De rechtbank Limburg behandelde het verzoek van de failliet om het faillissement op te heffen en tegelijkertijd toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Het faillissement was uitgesproken op eigen aangifte en er was nog geen verificatievergadering gehouden.
De rechtbank beoordeelde de drie cumulatieve criteria voor toelating tot de schuldsaneringsregeling: het niet kunnen betalen van schulden, te goeder trouw zijn bij het ontstaan van de schulden en het nakomen van de verplichtingen van de regeling. Hoewel werd aangenomen dat aan het eerste criterium was voldaan, was onvoldoende aannemelijk dat de schuldenaar te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van ruim €260.000 aan schulden. De schuldenaar deed een beroep op de hardheidsclausule en kon aantonen dat hij zijn gedrag had veranderd en een stabiele situatie had gecreëerd, waardoor dit criterium niet aan toelating in de weg stond.
Het derde criterium, het nakomen van de verplichtingen, vormde het struikelblok. De schuldenaar kampte met burn-outklachten en zat nog in de re-integratiefase, waardoor niet kon worden vastgesteld dat zijn problematiek beheersbaar en duurzaam was. Er ontbrak een beheersbaarheidsverklaring van een hulpverlener. Hoewel de schuldenaar tijdens het faillissement zijn verplichtingen had nagekomen, was onvoldoende zekerheid dat dit ook in de toekomst het geval zou zijn. Het beroep op de hardheidsclausule voor dit criterium slaagde niet, zodat het verzoek werd afgewezen.