ECLI:NL:RBLIM:2026:4308

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/03/345552 / HA ZA 25-407
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering verbouwingskosten samenwoners; toewijzing deels betaling aan ex-partner

De rechtbank Limburg behandelde een civiele zaak tussen twee voormalige samenwoners over financiële afwikkeling na beëindiging van hun relatie. De eiser vorderde betaling voor door hem verrichte verbouwingswerkzaamheden aan de woning van de gedaagde, die eigenaar was. De rechtbank stelde vast dat er geen expliciete of stilzwijgende afspraken waren over vergoeding van deze werkzaamheden, en dat de werkzaamheden binnen de context van een affectieve relatie vielen, waardoor geen recht op vergoeding bestond.

Subsidiair werd een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking, maar de rechtbank oordeelde dat de eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij kosten voor materialen of derden had gedragen, en dat de waardestijging van de woning niet tot een vergoedingsplicht leidde. De vorderingen tot betaling van incassokosten en wettelijke rente werden eveneens afgewezen.

In reconventie vorderde de gedaagde diverse bedragen voor onder meer lening, telefoonabonnement, dierenartskosten, autokosten en zakelijke uitgaven. De rechtbank wees een deel van deze vorderingen toe, waaronder een lening van €4.000, telefoonabonnement, helft van dierenartskosten, brilkosten, autokosten, helft van alcoholbestellingen en zakelijke uitgaven. Andere vorderingen, zoals loonbeslag, rente, gebruiksvergoeding en eigenaarslasten, werden afgewezen.

De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. Het vonnis werd uitgesproken door rechter Roeffen op 6 mei 2026.

Uitkomst: Vorderingen eiser afgewezen; deels toewijzing van reconventionele vorderingen gedaagde voor €13.448,53.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/345552 / HA ZA 25-407
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[persoon A],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. T.J. Wittendorp,
tegen
[persoon B],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon B] ,
advocaat: mr. L.C. van Kasteren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 21
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 6
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 22 en 23
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 10 maart 2026 met aanvullende productie 24 aan de zijde van [persoon A]
- de mondelinge behandeling van 20 maart 2026, bij gelegenheid waarvan door [persoon A] spreekaantekeningen in het geding zijn gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[persoon A] en [persoon B] hebben van 2011 tot en met 2022 een affectieve relatie gehad. Gedurende deze periode was geen sprake van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een samenlevingscontract.
2.2.
Gedurende de relatie hebben [persoon A] en [persoon B] samengewoond in het woonhuis te [adres] (hierna te noemen: de woning). [persoon B] is eigenaar van de woning.
2.3.
Na aankoop van de woning door [persoon B] in 2011, zijn partijen begonnen met het verbouwen van de woning. De werkzaamheden zijn deels verricht door [persoon A] en deels uitgevoerd door derden.
2.4.
De relatie is in november 2022 beëindigd. Na het verbreken van de relatie verliet [persoon B] tijdelijk de woning. [persoon B] heeft de woning gedurende deze periode aan [persoon A] ter beschikking gesteld. Parten zijn in dat kader overeengekomen dat [persoon A] uiterlijk op 13 juni 2024 de woning zou verlaten.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[persoon A] vordert in conventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [persoon B] veroordeelt om binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [persoon A] een bedrag van € 59.319,71,- zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 50.000,- vanaf 14 augustus 2023, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
II. [persoon B] veroordeelt om binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [persoon A] een bedrag van € 9.090,- zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2023, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [persoon B] veroordeelt om binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis te betalen aan [persoon A] de buitengerechtelijke incassokosten begroot conform de staffel BIK op een bedrag van € 1.866,73 en met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2023, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [persoon B] veroordeelt in de proceskosten conform het liquidatietarief en de verschotten zulks te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, bij gebreken waarvan de wettelijke rente sedert de dag der verzuim tot de dag der algehele voldoening over deze kosten zal zijn verschuldigd.
3.2.
[persoon B] voert verweer in conventie. [persoon B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
3.3.
