Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4492

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
ROE 26/581 en ROE 26/582
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.11 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4.27 Invoeringswet OmgevingswetArt. 1 Belemmeringenwet Privaatrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen gedoogplicht en omgevingsvergunning aanleg drinkwaterleiding

De zaak betreft verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen een door de minister opgelegde gedoogplicht en een door het college van burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning voor de aanleg van een ondergrondse drinkwatertransportleiding in de gemeente Voerendaal. Verzoeker, eigenaar en erfpachter van percelen waar de leiding komt te liggen, voert aan dat de aanleg zijn biologische landbouwbedrijf schaadt en dat procedurele fouten zijn gemaakt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van WML en het algemeen belang bij de aanleg van de leiding zwaarder wegen dan de belangen van verzoeker, ondanks de mogelijke financiële en bedrijfsvoeringseffecten. Het gekozen tracé is voldoende gemotiveerd en aangepast na overleg met verzoeker. Er is geen sprake van evidente onrechtmatigheid van de besluiten, en de procedurele bezwaren zijn onvoldoende onderbouwd.

De toetsing van de omgevingsvergunning vindt plaats binnen het beperkte kader van de geldende bestemmingsplanregels, waarbij geen volledige ruimtelijke ordeningstoets vereist is. De gedoogplicht is terecht opgelegd en sluit aan bij het vergunde tracé. De verzoeken om voorlopige voorzieningen worden daarom afgewezen, en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af omdat het algemeen belang bij aanleg drinkwaterleiding zwaarder weegt dan de belangen van de grondeigenaar.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/581 en 26/582

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2026 in de zaken tussen

[naam], uit Sint Geertruid, verzoeker
(gemachtigden: mr. D. Akdemir en mr. C.F. van Helvoort),

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voerendaal

(gemachtigden: mr. I.A.H. Thorand en mr. M.E.M. Thijssen)
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat

(gemachtigden: W.B. de Kleuver en P.W.M. Lommerse)
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Waterleiding Maatschappij Limburg N.V. (WML) (gemachtigden: mr. E. Sterk en mr. J. Stoop).

Inleiding

1. Op 3 juni 2024 heeft het college aan WML een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een ondergrondse drinkwatertransportleiding op het tracé hoeve Terlinden - Rivieren - Maasstraat. Daaraan voorafgaand heeft de minister op 19 maart 2024 aan verzoeker de plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van deze drinkwatertransportleiding (hierna: de gedoogplicht).
2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten. Bij besluit van 23 juli 2024 heeft de minister zijn bezwaar ongegrond verklaard. Op 25 februari 2025 heeft het college het bezwaar van verzoeker eveneens ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen beide beslissingen op bezwaar. De beroepszaken zijn geregistreerd onder ROE 24/4089 (beroep tegen de beslissing op bezwaar van de minister) en ROE 25/865 (beroep tegen de beslissing op bezwaar van het college). Omdat WML is begonnen met (de voorbereidingen voor) het aanleggen van de drinkwaterleiding, heeft verzoeker in beide beroepszaken de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, samen met zijn broer L [naam] , de gemachtigden van verzoeker, de gemachtigden van het college, de gemachtigden van de minister, de gemachtigden van WML en N.E.G. Wishaupt, G.M.T.J. Minten en A.M.H.J. Faas namens WML.

