Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3865

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/03/23/178 F
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder a FwArt. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 1 onder c FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot omzetting faillissement naar schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende stabiliteit

De rechtbank Limburg behandelde het verzoek van de failliet om het faillissement op te heffen en tegelijkertijd toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Het faillissement was uitgesproken op eigen aangifte en er was nog geen verificatievergadering gehouden.

De rechtbank beoordeelde de drie cumulatieve criteria voor toelating tot de schuldsaneringsregeling: het niet kunnen betalen van schulden, te goeder trouw zijn bij het ontstaan van de schulden en het nakomen van de verplichtingen van de regeling. Hoewel werd aangenomen dat aan het eerste criterium was voldaan, was onvoldoende aannemelijk dat de schuldenaar te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van ruim €260.000 aan schulden. De schuldenaar deed een beroep op de hardheidsclausule en kon aantonen dat hij zijn gedrag had veranderd en een stabiele situatie had gecreëerd, waardoor dit criterium niet aan toelating in de weg stond.

Het derde criterium, het nakomen van de verplichtingen, vormde het struikelblok. De schuldenaar kampte met burn-outklachten en zat nog in de re-integratiefase, waardoor niet kon worden vastgesteld dat zijn problematiek beheersbaar en duurzaam was. Er ontbrak een beheersbaarheidsverklaring van een hulpverlener. Hoewel de schuldenaar tijdens het faillissement zijn verplichtingen had nagekomen, was onvoldoende zekerheid dat dit ook in de toekomst het geval zou zijn. Het beroep op de hardheidsclausule voor dit criterium slaagde niet, zodat het verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot omzetting faillissement naar schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende stabiele situatie voor nakoming verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling na faillissement
Toezicht / insolventies
insolventienummer: C/03/23/178 F
Vonnis van 14 april 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
woonadres: [woonplaats] , [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [KvK nummer] ,
verzoeker.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verzoekschrift strekt tot opheffing van het op 17 oktober 2023 uitgesproken faillissement van verzoeker en het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte.
1.3.
Ter behandeling van het verzoek op 26 maart 2026 zijn verschenen:
  • de heer [verzoeker] , verzoeker;
  • mr. J.P.M. Dexters, advocaat van verzoeker;
  • mevrouw [naam partner] , partner van verzoeker;
  • mr. [naam curator] curator;
  • mevrouw [naam kantoorgenoot] , kantoorgenoot van de curator.
1.4.
In het faillissement is nog geen verificatievergadering gehouden.

2.De beoordeling

2.1.
Een verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen indien (a.) voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, (b.) hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend te goeder trouw is geweest en (c.) hij zich aan de verplichtingen van de regeling zal houden en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. [1]
2.2.
De rechtbank heeft geen reden eraan te twijfelen dat aan de criteria onder a. is voldaan.
2.2.
Ten aanzien van het criterium onder b. is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de ruim € 260.000,- aan schulden die zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend te goeder trouw zijn aangegaan. In beginsel staat dit aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg. Dit is anders indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen; dit is de zogenoemde hardheidsclausule. [2]
2.3.
[verzoeker] doet een beroep op deze hardheidsclausule. Hij heeft geen eigen bedrijf meer en is volgens eigen zeggen ook niet meer van plan ooit nog voor zichzelf te beginnen. Het overgrote deel van de schulden, zo niet alle, zijn gemaakt in het kader van zijn eigen bedrijf. Hij is twee dagen na faillietverklaring fulltime in dienst getreden bij zijn huidige werkgever, waar hij een fulltime baan heeft. Hij heeft dus direct het heft in eigen handen genomen door fulltime in dienst te treden. Inmiddels voldoet hij dus al 2,5 jaar aan de arbeidsplicht zoals die geldt in de schuldsaneringsregeling. Hij heeft ook afgedragen conform het Vtlb. Aldus is voldoende aannemelijk dat [verzoeker] zijn gedrag wezenlijk heeft veranderd en qua schulden een stabiele situatie heeft gecreëerd die wezenlijk anders is dan de situatie waarin hij zich bevond op het moment dat hij niet te goeder trouw handelde bij het aangaan van die schulden. Het beroep op de hardheidsclausule wordt gehonoreerd. Criterium b. staat derhalve niet in de weg aan toelating tot de schuldsaneringsregeling.
2.4.
Problematischer is criterium c. [verzoeker] is afgelopen december is uitgevallen met burn-outklachten en zit nog altijd in de re-integratiefase (hij werkt momenteel zes uur per dag). Bij psychische klachten bepaalt het toepasselijke landelijke procesreglement [3] dat verzoeker in beginsel alleen wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, wat dient te worden bevestigd door een hulpverlener of hulpverlenende instantie. [4] Of de problemen beheersbaar zijn is niet te beoordelen, en wordt in ieder geval niet bevestigd in een zogenaamde beheersbaarheidsverklaring. De vraag is dan of hij zich aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zal kunnen houden. [verzoeker] voert aan dat hij ook na de einddatum van de huidige arbeidsovereenkomst (oktober 2026) bij zijn huidige werkgever kan blijven werken, aangezien deze werkgever een vroegere zakenrelatie betreft en zij elkaar dus al lange tijd kennen en met elkaar samenwerkten. Maar wat als hij een terugval krijgt of weer helemaal uitvalt? Dat dit een onaannemelijk scenario is, is – nu er geen beheersbaarheidsverklaring is overgelegd – onvoldoende aangetoond en de schuldsaneringsregeling is nadrukkelijk niet op hulpverlening gericht. [5] Dat hij aan de overige verplichtingen zal blijven voldoen (de informatieplicht, afdrachtplicht, meewerkplicht en de plicht om geen nieuwe schulden aan te gaan) is wel aannemelijk, want de curator heeft aangevoerd dat hij gedurende het faillissement al deze verplichtingen – ondanks zijn burn-out – is blijven nakomen. Dat doet er echter niet aan af dat onvoldoende is komen vast te staan dat de problematiek in voldoende mate beheersbaar is, laat staan dat voldoende is komen vast te staan dat die beheersbaarheid duurzaam is. Immers is de uitval recent en de re-integratie nog gaande. Aldus is niet voldaan aan criterium c.
2.5.
Ook ten aanzien van criterium c. bestaat de mogelijkheid om een beroep te doen op de hardheidsclausule, maar anders dan bij criterium b. slaagt dit beroep niet. Op dit punt kan immers niet worden geconcludeerd dat de problemen inmiddels zijn overwonnen en de situatie zodanig stabiel is dat de nakoming van de schuldsaneringsverplichtingen is gewaarborgd, zoals de wetgever heeft overwogen. [6] Om deze reden wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 in tegenwoordigheid van R.P.E.M. Hammes, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

Voetnoten

1.Artikel 288 lid 1 onder Pro a., b., en c van de Faillissementswet (Fw)
2.Artikel 288 lid 3 Fw Pro
3.Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken
4.Zie 7.3.3 van Bijlage III bij voornoemd procesregelement ‘Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling’
6.Kamerstukken II, 2021-2022, 359154, nr. 3 (Memorie van Toelichting), pagina 14.