ECLI:NL:RBLIM:2026:4010
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om schorsing via een voorlopige voorziening. De burgemeester sloot de woning na een politieonderzoek waarbij onder meer een vuurwapen en aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs werden aangetroffen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat hij de woning feitelijk al had verlaten en de huurovereenkomst binnenkort zou eindigen. Hierdoor kon verzoeker zonder onevenredig nadeel wachten op de beslissing op bezwaar. Daarnaast werd het besluit niet als evident onrechtmatig beoordeeld. Verzoeker stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, maar de rechter stelde dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in bestuursrechtelijke procedures niet per definitie verboden is, tenzij het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is.
De rechter vond dat de bestuurlijke rapportage betrouwbaar was en dat de burgemeester terecht op deze rapportage mocht vertrouwen. De grieven van verzoeker kunnen in de bezwaarprocedure worden behandeld. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waardoor de burgemeester de woning mag sluiten. Er werd geen proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen, waardoor de burgemeester de woning mag sluiten.