202305102/1/A3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Tiel,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 juli 2023 in zaak nr. 23/4008 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Tiel.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2023 heeft de burgemeester aan [appellante] een last onder bestuursdwang opgelegd.
Bij besluit van 7 juni 2023 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. S.T. Blom, advocaat in Amsterdam, en de burgemeester van Tiel, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat in Rotterdam, vergezeld door W.J.M. Driessen en S.J.A. Rooijendijk, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellante] exploiteert een coffeeshop, genaamd [coffeeshop], aan de [locatie] in Tiel.
3. Met het besluit van 2 februari 2023 heeft de burgemeester aan [appellante], gelet op artikel 125 van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet en het Coffeeshopbeleid gemeente Tiel 2015 (hierna: Coffeeshopbeleid), een last onder bestuursdwang opgelegd, die inhoudt dat [appellante] de coffeeshop gedurende anderhalve maand gesloten moet houden. Volgens de burgemeester heeft [appellante] het G-criterium van de zogenoemde AHOJGI-criteria uit het Coffeeshopbeleid overtreden. Dit criterium houdt onder meer in dat de handelsvoorraad niet meer mag zijn dan 500 gram. De burgemeester heeft zich voor de vaststelling van de overtreding gebaseerd op de bestuurlijke rapportage van 31 augustus 2022 die de burgemeester van de politie heeft ontvangen.
Uit de bestuurlijke rapportage kan worden opgemaakt dat de politie op 29 juni 2022 een onderzoek is gestart naar het voertuig van de persoon die bij de politie ambtshalve bekend is als de eigenaar van de coffeeshop. Voorafgaand aan de controle van het voertuig heeft de politie een ander verdacht voertuig in de nabijheid van het voertuig van de eigenaar van de coffeeshop gezien. De politie heeft vervolgens besloten om dit verdachte voertuig op te wachten bij de coffeeshop. Aldaar heeft de politie waargenomen dat een werknemer van de coffeeshop met een grote bigshopper in zijn hand de coffeeshop verliet en deze bigshopper vervolgens in een voertuig plaatste. Bij controle van de bigshopper door de politie bleek dat zich daarin in totaal 340 gram softdrugs bevond. Vervolgens heeft de politie met toestemming van de officier van justitie de coffeeshop, , de bovenliggende woning en de aan de achterzijde gelegen garage doorzocht. In de coffeeshop heeft de politie 463,4 gram aan softdrugs aangetroffen. Samen met de softdrugs in de bigshopper is dat 803,4 gram. In de woonruimte boven de coffeeshop en in de aangrenzende garage heeft de politie in totaal 909,86 gram aan softdrugs aangetroffen. Ook heeft de politie vastgesteld dat beide ruimten in verbinding staan met, en in gebruik zijn voor, de exploitatie van de coffeeshop. Volgens de burgemeester betekent het voorgaande dat bij de coffeeshop in totaal een handelsvoorraad softdrugs van 1.713,26 gram is aangetroffen.
De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs ruim driemaal groter is dan de hoeveelheid die volgens het Coffeeshopbeleid is toegestaan. Volgens de burgemeester is dit de tweede overtreding van het G-criterium van de AHOJGI-criteria van [appellante]. Bij de eerste overtreding op 11 september 2021 heeft de politie bij de coffeeshop een handelsvoorraad van 924,6 gram aangetroffen. Voor deze eerdere overtreding heeft [appellante] een waarschuwing gekregen. Gelet daarop, heeft de burgemeester het noodzakelijk en evenredig gevonden om tot een tijdelijke sluiting van de coffeeshop over te gaan. Vanwege het tijdsverloop tussen de geconstateerde overtreding en het besluit van 2 februari 2023, heeft de burgemeester in afwijking van zijn Coffeeshopbeleid besloten tot een sluiting van anderhalve maand, in plaats van drie maanden.
4. Met het besluit van 7 juni 2023 heeft de burgemeester zijn besluit van 2 februari 2023 gehandhaafd. De sluiting is ingegaan op 20 juli 2023, 9:00 uur, en geëindigd op 30 augustus 2023, 9:00 uur.
Hoger beroep
Bevoegdheid
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting van de coffeeshop. In de kern heeft zij daarvoor twee redenen.
