Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3871

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
11998092 \ CV EXPL 25-5197
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 BWArt. 7:217 BWArt. 7:218 BWArt. 7:224 lid 1 BWArt. 7:224 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling achterstallige huur en gebruiksvergoeding na beëindiging huurovereenkomst

Huurders sloten een tijdelijke huurovereenkomst voor woonruimte met een overeengekomen huurprijs. Zij onderhandelden over een huurverlaging onder de opschortende voorwaarde dat zij een procedure bij de Huurcommissie zouden intrekken. Deze voorwaarde werd niet vervuld, waardoor de oorspronkelijke huurprijs bleef gelden.

Na beëindiging van de huurovereenkomst leverden huurders de sleutel te laat in, waardoor zij het gehuurde onrechtmatig onder zich hielden en een gebruiksvergoeding verschuldigd zijn. De verhuurder vorderde daarnaast een boete op grond van algemene voorwaarden, maar deze werd afgewezen omdat de verhuurder als professionele partij geen beroep kon doen op het boetebeding.

De verhuurder vorderde ook herstelkosten wegens achtergelaten afval, maar kon het tegenbewijs niet leveren dat de schade niet al bij aanvang aanwezig was. Daarom werden alleen redelijke opruimkosten toegewezen. De wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten werden eveneens toegewezen, waarbij de incassokosten werden gematigd naar het toepasselijke wettelijke tarief.

Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, gebruiksvergoeding en opruimkosten, boete wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11998092 \ CV EXPL 25-5197
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. Bogaart,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
beiden te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en gezamenlijk [gedaagden] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het verwijzingsvonnis van de kantonrechter te Groningen
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- producties 13 tot en met 39 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 11 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- het productieoverzicht van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagden] huurden van [eiser] met ingang van 1 augustus 2023 de woonruimte aan [adres] (hierna: het gehuurde). Het betrof een tijdelijke huurovereenkomst voor de duur van 18 maanden. In de huurovereenkomst is een maandelijkse huurprijs van in totaal € 1.378,30 (€ 1.135,70 aan kale huur, € 162,60 aan voorschot elektriciteit en water en € 80,00 aan servicekosten) opgenomen.
2.2.
In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
11.2For each violation of an obligation under this tenancy agreement and the associatec general provisions, to the extent not already listed in article 11.1 above, the tenant will forfeit to the landlord an immediately payable penalty in the amount of EUR 25 per calendar day, subject to a maximum of EUR 500, without prejudice to his obligation still to perform such obligation, and without prejudice to the landlord’s right to claim (additional) damages. If the landlord is a professional party, this article 11.2 will not apply.”
2.3.
Bij aanvang van de huurovereenkomst is geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt.
2.4.
[gedaagden] hebben op 21 november 2023 een verzoek ingediend bij de Huurcommissie om de aanvangshuurprijs te laten toetsen.
2.5.
Partijen hebben in januari 2024 meermaals per e-mail onderhandeld over de huurprijs.
2.6.
De Huurcommissie heeft op 26 juli 2024 uitspraak gedaan en in die uitspraak is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“(…)
Overeengekomen huurprijs
De huurovereenkomst is ingegaan op 1 augustus 2023 tegen een huurprijs van € 1.135,70 per maand. Deze huurprijs is hoger dan de op dat moment geldende liberalisatiegrens van € 808,06 per maand.”
(…)
De Huurcommissie stelt dat de maximaal redelijke huurprijs van de woning per 1 augustus 2023 ligt boven de maximale huurprijsgrens € 834,30 per maand. Een kopie van de gewijzigde puntentelling door de hogere WOZ-waarde is ij deze beslissing gevoegd.
De huurprijs is dus geliberaliseerd. Dit betekent dat de Huurcommissie niet de huurprijs van de woonruimte mag vaststellen, de huurder en verhuurder hebben de vrijheid om zelf een huurprijs overeen te komen. De overeengekomen huurprijs wijzigt dus niet.
(…)
Beslissing
  • Partijen sloten een huurovereenkomst met een geliberaliseerde huurprijs.
  • De met ingang van 1 augustus 2023 overeengekomen huurprijs van € 1.135,70 per maand wijzigt niet.