[persoon B] vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 7.052,90 (afdrachten loonbeslag), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
II. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 6.619,- (terugbetaling geldleningen), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 2.397,27 (betaling rente), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 2.397,27 (betaling rente), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
V. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 5.024,15 (herstelkosten woning), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 13 juni 2023, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
VI. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 1.750,- (gebruiksvergoeding 5 maanden x € 350,-) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
VII. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 250,- (eigenaarslasten 5 maanden x € 50,-) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
VIII. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 9.352,42 (privé-uitgaven) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IX. [persoon A] veroordeelt tot betaling van € 980,95 (zakelijke uitgaven) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
X. [persoon A] te veroordelen in de proceskosten in reconventie, inclusief nakosten en wettelijke rente over de proceskosten.
3.4.
[persoon A] voert verweer in reconventie. [persoon A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon B] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De rechtsverhouding tussen informeel samenlevenden, zoals in het geval van [persoon A] en [persoon B] , wordt beheerst door het algemene verbintenissenrecht (vgl. Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707). Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of zij ten opzichte van elkaar rechten en verplichtingen hebben.
Ook als geen sprake is van op schrift gestelde afspraken, kan, mede in aanmerking genomen de in artikel 6:248 lid 1 BW Pro neergelegde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, worden aangenomen dat er stilzwijgende afspraken tussen informeel samenlevenden hebben bestaan. [persoon A] beroept zich primair op het bestaan van expliciete en stilzwijgende financiële afspraken tussen hem en [persoon B] en de hierop van toepassing zijnde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. [persoon A] is van mening dat hij op basis van deze afspraken recht heeft op betaling. [persoon B] heeft dit besteden.
Primair: betaling van € 59.319,71
Afspraken tussen partijen
4.2.
Ten aanzien van de primaire vordering van [persoon A] , voor zover deze gebaseerd is op de gestelde mondelinge afspraken tussen partijen, overweegt de rechtbank als volgt.
[persoon A] heeft aan deze vordering primair ten grondslag gelegd dat tussen partijen mondelinge afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de door [persoon A] verrichte werkzaamheden aan de woning van [persoon B] . [persoon B] heeft het bestaan van dergelijke afspraken betwist. Ter zitting heeft [persoon A] desgevraagd verklaard dat partijen hebben afgesproken dat [persoon B] de woning zou aankopen en dat [persoon A] vervolgens over zou gaan tot renovatie van de woning, gezien de staat van de woning bij aankoop. [persoon A] heeft vervolgens verklaard dat tussen partijen geen concrete afspraken zijn gemaakt over een vergoeding voor de door hem verrichte werkzaamheden, noch over enige vorm van delen in een eventuele overwaarde van de woning vanwege die door hem uitgevoerde werkzaamheden. Volgens [persoon A] hebben partijen geen verdere afspraken over de afwikkeling gemaakt, omdat hij er niet van uitging dat de relatie zou worden beëindigd.
Gelet op deze verklaringen stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken van enige afspraak tussen partijen die kan dienen als grondslag voor de door [persoon A] ingestelde vordering tot betaling van door hem uitgevoerde werkzaamheden aan de woning. Integendeel, [persoon A] heeft ter zitting expliciet erkend dat dergelijke afspraken niet zijn gemaakt. De primaire grondslag kan de vordering van [persoon A] op dit punt dan ook niet dragen.
4.3.
