op de openbare parkeerplaats voor zijn woning staan. Mocht het parkeren in de voortuin al tot meer hinder leiden, dan is de rechtbank van oordeel dat dit individuele belang van eiser niet zwaarder weegt dan het door het college gewekte vertrouwen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat door het gewekte vertrouwen een algemeen belang wordt gediend, namelijk het verminderen van de parkeerdruk in de gehele wijk. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het college heeft mogen besluiten dat er geen zwaarwegende belangen zijn die in de weg staan aan honorering van het bij omwonenden gewekte vertrouwen.
14. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid
(het vertrouwensbeginsel) die rechtvaardigt dat door het college van handhavend optreden wordt afgezien. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college niet handhavend hoeft op te treden tegen bewoners van de wijk [naam wijk] die hun auto in de voortuin parkeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bestemmingsplan ‘Heerlerheide Zuid’.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 8 en verder.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4242, r.o. 10.1.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.4.