2.7.
[gedaagden] hebben de huurovereenkomst per 1 september 2024, met wederzijds goedvinden, beëindigd.
2.8.
[gedaagden] hebben het gehuurde omstreeks 7 augustus 2024 verlaten. [gedaagden] hebben de sleutel van het gehuurde op 19 september 2024 bij [eiser] ingeleverd.
2.9.
De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagden] bij brief van 31 maart 2025 aangemaand tot betaling van een bedrag van € 8.361,00 (€ 3.314,12 aan achterstallige huurpenningen, € 500,00 aan boete, € 864,54 aan gebruiksvergoeding en € 3.682,34 aan kosten herstelwerkzaamheden en daarbij de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 959,59 aangezegd.
2.10.
[gedaagden] zijn niet overgegaan tot betaling van enig bedrag aan [eiser] .

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 8.361,00 (€ 3.314,12 aan achterstallige huur, € 500,00 aan boete, een gebruiksvergoeding ter hoogte van € 864,54 en herstelkosten van € 3.682,34), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van verschuldigdheid van de bedragen, de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 959,59 en de proceskosten, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagden] hebben een betalingsachterstand in de huurpenningen laten ontstaan. Partijen zijn per e-mail overeengekomen dat de kale huurprijs per 1 februari 2024 niet meer € 1.135,70, maar € 970,00 zou bedragen, mits [gedaagden] de procedure bij de Huurcommissie zouden intrekken. [eiser] is omstreeks 6 juni 2024 middels een brief van de Huurcommissie erachter gekomen dat [gedaagden] de procedure niet hebben ingetrokken. [gedaagden] zijn dan ook in gebreke gebleven met de nakoming van een van de aan de tussen partijen overeengekomen huurverlaging gebonden voorwaarden. Daarom zijn [gedaagden] de oorspronkelijke totale huurprijs van € 1.378,30 en niet € 1.212,60 per maand verschuldigd aan [eiser] . [gedaagden] hebben dan ook te weinig huur betaald. Vanwege het deels niet betalen van de huurpenningen zijn [gedaagden] op grond van artikel 11.2 van de huurovereenkomst de gemaximeerde boete van € 500,00 verschuldigd. Daarnaast hebben [gedaagden] één sleutel (er waren aanvankelijk twee sleutels en een brievenbussleutel) van het gehuurde pas op 19 september 2024 ingeleverd. [gedaagden] hadden tot die datum nog steeds de mogelijkheid om zich na afloop van de huurovereenkomst toegang te verschaffen tot het gehuurde en daarom zijn zij een gebruiksvergoeding verschuldigd. [gedaagden] zijn tevens de kosten ten aanzien van herstelwerkzaamheden aan het gehuurde verschuldigd op grond van het volgende. [gedaagden] hebben zich niet als goed huurders gedragen. [gedaagden] dienden het gehuurde feitelijk te gebruiken en toe te zien op het gebruik en (vooral ook) het behoud van het gehuurde. Het onverhoedse vertrek van [gedaagden] heeft een kraak met zich gebracht waardoor het gehuurde vervuild is. [gedaagden] waren niet aanwezig bij de geplande inspectie op 28 augustus 2024. Nu tussen partijen geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt, worden [gedaagden] verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen, zoals deze bij het einde van de huurovereenkomst is. Dit betekent echter niet dat [gedaagden] bij het ontbreken van een beschrijving in het geheel niets meer hoeven te doen. [gedaagden] dienden het gehuurde in een zodanige staat op te leveren, dat daaraan geen kleine herstellingen in de zin van artikel 7:217 BW Pro (meer) moesten worden verricht. Daarnaast zijn [gedaagden] verplicht de schade aan het gehuurde te vergoeden waarvoor zij op grond van artikel 7:218 BW Pro aansprakelijk zijn.