Voorzover [persoon A] zich beroept op het bestaan van stilzwijgende afspraken overweegt de rechtbank dat het bestaan daarvan zou kunnen worden aangenomen op basis van het feitelijk handelen van partijen en alle omstandigheden van het geval. [persoon A] stelt dat hij de woning heeft verbouwd en dat [persoon B] daar stilzwijgend mee heeft ingestemd. De rechtbank overweegt dat [persoon A] echter vergoeding voor zijn werkzaamheden vordert, hij vordert betaling van door hem gewerkte uren tegen een bepaald uurtarief. [persoon A] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat voor partijen helder was dat op een later moment, te weten bij het einde van de relatie, de werkzaamheden van [persoon A] afgerekend zouden worden en wel tegen een gemiddeld uurtarief van een ZZP-er. [persoon A] heeft zelfs geen urenregistratie bijgehouden. Ter zitting heeft [persoon A] ook aangegeven dat hij ‘
ervan uitging’ dat de waardestijging van de woning ook aan hem ten goede zou komen. De rechtbank kan noch op basis van afspraken noch op basis van feitelijk gedrag vaststellen dat er een overeenkomst tussen partijen bestaat met betrekking tot vergoeding van werkzaamheden ten aanzien van de verbouwing
Ongerechtvaardigde verrijking
4.4.
Ten aanzien van de subsidiaire grondslag, te weten ongerechtvaardigde verrijking, overweegt de rechtbank als volgt. [persoon A] stelt dat sprake is van verarming aan zijn zijde, bestaande uit (i) de door hem verrichte werkzaamheden van in totaal 1.300 uren, (ii) door hem betaalde materiaalkosten ten bedrage van € 9.090,- en (iii) door hem bekostigde werkzaamheden uitgevoerd door derden ter hoogte van € 2.050,-.
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking onder meer vereist is dat sprake is van een verarming aan de zijde van de ene partij en een daarmee samenhangende verrijking aan de zijde van de andere partij.
4.5.
Ten aanzien van de door [persoon A] gestelde inkomensderving en verminderde pensioenopbouw heeft [persoon A] aangevoerd dat partijen hebben afgesproken dat [persoon A] minder zou gaan werken om in die tijd werkzaamheden aan de woning te kunnen verrichten. Ter zitting heeft [persoon A] echter expliciet verklaard dat hij zijn werkzaamheden bij de vrijwillige brandweer heeft beëindigd vanwege de afstand tot de kazerne, en niet vanwege de werkzaamheden aan de woning. [persoon A] heeft namelijk gesteld dat hij werkzaam was bij de vrijwillige brandweer, maar deze werkzaamheden heeft moeten beëindigen, aangezien hij als gevolg van de afstand tot zijn nieuwe woonplaats niet langer in staat was om op oproepbasis te werken. [persoon B] voert aan dat [persoon A] zijn werkzaamheden bij de brandweer al lange tijd voordat hij de woning ging verbouwen, zou hebben beëindigd. Wat daar ook van zij, gelet op de eigen stelling van [persoon A] met betrekking tot het beëindigen van zijn werkzaamheden bij de vrijwillige brandweer is in ieder geval niet vast komen te staan dat de gestelde inkomensderving en verminderde pensioenopbouw het gevolg zijn van de werkzaamheden die [persoon A] aan de woning heeft uitgevoerd, zodat reeds om die reden geen sprake is van verarming op dit punt.
4.6.
Met betrekking tot de gestelde materiaalkosten van € 9.090,- overweegt de rechtbank als volgt. [persoon B] heeft aangevoerd dat zij deze kosten feitelijk heeft gedragen, doordat zij bedragen aan [persoon A] heeft overgemaakt, waarmee [persoon A] vervolgens de betreffende materialen heeft bekostigd. Deze stelling wordt ondersteund door overgelegde bankafschriften waarop overboekingen van [persoon B] naar [persoon A] te zien zijn. [persoon A] heeft erkend dat hij deze bedragen van [persoon B] heeft ontvangen. [persoon A] heeft vervolgens echter nagelaten concreet te onderbouwen welk deel van de materiaalkosten door hemzelf zou zijn voldaan. De omvang van de door [persoon B] gedane overboekingen is zodanig dat daarmee de volledige materiaalkosten ter hoogte van € 9.090,- kunnen worden gedekt. [persoon A] heeft zijn stelling dat hij een deel van de materiaalkosten wel uit eigen middelen heeft voldaan – in het licht van de gemotiveerde betwisting van [persoon B] – onvoldoende nader gespecificeerd. Dat [persoon A] deze kosten uit eigen middelen heeft gedragen en dat daarmee dus sprake is van een verarming aan de zijde van [persoon A] , is derhalve niet gebleken.