De eerste reden is dat de burgemeester zich volgens [appellante] niet mocht baseren op de bestuurlijke rapportage, omdat er gegronde reden is om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud daarvan. Volgens [appellante] volgt dit allereerst uit het feit dat de bestuurlijke rapportage meer dan twee maanden na het onderzoek is opgesteld. Daarnaast is het bewijs verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het buiten beschouwing dient te blijven. Volgens [appellante] was sprake van een bewuste jacht naar de bevoorrading van de coffeeshop, zodat het onderzoeken en doorzoeken van de coffeeshop niet kan worden gerechtvaardigd. Ook betwist [appellante] de wijze waarop de hoeveelheid aangetroffen softdrugs is gewogen en berekend. Uit de bestuurlijke rapportage volgt namelijk niet dat een juiste meetmethode, met geijkte meetapparatuur is gehanteerd. Bovendien is daarbij ten onrechte uitgegaan van het brutogewicht. De burgemeester had dan ook niet zonder meer mogen varen op de inhoud van de bestuurlijke rapportage, aldus [appellante].
De tweede reden is dat volgens [appellante] geen sprake is van een overtreding van het G-criterium. Het handelen van de persoon met de bigshopper moet worden gezien als een bevoorradingsmoment. De softdrugs in de bigshopper waren dus geen handelsvoorraad, maar werden na het bevoorraden naar een auto gebracht om naar een externe locatie te brengen. Voor de bovenwoning en de garage geldt dat dit afgescheiden ruimtes zijn, die niet in directe verbinding staan met de coffeeshop. De burgemeester heeft daarom de softdrugs in de bigshopper, de woning en de garage niet redelijkerwijs tot de handelsvoorraad kunnen rekenen. In de coffeeshop zelf is maar 463,4 gram softdrugs aangetroffen. Dat is minder dan de gedoogde 500 gram, zodat geen sprake is van een overtreding, aldus [appellante].
Bevoegdheid: mocht de burgemeester zich baseren op de bestuurlijke rapportage?
6. De bestuurlijke rapportage is naar waarheid opgemaakt op basis van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen. De burgemeester mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen die daarin zijn neergelegd. Als die bevindingen worden betwist, zal hij moeten onderzoeken of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3817. 6.1. In het midden kan blijven of in dit geval sprake is van bewijs dat in strafrechtelijke zin onrechtmatig is verkregen. Zo dat al zo zou zijn betekent dat namelijk niet dat het gebruik van dat bewijs in een bestuursrechtelijke procedure zonder meer niet is toegestaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van de Afdeling 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3078), bestaat geen rechtsregel die ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. In het bestuursrechtelijke geding is zodanig bewijs slechts dan niet toegestaan, indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. 6.2. Het is de Afdeling niet gebleken dat dit hier het geval is. De bestuurlijke rapportage is naar waarheid opgemaakt op basis van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen door een operationeel expert bij de politie. Het is de Afdeling niet gebleken dat zich hierbij onrechtmatigheden hebben voorgedaan. Zoals onder 3 is overwogen, zijn de feiten die hebben geleid tot het binnentreden van de coffeeshop in de bestuurlijke rapportage beschreven. De stelling dat het er volgens [appellante] op lijkt dat het ging om een bewuste jacht naar de bevoorrading van de coffeeshop, wat daarvan ook zij, doet niet af aan de beschrijving van de feiten in de bestuurlijke rapportage. Daar komt bij dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2614) dat coffeeshophouders geacht worden bekend te zijn met de achterdeurproblematiek en zij daarmee rekening dienen te houden bij de exploitatie van hun coffeeshop. De met het gedoogbeleid van coffeeshops samenhangende achterdeurproblematiek brengt niet noodzakelijkerwijs met zich dat de burgemeester in zijn beleid de bevoorrading van coffeeshops met softdrugs ook zou moeten gedogen. De burgmeester kan dus ook toezien op de bevoorrading van coffeeshops. In wat [appellante] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van de rapportage te twijfelen. Wat betreft de meetmethode en gebruik van geijkte meetapparatuur, overweegt de Afdeling dat de burgemeester terecht is uitgegaan van de gegevens in de bestuurlijke rapportage. Het verschil met de toegestane hoeveelheid softdrugs is bovendien dermate groot, dat zelfs als de ijking zou zijn verlopen, dit geen invloed kan hebben gehad op het vaststellen van een overtreding. Bevoegdheid: is sprake van een overtreding van de Opiumwet?
6.3. Niet in geschil is dat in de voor het publiek toegankelijke verkoopruimte van de coffeeshop verdovende middelen, vermeld in lijst II van de Opiumwet werden verkocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in bijvoorbeeld de uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:486), doet zich daarmee een situatie voor als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor en is de burgemeester in beginsel bevoegd om bestuursdwang toe te passen. Het met betrekking tot coffeeshops gevoerde gedoogbeleid doet aan het bestaan van deze bevoegdheid niet af. Zulk beleid brengt slechts met zich dat toepassing van die bevoegdheid in een concreet geval, waarbij de gedoogcriteria worden nageleefd, onredelijk kan zijn en daarom achterwege moet blijven. 6.4. De burgemeester was dan ook bevoegd om de coffeeshop te sluiten. De vraag of de burgemeester dat in dit concrete geval ook heeft mogen doen, komt hierna aan de orde.