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagden] voeren het volgende aan. Ten aanzien van de gevorderde huurpenningen stellen [gedaagden] zich op het standpunt dat partijen een kale huurprijs van € 970,00 per maand mét terugwerkende kracht per 1 augustus 2023 zijn overeengekomen. [gedaagden] hebben zich aan deze afspraak gehouden en deze huurprijs betaald. [gedaagden] hadden maar één sleutel in hun bezit. [gedaagden] hebben deze sleutel niet tijdig kunnen inleveren door het toedoen van [eiser] . Ten aanzien van de herstelkosten voeren [gedaagden] aan dat bij aanvang van de huurovereenkomst al sprake van was gebreken in het gehuurde. [gedaagden] betwisten dat zij het gehuurde met ernstige gebreken hebben verlaten. [gedaagden] hebben het gehuurde op 7 augustus 2024 noodgedwongen verlaten omdat zij geen beschikking meer hadden tot het gehuurde zoals men op grond van de huurovereenkomst mag verwachten. [eiser] heeft namelijk op 3 augustus 2024 het gehuurde afgesloten van water en elektriciteit. Op grond van artikel 7:224 lid 2 BW Pro moet de verhuurder, om succesvol schade op de huurder te kunnen verhalen, aantonen dat de schade niet al aanwezig was bij aanvang van de huur. De bewijslast ligt dus bij [eiser] . Nu er geen uitgebreide beschrijving van de staat van de woning bij aanvang huurovereenkomst aanwezig is, kan [eiser] niet slagen in deze bewijslast. [gedaagden] betwisten ook dat zij op juiste wijze in gebreke zijn gesteld voor de vermeende schade.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Achterstallige huur
4.1.
Partijen hebben onderlinge e-mailcorrespondentie overgelegd en uit die correspondentie volgt dat partijen over en weer onderhandeld hebben over een huurprijsverlaging. Tussen partijen bestaan verschillende zienswijzen met betrekking tot hetgeen zij uiteindelijk zijn overeengekomen. Volgens [eiser] zijn partijen op 17 januari 2024 een kale huurprijs overeengekomen van € 970,00 per maand per 1 februari 2024, dus zonder terugwerkende kracht. Volgens [gedaagden] zijn partijen een kale huurprijs van € 970,00 per maand overeengekomen, mét terugwerkende kracht per 1 augustus 2023.
4.2.
Het is voor de kantonrechter niet duidelijk in welke e-mail partijen finale overeenstemming zouden hebben bereikt. Het is echter niet in het geschil dat partijen zonder meer zijn overeengekomen dat [gedaagden] de procedure bij de Huurcommissie zouden intrekken. Het intrekken van die procedure was voor [eiser] immers dé aanleiding om in onderhandeling te treden met [gedaagden] . De huurprijsverlaging zou dus in werking treden, daargelaten tegen welke ingangsdatum, mits [gedaagden] de procedure bij de Huurcommissie zouden intrekken. Dit was dan ook een belangrijk onderdeel van de overeenkomst. Vast staat dat [gedaagden] de procedure niet hebben ingetrokken. Ter mondelinge behandeling hebben [gedaagden] toegelicht dat zij de procedure niet hebben ingetrokken omdat zij dachten dat ze er wellicht samen uit konden komen en het dus even wilden aankijken. [gedaagden] hebben ter mondelinge behandeling nog het standpunt ingenomen dat de vordering tot betaling van de huurpenningen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat [eiser] de lagere huurprijs meerdere maanden zonder protest ontvangen heeft. Daarmee heeft [eiser] het vertrouwen gewekt dat de afspraken definitief waren. Dit verweer slaagt niet. In de eerste plaats heeft [eiser] wél (op februari 2024) geprotesteerd over de huurbetalingen door [gedaagden] . In de tweede plaats lag het op de weg van [gedaagden] om de procedure bij de huurcommissie in te trekken. Dat zij dat niet hadden gedaan, is pas later bij [eiser] bekend geworden. Dit kan nu niet aan [eiser] worden tegengeworpen.
4.3.
