Uitspraak
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
- de memorie na enquête, met producties 11 en 12
- de antwoordmemorie na enquête
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over de huur van een bedrijfspand waarbij de huurder vanaf 1 december 2022 geen huur meer betaalde. Het hof bevestigde dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd per 1 december 2022, maar dat de huurder het pand niet aan de verhuurder ter beschikking had gesteld doordat de sleutels niet waren ingeleverd.
De verhuurder voerde aan dat de huurder de sleutels op 5 december 2022 had meegenomen en niet had teruggegeven, terwijl de huurder en haar partner verklaarden dat de sleutels die dag in de brievenbus van het pand waren achtergelaten. Het hof vond het bewijs van de verhuurder onvoldoende om te stellen dat de sleutels niet waren achtergelaten. Wel was vastgesteld dat de huurder niet had meegedeeld dat de sleutels in de brievenbus waren gedeponeerd, waardoor de verhuurder niet wist dat hij weer over het pand kon beschikken.
Het hof oordeelde dat de huurder het pand onrechtmatig onder zich hield in de zin van artikel 7:225 BW Pro en veroordeelde tot betaling van een gebruiksvergoeding over de periode van 1 december 2022 tot en met 7 juni 2023, de datum waarop de verhuurder wist dat de sleutels in de brievenbus lagen. Daarnaast werden wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De overige vorderingen werden afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen kosten.
Uitkomst: De huurder is veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding over 1 december 2022 tot 7 juni 2023 wegens het niet tijdig teruggeven van de sleutels.