4.7.
Ten aanzien van de kosten voor werkzaamheden door derden heeft [persoon A] gesteld dat hij een bedrag van € 2.050,- contant uit eigen middelen aan derden heeft voldaan. [persoon B] heeft dit gemotiveerd betwist en gesteld dat ook deze kosten door haar zijn gedragen, door middel van overboekingen aan [persoon A] . [persoon A] heeft zijn stelling dat hij deze kosten contant uit eigen middelen heeft betaald niet met verifieerbare stukken of anderszins onderbouwd. [persoon A] heeft wel gesteld dat hij contant geld verdiende met klusjes maar dit wordt betwist door [persoon B] en [persoon A] heeft dit onvoldoende nader gemotiveerd. Bij gebreke van een nadere onderbouwing is niet vast komen te staan dat deze kosten door [persoon A] uit eigen middelen zijn voldaan. Ook op dit punt is van een verarming niet gebleken.
4.8.
Van een ongerechtvaardigde verrijking van [persoon B] kan sprake zijn indien de verbouwing tot een waardestijging van het pand heeft geleid, maar ook indien en voor zover de uitgaven ten behoeve van de verbouwing voor rekening van [persoon A] zijn gekomen en [persoon B] zich die uitgaven aldus heeft bespaard. Voor het oordeel dat de [persoon B] zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en om die reden is verrijkt, is nodig dat, als [persoon A] die kosten niet voor zijn rekening had genomen, [persoon B] die kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken. Zoals hierboven overwogen is niet gebleken dat kosten voor bouwmaterialen en voor werkzaamheden van derden door [persoon A] zijn gedragen. Het gaat derhalve enkel om de gevorderde vergoeding voor arbeidsuren die [persoon A] in de woning heeft geïnvesteerd.
4.9.
[persoon A] heeft gesteld dat sprake was van noodzakelijke renovaties alsmede verbouwingen die tot waardestijging van het pand hebben geleid. [persoon A] heeft gemotiveerd gesteld dat de woning in 2011 is aangekocht voor € 100.000,- en dat de waarde op grond van enkel de marktontwikkeling in mei 2023 € 168.000,- zou hebben bedragen. Uit de taxatie blijkt echter dat de waarde in mei 2023 € 238.000,- bedraagt, hetgeen betekent dat de werkzaamheden van [persoon A] voor een waardestijging van € 70.000,- hebben gezorgd. [persoon A] heeft zich voor wat betreft de marktontwikkeling gebaseerd op CBS-cijfers (productie 18 bij dagvaarding) en voor wat betreft de marktwaarde in mei 2023 op het taxatierapport van Van Hezel Vastgoed (productie 17 bij dagvaarding). Gezien de gemotiveerde stellingen van [persoon A] had het op de weg van [persoon B] gelegen om dit gemotiveerd te betwisten, hetgeen zij heeft nagelaten. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de uitgevoerde renovaties en verbouwingen tot een waardestijging hebben geleid.
4.10.