Op grond van het voorgaande is er sprake van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde dat [gedaagden] de procedure bij de Huurcommissie zouden intrekken. Overeenkomstig artikel 6:22 BW Pro treedt de verbintenis pas in werking zodra de voorwaarde is vervuld. Nu de voorwaarde niet vervuld is, is de verbintenis ook niet ingetreden. Dit betekent dat geen huurprijsverlaging is overeengekomen. De kantonrechter volgt dan ook het standpunt van [eiser] dat [gedaagden] de aanvangshuurprijs verschuldigd zijn (maandelijks in totaal € 1.378,30). Volgens [eiser] zijn [gedaagden] gelet op de tussen partijen overeengekomen jaarlijkse huurprijsindexering per 1 juli 2024 een maandelijkse huurprijs van in totaal € 1.440,76 verschuldigd. Volgens [eiser] hebben [gedaagden] over de periode februari 2024 tot en met augustus 2024 een totaalbedrag van € 6.458,90 aan huurpenningen betaald. Op grond van het voorgaande hadden [gedaagden] eigenlijk € 9.773,02 (5 x € 1.378,30 + 2 x € 1.440,76) moeten betalen. Dit betekent dat [gedaagden] € 3.314,12 te weinig betaald hebben aan [eiser] . De hoogte van deze bedragen zijn niet betwist door [gedaagden] . Het gevorderde bedrag aan achterstallige huur is daarom toewijsbaar.
Boete
4.4.
[eiser] vordert op grond van artikel 11.2 van de huurovereenkomst de gemaximeerde boete van € 500,00. [gedaagden] hebben geen verweer gevoerd tegen deze boete.
[gedaagden] zijn consumenten. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’), als een consument een overeenkomst sluit met een “handelaar”, dat wil zeggen een persoon die (of een bedrijf dat) handelt in de uitvoering van zijn of haar beroep of bedrijf.
[eiser] stelt dat dat laatste niet zo is: hij voert aan dat hij als particulier heeft gehandeld en niet is aan te merken als “handelaar”. De kantonrechter passeert dat standpunt. Voor de beantwoording van de vraag of [eiser] als professionele verhuurder (handelend in beroep of bedrijf) heeft gehandeld is (onder meer) van belang of [eiser] meerdere woningen verhuurt en of sprake is van een winstoogmerk. Ter mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij in het pand aan [straat] in totaal negen woningen verhuurt. Dat [eiser] dit doet met een ander oogmerk dan het behalen van winst is niet gebleken. De kantonrechter merkt [eiser] dan ook aan als professionele verhuurder. Dat betekent dat zij de bedingen waarop [eiser] zich beroept ambtshalve dient te toetsen.
In voornoemd artikel is in de laatste zin opgenomen dat artikel 11.2 niet van toepassing is indien de verhuurder een professionele partij is. Dit betekent dat [eiser] geen beroep kan doen op het boetebeding van artikel 11.2 van de huurovereenkomst. De gevorderde boete wordt dus afgewezen.
Gebruiksvergoeding
4.5.
[eiser] vordert een gebruiksvergoeding aangezien [gedaagden] de sleutel van het gehuurde pas op 19 september 2024 hebben ingeleverd, terwijl de huurovereenkomst was beëindigd per 1 september 2024. [gedaagden] hebben daarmee het gehuurde onrechtmatig onder zich gehouden en [eiser] vordert daarom een gebruiksvergoeding op grond van artikel 7:225 BW Pro ter hoogte van € 864,54 (€ 1.440,76 : 30 = € 48,03 per dag x 18). [eiser] is op 28 augustus 2024 in het gehuurde geweest voor een inspectie. [gedaagden] waren daarbij niet aanwezig. Volgens [eiser] was de voordeur van het gehuurde niet dicht. Om de schade zoveel mogelijk te beperken stelt [eiser] een klein ijzerdraadje in het slot te hebben aangebracht, zodat de sleutel er niet meer in kon. Het betreffende draadje zou op 2 september 2024 weer verwijderd zijn door [eiser] . Op 18 september 2024 heeft [eiser] het slot laten vervangen en op 19 september is een nieuwe huurder in het gehuurde gekomen. [eiser] heeft het voorgaande per e-mail van 24 september 2024 medegedeeld aan [gedaagden]
4.6.
[gedaagden] stellen zich op het volgende standpunt. [gedaagden] wilden de sleutel door een derde bij [eiser] laten inleveren, maar [eiser] ging daarmee niet akkoord. Op 31 augustus 2024 wilde die derde de sleutel achterlaten in de woning, maar hij constateerde dat de sleutel niet meer in het slot paste.