Totstandkoming van de bestreden besluiten

5. WML wil een drinkwatertransportleiding aanleggen ter hoogte van de kadastrale percelen in de gemeente Voerendaal sectie L, nummers 1, 2, 4, 5, 11, 33, 237, 254, 255, 256, 257, 259, 291, 300 en sectie M, nummers 9, 10, 26, 226, 244, 246 en 275. Verzoeker is eigenaar van het perceel L 254 en erfpachter van de percelen L 255 en 256. Op deze percelen is het landgoed Kasteel Rivieren gelegen en heeft verzoeker een biologisch landbouwbedrijf. Overleg tussen WML en verzoeker, heeft niet geleid tot het verlenen van medewerking door verzoeker aan het realiseren van de drinkwatertransportleiding door zijn percelen. WML heeft daarom de minister op 29 augustus 2023, voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunning, verzocht om aan verzoeker een gedoogplicht op te leggen voor de te verrichten werkzaamheden. Op 1 november 2023 heeft WML de vergunning aangevraagd voor het aanleggen van de drinkwatertransportleiding.
6. De gedoogplicht is op 19 maart 2024 aan verzoeker opgelegd. Na het opleggen van de gedoogplicht heeft het college op de aanvraag van WML beslist. Het college heeft op 3 juni 2024 aan WML een omgevingsvergunning verleend. Het betreft het uitvoeren van een werk of werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
7. Verzoeker heeft tegen beide besluiten gemaakt. In beide bezwaarprocedures is het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Tegen beide ongegrondverklaringen heeft verzoeker beroep ingesteld.
8. WML heeft verzoeker op 27 februari 2026 een planning verstrekt van de uit te voeren werkzaamheden. De eerste werkzaamheden zouden in de tiende week van het jaar, vanaf 2 maart 2026, plaatsvinden. Verzoeker heeft daarom hangende beide beroepsprocedures om een voorlopige voorziening gevraagd. Gelet op de spoedeisende aard van de situatie heeft verzoeker voorafgaand aan de behandeling ter zitting de voorzieningenrechter verzocht om een ordemaatregel te treffen, teneinde WML te verbieden enige werkzaamheden te verrichten op de percelen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen. Inmiddels zijn de eerste werkzaamheden door WML verricht, namelijk het maaien van gras- of akkerveld. De overige werkzaamheden worden pas verricht na deze uitspraak.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Beperkte toets in de voorlopige voorzieningenprocedure
9. De rechtsvragen die in de beroepen aan de orde zijn, lenen zich niet voor een vergaande inhoudelijke beoordeling in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure die zich kenmerkt door een voorlopige beoordeling binnen een korte termijn. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom nu vooral tot het beantwoorden van de vraag of een afweging van de betrokken belangen moet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening en van de vraag of sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Aan een meer uitputtend oordeel over de beroepsgronden komt de voorzieningenrechter in deze procedure niet toe. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de hoofdzaak niet.
10. De voor deze uitspraak van belang zijnde wet- en regelgeving is als bijlage bij deze uitspraak opgenomen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
11. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit betekent onder andere dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. Als dat zo is, behandelt de voorzieningenrechter het verzoek (ook) inhoudelijk.
12. WML is begonnen met het verwijderen van beplanting op de percelen en wil graag op korte termijn verder met de overige werkzaamheden. Deze overige werkzaamheden zijn uitgesteld tot na deze uitspraak en WML wil deze zo spoedig mogelijk hervatten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker bij de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening een spoedeisend belang heeft.
Belangenafweging ten aanzien van het treffen van een voorlopige voorziening
13. Over de vraag of de belangen van verzoeker bij het niet uitvoeren van de werkzaamheden (het aanleggen van de drinkwaterleiding met alles wat daarbij hoort ter uitvoering van de verleende vergunning) voordat op zijn beroepen is beslist zwaarder wegen dan het belang van WML om de leiding zo snel mogelijk te kunnen aanleggen overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
14. Verzoeker stelt voornamelijk schade te zullen ondervinden van de werkzaamheden. Hij stelt dat het in stand houden van het landgoed kostbaar is en dat hij daartoe zijn biologisch landbouwbedrijf exploiteert. Het door WML gekozen tracé gaat door de percelen die onderdeel uitmaken van het landbouwbedrijf. Door de werkzaamheden worden planten op zijn percelen vernietigd en wordt hij beperkt in de mogelijkheden van het exploiteren van bepaalde delen van de percelen. Daarnaast vreest hij dat WML gebruik zal maken van gebiedsvreemde materialen, waardoor hij mogelijk het Skal-certificaat dat aan zijn bedrijf is toegekend kwijtraakt.