Nu van de gebruikte bouwmaterialen en de werkzaamheden door derden niet vast is komen te staan dat die door [persoon A] zijn betaald rest de vraag of [persoon A] recht heeft op een vergoeding voor door hem verrichte werkzaamheden nu die (deels) hebben bijgedragen aan waardevermeerdering van het pand van [persoon B] (en daarmee tot een verrijking van [persoon B] ). De rechtbank overweegt dat dit niet het geval is en overweegt hiertoe als volgt. Partijen hebben een bewuste keuze gemaakt om hun affectieve relatie informeel vorm te geven zonder verdere juridische regeling van onderlinge vermogensrechtelijke verhoudingen. Binnen een affectieve relatie is het gebruikelijk dat over en weer prestaties worden verricht ten behoeve van de samenleving en de gezamenlijke huishouding. Die kunnen huishoudelijke taken als schoonmaken, boodschappen doen en eten koken omvatten, maar ook het doen van de administratie, onderhoud en verbetering van de woning en de tuin. Zonder nadere afspraken kunnen deze werkzaamheden die vaak over en weer worden uitgevoerd al naar gelang ieders beschikbaarheid binnen een affectieve relatie niet na het einde van de relatie worden omgezet in een juridisch afdwingbare betalingsverplichting, ook niet als zij één van de partners tot voordeel hebben gestrekt. De tijdsinvestering die door [persoon A] is gedaan kan niet los worden gezien van de context van een affectieve relatie en de overige prestaties die binnen het kader van de samenleving zijn verricht en kan derhalve niet worden gezien als een verarming van de één tegenover de verrijking van de ander. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uren die [persoon A] heeft besteed aan verbouwing en renovatie van de woning niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank nog op dat indien de vordering wel toegewezen had kunnen worden de rechtbank van oordeel is dat die grotendeels verjaard zou zijn, nu [persoon A] steeds heeft geweten dat de woning eigendom was van [persoon B] en de verjaringstermijn van vijf jaar dus steeds onmiddellijk na het uitvoeren van de werkzaamheden zou zijn aangevangen.
4.11.
Gelet op het voorgaande zal de primaire vordering van [persoon A] worden afgewezen.
Subsidiair: betaling van € 9.090,-
Redelijkheid en billijkheid
4.12.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering van [persoon A] tot betaling van een bedrag van € 9.090,- op grond van de redelijkheid en billijkheid, overweegt de rechtbank het volgende. [persoon A] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien hij de kosten van de bouwmaterialen volledig zelf zou moeten dragen, zonder enige vorm van compensatie.
4.13.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft [persoon B] betoogd dat zij de materiaalkosten feitelijk heeft gedragen door bedragen aan [persoon A] over te maken, waarmee deze kosten zijn voldaan. [persoon A] heeft erkend dat hij bedrag van [persoon B] heeft ontvangen. Niet is komen vast te staan dat [persoon A] de materiaalkosten (geheel of gedeeltelijk) uit eigen middelen heeft voldaan. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond om op basis van de redelijkheid en billijkheid tot een vergoedingsplicht aan de zijde van [persoon B] te komen. De subsidiaire vordering van [persoon A] zal daarom eveneens worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
4.14.
Nu de hoofdvorderingen van [persoon A] worden afgewezen, geldt hetzelfde voor de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en de vordering tot betaling van wettelijke rente. Aangezien deze vorderingen afhankelijk zijn van een toewijzing van de hoofdsom, ontbreekt de grondslag voor toewijzing.
Proceskosten in conventie
4.15.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
Betaling van € 33.426,06
4.16.
[persoon B] vordert in reconventie een totaalbedrag van € 33.426,06, aangezien deze kosten volgens haar volledig aan [persoon A] zijn toe te rekenen en [persoon B] deze kosten in eerste instantie heeft voldaan. De rechtbank overweegt per (door [persoon B] opgevoerd) onderdeel als volgt.
Loonbeslag ad € 7.052,90
4.17.
[persoon B] stelt allereerst dat loonbeslag is gelegd onder de werkgeefster van [persoon B] als gevolg van een huurachterstand met betrekking tot de brocantewinkel. Deze winkel is volgens de stellingen van [persoon B] feitelijk eigendom van [persoon A] en stond enkel op naam van [persoon B] omdat [persoon A] vanwege zijn schuldenpositie de onderneming en het huurcontract van het pand niet op zijn naam kon zetten. [persoon A] betwist allereerst dat de brocantewinkel uitsluitend aan hem toebehoorde. [persoon A] voert aan dat de winkel eigendom was van [persoon B] en dat hij daarin slechts werkzaamheden verrichtte ter ondersteuning. [persoon A] erkent ter zitting dat er een huurachterstand bestond met betrekking tot de huur van de brocantewinkel en dat een deurwaarder is ingeschakeld, maar betwist dat het loonbeslag in verband hiermee is gelegd.
4.18.