De toepassing van de bevoegdheid: handelsvoorraad
6.5. Het criterium van het Coffeeshopbeleid dat volgens de burgemeester in dit geval is overtreden, is het zogenaamde G-criterium en luidt:
"Geen verkoop van Grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder transactie wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper. Ook geen aanwezigheid van grote hoeveelheden in voorraad (G). De handelsvoorraad mag niet meer zijn dan 500 gram*."
6.6. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:BP7161, kan voor de toepassing van beleid betreffende de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet, relevantie toekomen aan het feit dat er een directe relatie bestaat tussen de coffeeshop en drugs die zijn aangetroffen in andere lokalen dan bedoeld in dat artikel. In dat licht is niet onredelijk dat de burgemeester met het oog op het G-criterium niet slechts de in de openbare verkoopruimte van een coffeeshop aanwezige drugs in aanmerking neemt, maar ook de elders aanwezige drugs die kennelijk voor verkoop in deze coffeeshop bestemd zijn en derhalve redelijkerwijs kunnen worden geacht te behoren tot de handelsvoorraad van deze coffeeshop.
6.7. Niet in geschil is dat de in de boven de coffeeshop gelegen woning en in de garage aangetroffen drugs waren bedoeld om al dan niet op een later moment in de coffeeshop te verkopen. Dit heeft [appellante] tijdens de zitting van de Afdeling desgevraagd bevestigd. Er was bovendien ook een functioneel verband met de coffeeshop. In de woning bevond zich de afzuiginstallatie van de coffeeshop, en de toegangsdeur van de garage werd bediend met een in de coffeeshop aangetroffen afstandsbediening. De Afdeling is van oordeel dat daarmee een directe relatie bestaat tussen de coffeeshop en de drugs die zijn gevonden in de garage en de woning en dat de daar aangetroffen drugs redelijkerwijs kunnen worden gerekend tot de handelsvoorraad van de coffeeshop. Datzelfde geldt voor de drugs in de bigshopper, zelfs als het ging om een bevoorradingsmoment. Het was een medewerker van de coffeeshop die met de bigshopper de coffeeshop verliet. De Afdeling acht daarom aannemelijk dat de in de bigshopper aangetroffen drugs ofwel afkomstig waren uit de voorraad van de coffeeshop ofwel waren bedoeld om op een later moment te worden verkocht in de coffeeshop. Het voorgaande betekent dat de in de woning, garage en bigshopper aangetroffen drugs kunnen worden gezien als handelsvoorraad van de coffeeshop. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat in totaal 1713,26 gram aan softdrugs is aangetroffen, waarvan 463,4 gram in de coffeeshop, 340 gram in de bigshopper, 764,4 gram in de garage en 145,46 gram in de woning. Dit komt neer op een overschrijding van 1213,26 gram van de volgens het Coffeeshopbeleid toegestane handelsvoorraad. De burgemeester heeft zich daarom redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het G-criterium is overschreden. Hij was daarom bevoegd om tot sluiting van de coffeeshop over te gaan.
6.8. Het betoog slaagt niet.
De toepassing van de bevoegdheid: evenredigheid
7. Verder betoogt [appellante] dat, als de burgemeester bevoegd was om te besluiten tot sluiting van de coffeeshop, hij daarvan had moeten afzien. Volgens [appellante] heeft handhaving een jaar na de constatering van de overtreding geen effect meer. Ook is sluiting van de coffeeshop in haar geval niet noodzakelijk en evenwichtig, aldus [appellante].
7.1. In de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van de evenredigheid van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Hoewel die uitspraak gaat over sluiting van woningen, gelden dezelfde uitgangspunten, waar van toepassing, ook voor lokalen, zoals bedrijfsruimten. 7.2. Een van die uitgangspunten is dat tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, ertoe kan leiden dat sluiting van een woning of lokaal op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning of het lokaal moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
7.3. De politie heeft op 29 juni 2022 een overtreding van de Opiumwet geconstateerd. De coffeeshop is feitelijk gesloten op 20 juli 2023. In het besluit op bezwaar heeft de burgemeester het noodzakelijk en evenredig gevonden om de coffeeshop te sluiten. Ter onderbouwing daarvan heeft de burgemeester erop gewezen dat het gaat om een ernstige overtreding, zodat hij ervan uit mag gaan dat dit kan leiden tot ripdeals en inbraken. Daarnaast is volgens hem sprake van recidive. Tot slot heeft de burgemeester omwille van het tijdsverloop afgeweken van de beleidsregels en besloten tot een sluiting van anderhalve maand.