15. Volgens WML is de drinkwatervoorziening in Zuid-Limburg dringend aan herziening toe. De door haar gewenste drinkwaterleiding is bedoeld om leveringszekerheid te bieden. Het is volgens WML van groot algemeen belang dat de drinkwaterleiding gerealiseerd wordt.
16. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de belangen van verzoeker, die al te maken heeft met diverse leidingstroken over zijn percelen met de bijbehorende beperkingen die hij moet dulden en daar nu nog een leidingstrook bij krijgt, acht de voorzieningenrechter het belang van WML zwaarder wegen. Daarbij is voor de voorzieningenrechter van belang dat - naar voorlopig oordeel - de keuze voor dit tracé (die niet samenvalt met een van de andere leidingen) voldoende gemotiveerd is. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het belang van verzoeker - hoewel de gevolgen voor de bedrijfsvoering (of een mogelijke toekomstige bedrijfsvoering) ingrijpend kunnen zijn - uiteindelijk voornamelijk financieel van aard is en dat WML heeft toegezegd verzoeker schadeloos te stellen, ook indien hij zijn Skal-certificaat verliest. Dit laatste lijkt overigens niet aan de orde te zijn gelet op de toezegging van WML dat alleen met gebiedseigen grond (en dus geen grond van elders) zal worden gewerkt. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat WML onvoldoende minnelijk overleg met verzoeker heeft gepleegd. Dit minnelijk overleg heeft er juist toe geleid dat het tracé in het voordeel van verzoeker is aangepast. Dat deze aanpassingen voor verzoeker onvoldoende zijn, maakt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat WML niet voldaan heeft aan haar verplichting om in minnelijk overleg met verzoeker te treden.
17. Het voorgaande betekent dat een belangenafweging niet leidt tot de conclusie dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen. De voorzieningenrechter gaat hierna ten aanzien van de afzonderlijke besluiten in op de vraag of sprake is van evidente onrechtmatigheid, die wel tot het treffen van een dergelijke voorziening zou kunnen leiden.
Procedurele en formele aspecten met betrekking tot de primaire en bestreden besluiten
18. Verzoeker stelt dat de hoorzitting in bezwaar niet op de juiste wijze is verlopen. Daarnaast stelt hij dat zowel de aanvraag als de omgevingsvergunning op onjuiste wijze gepubliceerd zijn. Volgens verzoeker ontbreken stukken bij de vergunning of heeft hij deze niet, of slechts deels, ontvangen. Verzoeker stelt verder dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen is opgevraagd bij het waterschap Limburg en dat de Provincie Limburg ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken is geweest. Hij vindt dat WML niet bevoegd was om een overeenkomst van opstal te tekenen ten behoeve van percelen waarvan hij erfpachter is. Ook is hij van mening dat het college te weinig heeft gedaan aan participatie. Ten aanzien van de beslissing op bezwaar van de minister voert verzoeker ook aan dat hij niet alle onderliggende documenten heeft ontvangen.
19. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geven voorgaande, slechts beperkt onderbouwde stellingen, onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten evident onrechtmatig zijn en dus in beroep niet in stand kunnen blijven en geschorst moeten worden. Daarvoor heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk sprake is van gebreken - en is de voorzieningenrechter ook ambtshalve toetsend en voorlopig oordelend niet gebleken van dergelijke gebreken - en/of onvoldoende aangevoerd in hoeverre de door hem gestelde gebreken nog altijd niet hersteld zijn en/of dat dit gevolgen zou moeten hebben voor de bestreden besluiten.
De verleende omgevingsvergunning
20. Omdat WML voor 1 januari 2024 de omgevingsvergunning voor het aanleggen van de drinkwaterleiding heeft aangevraagd, blijft de Wabo met aanverwante wetgeving van toepassing op de verleende omgevingsvergunning en de daarover genomen beslissing op bezwaar. Dit volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
21. Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 18, onder d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo niet vereist indien deze activiteiten betrekking hebben op (voor zover hier van belang) ondergrondse buis- en leidingstelsels. [1]
22. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, wanneer dat bij bestemmingsplan is bepaald. [2] Op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo wordt een aanvraag voor de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of werkzaamheid in strijd is met de regels van het geldende bestemmingsplan of in strijd is met de regels die zijn gesteld in artikel 4.1, derde lid en artikel 4.3, derde lid van de Wet ruimtelijke ordening.
23. Op de percelen van het leidingtracé gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan Buitengebied 2013. Op de betreffende percelen (van het tracé) rusten de bestemmingen “Agrarisch”, “Agrarisch met waarden”, “Water” en “Verkeer – Wegverkeer”, de dubbelbestemmingen “Leiding – Leidingstrook”, “Waarde – Archeologie”, “Waterstaat – Waterlopen” en “Leiding – Riool en de gebiedsaanduidingen “Veiligheidszone – leiding”, “milieuzone – bodembeschermingsgebied”, “vrijwaringszone – weg 1” en “vrijwaringszone – weg 2”. In de artikelen 4.7.1, 6.7.1, 26.7.1, 27.7.1, 28.7.1 en 33.7.1 van de bestemmingsplanregels is, kort gezegd, bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren wanneer sprake is van het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies.
24. Het college heeft een vergunning verleend zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo. Daarvoor heeft het college gebruik gemaakt van de artikelen 4.7.3, 6.7.3, 26.7.3, 27.7.3, 28.7.3 en 33.7.3 van de planregels. De artikelen 4.7.3 en 6.7.3 bepalen, kort gezegd, dat de werken/werkzaamheden bedoeld in de artikelen 4.7.1 en 6.7. 1 slechts toelaatbaar zijn indien deze geen onevenredig nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor de aanwezige hydrologische, ecologische, bodemkundige en visuele waarden, alsmede de aanwezige agrarische waarden. Artikel 26.7.3 bepaalt dat de werken/werkzaamheden bedoeld in artikel 26.7.3 toegestaan zijn indien de reeds bestaande kabels en leidingen daardoor niet worden aangetast. Artikel 27.7.3 bepaalt dat de werken/werkzaamheden als bedoeld in artikel 27.7.1 slechts toelaatbaar zijn indien de bestaande rioolleiding daardoor niet onaanvaardbaar wordt belemmerd. Artikel 28.7.3 bevat onder meer mogelijkheden voor het college om archeologisch onderzoek te verplichten bij het uitvoeren van werken/werkzaamheden als bedoeld in artikel 28.7.1. Tot slot bepaalt artikel 33.7.3 dat de werken/werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 33.7.1 slechts toelaatbaar zijn indien deze geen onevenredige aantasting van het doelmatig functioneren van de waterloop met zich meebrengen.
25. Hetgeen onder 24 is vermeld, vormt het toetsingskader voor de onderhavige omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat, zoals volgt uit hetgeen onder 21 is weergegeven, een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wabo [3] niet vereist is. Hoewel een aanlegvergunning zoals hier aan de orde alleen kan worden verleend indien de betreffende werken en werkzaamheden passen binnen (de (doeleindenomschrijving van) de bestemming (en vervolgens indien voldaan is aan onder 24 genoemde criteria) kan (eventuele) strijd met de bestemming van de leiding in dit geval niet leiden tot weigering van die vergunning nu voor het afwijken van het bestemmingsplan en dus van de bestemming geen vergunning vereist is, wat impliceert dat geen toetsing aan het bestemmingsplan c.q. de bestemming hoeft plaats te vinden. Dat leidingentracés wel middels dubbelbestemmingen worden vastgelegd in het bestemmingsplan (onder meer) ter bescherming van de betreffende leidingenstroken doet niet aan af aan het ontbreken van een vergunningplicht voor de c-activiteit. Dat wel een aanlegvergunning is vereist, is niet in geschil.
26. Het college is tot de conclusie gekomen dat de aanvraag voor het aanleggen van de drinkwaterleiding voldoet aan de toetsingscriteria in het bestemmingsplan zoals onder 24 benoemd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter blijkt voldoende uit zowel de beslissing op bezwaar als de (bij het primaire besluit verleende) omgevingsvergunning met de daarbij behorende rapportages van de verrichte onderzoeken dat de in voornoemde artikelen genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast. Voor een belangenafweging anders dan de belangen zoals genoemd in voornoemd toetsingskader is gelet op hetgeen onder 25 is overwogen geen ruimte.
27. Het voorgaande brengt met zich mee dat het college terecht niet heeft getoetst of sprake is van een goede ruimtelijke ordening, in tegenstelling tot wat verzoeker stelt. Een dergelijke toets is, gelet op voornoemd toetsingskader, niet aan de orde. Ook schrijft het toetsingskader geen milieueffectrapportage of andere milieutoets voor, zoals verzoeker bepleit.