De rechtbank oordeelt dat in ieder geval niet is komen vast te staan dat de brocantewinkel feitelijk aan [persoon A] toebehoorde. Wat daar echter ook van zij, [persoon B] heeft gelet op de gemotiveerde betwisting door [persoon A] onvoldoende onderbouwd dat het loonbeslag daadwerkelijk is gelegd ter zake van de gestelde huurachterstand; zij heeft dit immers niet met beslagexploot of andere relevante stukken onderbouwd. Reeds hierom zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen. De overige stellingen behoeven dan ook geen nadere bespreking meer.
Lening BNP Paribas ad € 6.619,-
4.19.
[persoon B] stelt verder dat zij een lening heeft afgesloten bij BNP Paribas en de volledige leensom ter beschikking heeft gesteld aan [persoon A] . Ter zitting is gebleken dat de lening feitelijk € 5.000,- bedroeg, waarvan [persoon A] heeft erkend dat € 4.000,- door hem is aangewend ten behoeve van zijn eigen doeleinden. [persoon A] betwist dat het overige bedrag van € 1.000,- voor zijn eigen doeleinden is aangewend.
4.20.
Ten aanzien van het resterende bedrag van € 1.000,- overweegt de rechtbank dat door [persoon B] – in het licht van de betwisting van [persoon A] – geen verdere feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit volgt dat dit bedrag is geleend aan [persoon A] en is aangewend voor kosten die voor rekening van [persoon A] dienen te komen. De rechtbank wijst om die reden slechts het door [persoon A] erkende bedrag van € 4.000,- toe.
4.21.
[persoon A] heeft gesteld dat hij de lening contant heeft afgelost maar dat wordt door [persoon B] betwist. Nu [persoon A] dat niet nader heeft onderbouwd en heeft aangegeven dat niet te kunnen gaat de rechtbank daaraan voorbij.
Rente op lening ad € 2.397,27
4.22.
[persoon B] vordert betaling van de rente die is verschenen over genoemde lening bij BNP Paribas. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [persoon B] desgevraagd ter onderbouwing van de hoogte van het rentebedrag verwezen naar bankafschriften waaruit blijkt dat telkens bedragen van € 58,47 zijn overgemaakt naar BNP Paribas. Ter zitting stelt [persoon B] dat deze bedragen deels aflossing en deels rente betreffen. Op de vraag welk deel van de telkens overgeboekte bedragen ziet op rente, heeft [persoon B] geen antwoord kunnen geven. Nu de rechtbank niet vast kan stellen welk deel van deze betalingen rente betreft en [persoon B] dit niet verder heeft geconcretiseerd, zal de vordering betreffende betaling van de rente worden afgewezen.
Kosten klusbedrijf Goijen ad € 5.024,15
4.23.
[persoon B] vordert vergoeding van kosten die zij stelt te hebben moeten maken voor het opknappen van de woning, omdat deze na het vertrek van [persoon A] onbewoonbaar zou zijn geweest. Volgens [persoon B] is deze staat van de woning aan [persoon A] toe te rekenen, nu hij de woning beschadigd zou hebben achtergelaten. [persoon A] heeft betwist dat hij de woning in de door [persoon B] gestelde staat heeft achtergelaten.
4.24.