4.7.
Vast staat dat [gedaagden] de sleutel pas op 19 september 2024, dus te laat, hebben ingeleverd. In het geschil is of [gedaagden] over de periode vanaf 1 september 2024 tot 19 september 2024 een gebruiksvergoeding verschuldigd zijn.
4.8.
Op grond van artikel 7:224 lid 1 BW Pro is de huurder verplicht om het gehuurde na het einde van de huurovereenkomst ter beschikking van de verhuurder de stellen. In artikel 7:225 lid 1 BW Pro is bepaald dat indien de huurder na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt, de verhuurder over de tijd dat hij het gehuurde mist een vergoeding kan vorderen gelijk aan de huurprijs.
4.9.
Op 28 augustus 2024 is er namens [gedaagden] niemand verschenen bij de oplevering van de woning. Uit de gewisselde e-mails blijkt dat [gedaagden] iemand hadden willen machtigen om namens hen daarbij aanwezig te zijn, maar dat [eiser] dat – zonder enige gegronde reden – heeft geweigerd. Dat neemt niet weg dat [gedaagden] vóór 1 september 2024 de sleutels hadden moeten inleveren. Vast staat dat [gedaagden] , ondanks herhaaldelijk verzoek van [eiser] , niet hebben voldaan aan deze verplichting. Zij stellen wel dat iemand anders op hun verzoek op 31 augustus 2024 heeft geprobeerd het gehuurde te betreden om daar de sleutel achter te laten, maar de dat die persoon de deur niet open kreeg, maar die stelling acht de kantonrechter niet relevant. [gedaagden] konden de sleutel ofwel afleveren op het kantoor van [eiser] , ofwel opsturen per post. Dat hebben ze niet gedaan. Zij hebben dus het gehuurde niet op de einddatum van de huurovereenkomst weer ter beschikking gesteld van [eiser] en dus niet voldaan aan hun verplichting ex artikel 7:224 lid 1 BW Pro.
4.10.
De vraag is of [gedaagden] het gehuurde vanaf 1 september 2024 onrechtmatig onder zich hielden, nu zij zelf ook geen toegang meer hadden tot het gehuurde, omdat [eiser] het slot had ‘vergrendeld’ met een ijzerdraadje. De kantonrechter is echter van oordeel dat uit het feit dat [gedaagden] aan het einde van de huurovereenkomst niet het vrije, exclusieve gebruik aan [eiser] hebben teruggegeven, reeds volgt dat zij het gehuurde onrechtmatig onder zich hebben gehouden. Dat zij zelf ook geen toegang meer hadden (of dachten te hebben) tot het gehuurde, maat dat niet anders [1] . [eiser] maakt dan ook terecht aanspraak op de gevorderde gebruiksvergoeding als bedoeld in artikel 7:225 lid 1 BW Pro. Het gevorderde bedrag van € 864,54 is toewijsbaar.
4.11.
De kantonrechter laat het geschil met betrekking tot de hoeveelheid sleutels van het gehuurde onbesproken omdat [eiser] geen rechtsgevolg heeft verbonden aan het al dan niet inleveren van
allesleutels en dit geschil verder niet relevant is met betrekking tot de gevorderde gebruiksvergoeding over de desbetreffende periode.
Herstelkosten
4.12.
De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 7:224 lid 2 BW Pro is bepaald dat als er tussen huurder en verhuurder een beschrijving van het gehuurde is opgemaakt, de huurder gehouden is om de zaak in dezelfde staat op te leveren als waarin deze volgens de beschrijving is aanvaard, met uitzondering van geoorloofde veranderingen en toevoeging en hetgeen dat door ouderdom teniet is gegaan of is beschadigd. Als er géén beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, behoudens tegenbewijs, verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst.
4.13.