28. Verzoeker heeft verder gesteld dat ten onrechte geen stikstofberekening is overgelegd ten tijde van de aanvraag, waardoor de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. Inmiddels beschikt WML echter - nog afgezien van het feit dat ook stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden geen onderdeel vormt van voornoemd toetsingskader - over een natuurtoestemming ten aanzien van stikstof.
29. Gelet op het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een evident onrechtmatig besluit. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de omgevingsvergunning.
De gedoogplicht
30. Omdat WML voor 1 januari 2024 de minister heeft verzocht om een gedoogplicht aan verzoeker op te leggen, is op grond van artikel 4.27 van de Invoeringswet Omgevingswet de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) op de gedoogplicht van toepassing.
31. De BP bepaalt wanneer een rechthebbende van een onroerende zaak verplicht kan worden om te gedogen dat van die onroerende zaak gebruik wordt gemaakt voor de aanleg en instandhouding van een werk. De minister heeft, met inachtneming van artikel 1 van Pro de BP, op grond van artikel 2, vijfde lid, van de BP verzoeker de plicht opgelegd om te gedogen dat WML voor de drinkwaterleiding gebruik maakt van zijn perceel, omdat geen minnelijke overeenstemming is bereikt over dit gebruik. Daarnaast heeft de minister met toepassing van artikel 4, zesde lid, van de BP het aanleggen van de drinkwaterleiding uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
32. Verzoeker heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzocht om de opgelegde gedoogplicht te vernietigen. Op 29 augustus 2024 is dit verzoek door het gerechtshof afgewezen. Wel heeft het gerechtshof verzoeker gewezen op de bevoegdheidsverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter. De civiele rechter beoordeelt of de door de minister opgelegde plicht leidt tot meer belemmeringen dan redelijkerwijs voor de aanleg en de instandhouding van het werk nodig is. De bestuursrechter is enkel bevoegd om te beoordelen of bij het kiezen voor een bepaald tracé de belangen van verzoeker voldoende zijn meegewogen en daarmee of de gedoogplicht opgelegd had mogen worden.
33. Zoals hiervoor overwogen kan de verleende aanlegvergunning naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in stand blijven. Daarmee is het gekozen tracé vastgelegd. Het college heeft hiervan ook niet kunnen afwijken, omdat het college moet beslissen op de aanvraag die door WML is ingediend en het betreffende toetsingskader geen ruimte biedt voor een verdergaande ruimtelijke afweging en belangenafweging. Hoewel die ruimte er bij het opleggen van de gedoogplicht wel is, maakt de (later verleende) aanlegvergunning een koppeling met het daarmee vergunde tracé naar voorlopig oordeel logisch.
34. Verzoeker heeft aangegeven dat er verschillende mogelijkheden zijn om het tracé zodanig te verplaatsen dat hierdoor minder schade ontstaat op zijn percelen. Hij wijst op de mogelijkheden van het leggen van de drinkwaterleiding naast de bestaande rioolpersleiding en het leggen van de drinkwaterleiding naast een spoor in de omgeving.
35. WML heeft gemotiveerd aangegeven waarom de door verzoeker aangedragen alternatieven niet mogelijk zijn. Deze alternatieven stuiten op teveel belemmeringen, zowel ten aanzien van de veiligheid alsmede ten aanzien van cultuurhistorische waarde van de gronden waardoor de leidingen gelegd zouden moeten worden. In een eerder stadium heeft WML met verzoeker overleg gehad en is het tracé aangepast op een manier die voor verzoeker gunstiger is dan in eerste instantie door WML werd beoogd. WML heeft duidelijk toegelicht waarom er geen mogelijkheid bestaat om verder rekening te houden met de belangen van verzoeker dan al gebeurd is.
36. De voorzieningenrechter is dan ook van voorlopig oordeel dat het door WML gekozen tracé, en daarmee ook de door de minister opgelegde gedoogplicht, voldoende zorgvuldig en voldoende gemotiveerd tot stand is gekomen. WML heeft weerlegd waarom de alternatieven van verzoeker niet mogelijk zijn, gelet op de daarbij te dienen belangen, en waarom die belangen zwaarder wegen dan het belang van verzoeker en de minister heeft de gedoogplicht daarop mogen baseren. Hoewel verzoeker gesteld heeft dat de door hem aangedragen alternatieven beter zijn, heeft hij dit verder niet onderbouwd. Al met al concludeert de voorzieningenrechter, voorlopig oordelend, dat het gekozen tracé verzoeker, gelet op de belangen van de drinkwaterleiding en de noodzaak van het gekozen tracé, weliswaar in zijn belangen schaadt, maar dat dit niet onevenredig is.