De rechtbank stelt vast dat de door [persoon B] overgelegde facturen en offertes van [bedrijf] weliswaar zien op werkzaamheden aan de woning, maar de daarin beschreven werkzaamheden niet zonder meer aansluiten bij de door [persoon B] gestelde gebreken als gevolg van handelen of nalaten door [persoon A] . De facturen zien op ‘cilinder voordeur’ en het texen van het badkamerplafond. De offertes zien op latex voor de wanden en het plafond en renovatie van de badkamer. [persoon B] stelt dat alle wanden opnieuw geschilderd moesten worden omdat [persoon A] binnen had gerookt, maar de rechtbank kan dat niet aanmerken als het beschadigen van de woning. Uit de offerte met betrekking tot de badkamer blijkt ook niet dat het om schadeherstel gaat. Bovendien kan uit de door [persoon B] overgelegde foto’s niet worden afgeleid dat de woning in een slechte onbewoonbare staat verkeerde en ook niet dat de wel op de foto’s zichtbare gebreken/beschadigingen het gevolg zijn geweest van handelingen van [persoon A] . Daarnaast volgt ook uit het taxatierapport van 5 juni 2023 niet dat de woning op dat moment in een zodanige staat verkeerde dat deze als onbewoonbaar moest worden aangemerkt. Er worden in het geheel geen opmerkingen over beschadigingen gemaakt. Dit terwijl [persoon B] heeft gesteld dat de woning kort daarna, ten tijde van het verlaten van de woning door [persoon A] op 13 juni 2023, onbewoonbaar zou zijn geweest. Gelet op het voorgaande heeft [persoon B] onvoldoende onderbouwd dat de gestelde kosten het gevolg zijn van aan [persoon A] toe te rekenen handelen of nalaten. De vordering zal op dit onderdeel worden afgewezen.
Gebruiksvergoeding woning ad € 1.750,-
4.25.
[persoon B] vordert een gebruiksvergoeding voor de periode waarin [persoon A] na het einde van de relatie in de woning heeft verbleven. De rechtbank stelt vast dat uit het door [persoon A] overgelegde e-mailbericht van 5 juni 2023 (productie 13 bij dagvaarding) volgt dat partijen zijn overeengekomen dat [persoon A] de woning uiterlijk op 13 juni 2023 zou verlaten en dat partijen, na correcte uitvoering van (onder meer) deze afspraak, niets meer van elkaar te vorderen zouden hebben. Vaststaat dat [persoon A] de woning tijdig heeft verlaten.
Gelet op deze afspraak kan [persoon B] geen aanspraak meer maken op een gebruiksvergoeding over de betreffende periode. De vordering wordt daarom afgewezen.
Eigenaarslasten ad € 250,-
4.26.
[persoon B] vordert verder vergoeding van nuts/energie/vaste lasten die zij kwalificeert als eigenaarslasten, stellende dat zij deze lasten heeft voldaan zonder zelf gebruik te maken van de woning, in de periode dat [persoon A] in de woning heeft verbleven. Zij begroot deze kosten op € 50,- per maand. De rechtbank overweegt dat voor zover het gaat om eigenaarslasten deze voor rekening van de eigenaar blijven, nu gesteld noch gebleken is dat tussen partijen een afspraak is gemaakt op grond waarvan [persoon A] gehouden zou zijn deze kosten (geheel of gedeeltelijk) te dragen gedurende de periode dat hij in de woning verbleef. Voor zover het gebruikerslasten betreft had het op de weg van [persoon B] gelegen om deze deugdelijk te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten.
De vordering tot vergoeding van de eigenaarslasten wordt daarom afgewezen.
Telefoonabonnement ad € 910,10
4.27.
[persoon B] vordert vergoeding van kosten die zij heeft voldaan ten behoeve van het telefoonabonnement van [persoon A] , ten bedrage van € 910,10.
[persoon A] heeft dit bedrag erkend. Nu de vordering derhalve vaststaat zal deze worden toegewezen.
Dierenartsconsulten en crematie hond ad € 1.147,30
4.28.
[persoon B] vordert vergoeding van kosten voor dierenartsconsulten en de crematie van de hond, stellende dat deze hond eigendom was van [persoon A] en dat de kosten daarom voor zijn rekening dienen te komen. [persoon A] erkent de helft van het gevorderde bedrag. Ter zitting heeft [persoon B] erkend dat zij gedurende de relatie eveneens van de hond heeft genoten, dat zij de hond als hun gezamenlijke hond beschouwde en dat het, gelet daarop, redelijk is dat partijen deze kosten ieder voor de helft dragen. De rechtbank volgt partijen hierin en [persoon A] heeft dit bedrag ook voor de helft erkend. Dit betekent dat een bedrag van € 573,65, zijnde de helft van de gevorderde kosten, voor toewijzing in aanmerking komt.