Bij aanvang van de huurovereenkomst is geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt. [gedaagden] worden dan ook verondersteld het gehuurde in de oorspronkelijke staat te hebben opgeleverd en op [eiser] rust het bewijs van het tegendeel. [eiser] stelt dat bij aanvang de staat van het gehuurde precies zo was zoals geadverteerd en [eiser] heeft advertentiefoto’s in het geding gebracht. [gedaagden] betwisten dat de gestelde gebreken door hun toedoen zijn ontstaan. Bij aanvang van de huurovereenkomst betrof het gehuurde ook niet in een goede staat en dit hebben zij ook meteen per e-mail medegedeeld aan [eiser] . Na vertrek op 7 augustus 2024 hebben [gedaagden] het gehuurde afgesloten en bevonden zich enkel gordijnen, een bedframe en een klein lampje in het gehuurde. Voor [gedaagden] is het een onverklaarbare situatie dat zich een kraker in het gehuurde zou hebben bevonden die afval heeft achtergelaten.
4.14.
De kantonrechter overweegt als volgt. [eiser] heeft advertentiefoto’s in het geding gebracht, maar dit betreft geen tussen huurder en verhuurder opgemaakte beschrijving overeenkomstig artikel 7:224 lid 2 BW Pro. [eiser] heeft het tegenbewijs zoals genoemd in dit artikel niet geleverd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [gedaagden] het gehuurde correct, dat wil zeggen in de staat zoals zij deze verondersteld worden te hebben ontvangen, hebben opgeleverd.
4.15.
Op de door [eiser] overgelegde foto’s is wel te zien dat er in het gehuurde afval is achtergelaten. Ook [gedaagden] geven toe dat zij de woning niet geheel leeg hebben achtergelaten. Dat [eiser] voor het opruimen van de woning enige kosten heeft moeten maken, staat daarmee voor de kantonrechter voldoende vast. Blijkens productie 8 bij de dagvaarding heeft [eiser] deze kosten begroot op een bedrag van € 108,00. Dat bedrag acht de kantonrechter redelijk. Dit bedrag zal worden toegewezen. De overige gevorderde herstelkosten worden afgewezen.
Afsluiten elektriciteit en water door [eiser] ?
4.16.
Het is de kantonrechter ter mondelinge behandeling gebleken dat het geschil ten aanzien van de gestelde gebreken en het al dan niet afsluiten van de elektriciteit en het water in het gehuurde belangrijke twistpunten zijn voor partijen. De kantonrechter acht de stellingen van partijen ten aanzien van deze twistpunten, zoals ook is medegedeeld ter mondelinge behandeling, echter niet relevant voor de beoordeling van het onderhavige geschil en de stellingen van partijen daaromtrent blijven daarom verder onbesproken.
Wettelijke rente
4.17.
[eiser] vordert de wettelijke rente over de hoofdsommen vanaf het moment van verschuldigdheid van die hoofdsommen. Op grond van het voorgaande wordt een bedrag van € 3.314,12 aan achterstallige huur, € 864,54 aan gebruiksvergoeding en € 108,00 aan opruimkosten toegewezen. [gedaagden] hebben geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen. [eiser] heeft niet nader gespecificeerd vanaf welke datum hij de wettelijke rente vordert. Bovendien is de wettelijke rente pas verschuldigd vanaf de datum dat het verzuim is ingetreden en niet vanaf de datum waarop een betaling verschuldigd wordt. Over de verzuimdata heeft [eiser] evenmin iets aangevoerd. Op 31 maart 2025 heeft [eiser] een brief aan [gedaagden] gestuurd waarin hij een laatste betalingstermijn heeft gegund van vijftien dagen. In die brief is ook vermeld dat na die termijn aanspraak wordt gemaakt op wettelijke rente. Naar het oordeel van de kantonrechter is het verzuim in ieder geval ingetreden op 15 april 2025. De wettelijke rente zal vanaf die datum worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.18.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 959,59. De kantonrechter stelt vast dat de toepasselijke algemene voorwaarden een beding bevatten op grond waarvan [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat dit beding niet oneerlijk is. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagden] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Nu een substantieel deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW Pro) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het totaal toegewezen bedrag (€ 4.286,66). Dit leidt ertoe dat aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag wordt toegewezen van € 669,94.
Proceskosten
4.19.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.286,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover, vanaf het moment 15 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 669,94 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis, met uitzondering van 5.3., uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Zie voor een vergelijkbare casus: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6522