7.4. Hoewel de burgemeester zich dus rekenschap heeft gegeven van de relevantie van het tijdsverloop, is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester ten onrechte niet heeft beoordeeld of sluiting van de coffeeshop meer dan één jaar nadat de overtreding is geconstateerd nog geschikt is om de daarmee beoogde doelen te bereiken. De burgemeester heeft het besluit van 7 juni 2023 daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ondeugdelijk gemotiveerd. De bestuurlijke rapportage die aan de besluitvorming van de burgemeester ten grondslag ligt, is zeer summier. Daaruit blijkt enkel van de aangetroffen softdrugs in de woning, garage en bigshopper. Er is verder niets bekend of vermeld over de eventuele impact van de overtreding op de omgeving of enig ander aanknopingspunt voor het kunnen beoordelen van de concrete omstandigheden van dit geval in relatie tot de met de sluiting van de coffeeshop beoogde doelen.
7.5. In dit geval acht de Afdeling, gelet op de toelichting van de burgemeester op de zitting, ook niet aannemelijk dat het middel van de sluiting, een jaar na de geconstateerde overtreding, nog geschikt was om de beoogde doelen te bereiken. De sluiting van de coffeeshop heeft in dit geval meer dan één jaar na het constateren en beëindigen van de overtreding plaatsgevonden. In die periode is kennelijk niets relevants is voorgevallen. Bij gebrek aan verdere aanknopingspunten over de concrete omstandigheden van dit geval, mag verondersteld worden dat door dit tijdsverloop de situatie ter plaatse al is hersteld en de negatieve effecten van de overtreding ongedaan gemaakt zijn. Dit maakt het middel van sluiting niet meer geschikt om de beoogde doelen te bereiken. Voor zover de burgemeester op de zitting heeft toegelicht dat hij met de sluiting van de coffeeshop een signaal naar de omgeving en andere coffeeshophouders heeft willen afgeven, geldt dat alleen het afgeven van een signaal, zonder verdere kenbare omstandigheden waarom een dergelijk signaal nodig is, onvoldoende is voor sluiting. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2923. 7.6. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de burgemeester vanwege het tijdsverloop kon volstaan met een beperking van de sluitingsduur. Daarmee is zij voorbij gegaan aan de vraag of vanwege het tijdsverloop nog wel een geschikt middel was, gezien de doelen die de burgemeester daarmee wilde bereiken.
Het betoog slaagt.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 juni 2023 gegrond. De Afdeling vernietigt dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Zij ziet in wat zij heeft overwogen onder 8.5, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal daarom het besluit van 2 februari 2023 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
9. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 juli 2023 in zaken nrs. 23/4007 en 23/4008;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 7 juni 2023, kenmerk 994808;
V. herroept het besluit van 2 februari 2023, kenmerk 726493:831498;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. veroordeelt de burgemeester van Tiel tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de burgemeester van Tiel aan [appellante] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 913,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
1072
BIJLAGE
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
[…]
COFFEESHOPBELEID GEMEENTE TIEL 2015
[…]
Gedoogcriteria
Het Openbaar Ministerie (OM) is belast met de handhaving van de verbodsbepalingen in de Opiumwet. Daarvoor zijn gedoogvoorwaarden vastgesteld. De zogenaamde AHOJGI-criteria. Dezelfde criteria worden - aangevuld met enkele extra criteria ( de pluscriteria) - ook door de burgemeester aangehouden voor het bestuurlijk handhaven.
In Tiel worden coffeeshops gedoogd indien zij geëxploiteerd worden conform deze criteria:
[…]
5. Geen verkoop van Grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder transactie wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper. Ook geen aanwezigheid van grote hoeveelheden in voorraad (G). De handelsvoorraad mag niet meer zijn dan 500 gram *.
[…]
* mixvoorraad
Bij de vaststelling van de handelsvoorraad geldt dat 1 voorgedraaide joint 0,2 gram softdrugs bevat. Als tijdens de openingsuren van de coffeeshop een mixvoorraad - bestaande uit tabak en softdrugs - aanwezig is ten behoeve van het ter plaatse (machinaal) vervaardigen van voorgedraaide joints, dan geldt een verhouding: 150 gram mixvoorraad, bevat 20 gram softdrugs. Dit staat gelijk aan 100 voorgedraaide joints.