Brilkosten ad € 416,15
4.29.
[persoon B] vordert vergoeding van kosten die zij heeft voldaan ten behoeve van de bril van [persoon A] , ten bedrage van € 416,15.
[persoon A] heeft dit bedrag erkend. Nu de vordering derhalve vaststaat zal deze worden toegewezen.
Kosten auto, motorrijtuigenbelasting ad € 3.155 en autoverzekering Interpolis ad € 3.101,48
4.30.
Ter beoordeling ligt de vordering van [persoon B] tot vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt voor een auto die weliswaar op haar naam stond, maar die feitelijk bij [persoon A] in gebruik was. Het betreft kosten voor motorrijtuigenbelasting ten bedrage van € 3.155,- en verzekeringskosten bij Interpolis ten bedrage van € 3.101,48.
[persoon A] heeft erkend dat deze auto feitelijk van hem was en dat hij van de auto gebruik heeft gemaakt. Dat de auto op naam van [persoon B] stond, was enkel omdat [persoon A] deze niet op zijn eigen naam kon stellen.
De rechtbank volgt de stelling van [persoon A] dat de kosten van deze auto en de kosten van de auto van [persoon B] bij helfte tussen partijen zouden moeten worden verdeeld niet. Gelet op het feit dat de auto aan [persoon A] toebehoorde en (voornamelijk) door hem werd gebruikt en [persoon B] een eigen auto had die zij gebruikte, acht de rechtbank het redelijk en voor de hand liggend dat de kosten voor de auto die bij [persoon A] in gebruik was, voor zijn rekening komen. De vordering zal derhalve volledig worden toegewezen.
Alcoholbestellingen ad € 622,39
4.31.
Inzake de vordering van [persoon B] tot betaling van een bedrag van € 622,39 ter zake van alcoholbestellingen, welke volgens haar volledig voor rekening van [persoon A] komen, oordeelt de rechtbank dat deze kosten voor de helft zullen worden toegewezen.
[persoon A] erkend de helft van deze kosten, maar betwist dat deze volledig aan hem zijn toe te rekenen. Hij heeft aangevoerd dat de bestellingen mede zijn gedaan ten behoeve van gezamenlijke gelegenheden, zoals verjaardagen en feestjes.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de betreffende kosten volledig voor rekening van [persoon A] dienen te komen. Gelet op de aard van de uitgaven, die mede verband houden met de gezamenlijke huishouding, acht de rechtbank het redelijk dat partijen deze kosten ieder voor de helft dragen. Dit leidt ertoe dat een bedrag van € 311,20, zijnde de helft van de gevorderde kosten, voor toewijzing in aanmerking komt.
Zakelijke uitgaven, € 361,95 voor koelvitrine en € 619,00 voor inventaris/goederen “Gusto”
4.32.
Tot slot vordert [persoon B] de door haar gedane zakelijke uitgaven ten behoeve van de onderneming van [persoon A] . Het betreft een bedrag van € 361,95 voor een koelvitrine en een bedrag van € 619,00 voor inventaris/goederen ten behoeve van “Gusto”.
[persoon A] heeft deze bedragen erkend. Deze bedragen zullen om die reden volledig worden toegewezen.
Slotsom
4.33.
Op grond van het voorgaande worden de reconventionele vorderingen van [persoon B] toegewezen voor de volgende bedragen:
  • Lening BNP Paribas: € 4.000
  • Telefoonabonnement: € 910,10
  • Dierenarts/crematie hond: € 573,65
  • Brilkosten: € 416,15
  • Auto – motorrijtuigenbelasting en verzekering: € 6.256,48
  • Alcoholbestellingen: € 311,20
  • Zakelijke uitgaven: € 980,95
Het totaal van de toegewezen vorderingen bedraagt € 13.448,53.
Proceskosten in reconventie
4.34.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [persoon A] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.3.
veroordeelt [persoon A] om aan [persoon B] te betalen een bedrag van € 13.448,53,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.