Conclusie en gevolgen

37. De bestreden besluiten zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet evident onrechtmatig. De belangen van verzoeker, hoewel invoelbaar, bij het treffen van een voorlopige voorziening wegen minder zwaar dan de belangen die het college en de minister dienen met de bestreden besluiten, namelijk het belang van (een goede taakuitoefening door) WML en het algemeen belang, dus de belangen bij het kunnen uitvoeren van hetgeen de bestreden besluiten mogelijk maken. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 7 mei 2026
de griffier is verhinderd deze
voorzieningenrechter
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 7 mei 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

4.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen, diepploegen en/of egaliseren van de bodem;
het verrichten van exploratie- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen;
het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, behoudens bij wijze van verzorging;
het aanbrengen en/of amoveren van oppervlakteverhardingen;
het bebossen van gronden;
het aanbrengen van boomsingels en hakhoutwallen of andere lijnvormige beplantingen;
het aanleggen van een buitenmanege.
4.7.3 Toelaatbaarheid
Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien die werken en/of werkzaamheden geen onevenredig nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor de aanwezige hydrologische, ecologische, bodemkundige en visuele waarden, alsmede de aanwezige agrarische waarden. Bij de toetsing van de toelaatbaarheid van de werken en/of werkzaamheden worden de afwegingsaspecten, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels in acht genomen.
6.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
het wijzigen van de grondwaterstand en/of de waterhuishouding;
het verrichten van werkzaamheden die de dood of ernstige beschadiging van waardevolle vegetatie kunnen veroorzaken;
het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen, diepploegen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, behoudens bij wijze van verzorging;
het aanbrengen en/of amoveren van oppervlakteverhardingen;
het bebossen van gronden;
het aanbrengen van boomsingels en hakhoutwallen of andere lijnvormige beplantingen;
et aanleggen van een buitenmanege.
6.7.3 Toelaatbaarheid
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien die werken en/of werkzaamheden geen onevenredig nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor de aanwezige hydrologische, ecologische, bodemkundige en visuele waarden, alsmede de aanwezige agrarische waarden. Bij de toetsing van de toelaatbaarheid van de werken en/of werkzaamheden worden de afwegingsaspecten, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels in acht genomen.
26.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Leidingstrook' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
het wijzigen van maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
het verrichten van graafwerkzaamheden;
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het aanleggen van kabels en leidingen;
het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.
26.7.3 Toepassingscriteria
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 26.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien:
door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de veiligheid en het doelmatig functioneren van de in artikel 26.1 bedoelde kabels en leidingen niet worden aangetast;
daarover vooraf advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
27.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
het bodemniveau te wijzigen;
gesloten oppervlakteverhardingen aan te brengen;
diepwortelende beplantingen aan te brengen of te rooien;
graafwerkzaamheden uit te voeren anders dan normaal spit- en ploegwerk;
te heien of anderszins voorwerpen in de grond te brengen.
27.7.3 Toepassingscriteria
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 27.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien:
door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen het doelmatig functioneren van de in artikel 27.1 bedoelde leiding niet onaanvaardbaar wordt belemmerd;
daarover vooraf advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
28.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder ontgronden, afgraven, diepploegen en het aanbrengen van leidingen, op een grotere diepte dan 0,40 meter;
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze indrijven van (scherpe) voorwerpen in de bodem;
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
het verlagen of het verhogen van het waterpeil.
28.7.3 Voorwaarden aan vergunning
Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning als bedoeld in artikel 28.7.1, ter bescherming en behoud van archeologische waarden, de volgende voorschriften verbinden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor waardevolle elementen in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van een archeologisch (vervolg)onderzoek waaronder mede wordt verstaan het doen van een opgraving;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties;
indien het bepaalde onder c, van toepassing is: een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
33.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de tot 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;
het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen;
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/ of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
diepploegen;
het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies;
het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.
33.7.3 Toepassingscriteria
De werken of werkzaamheden als bedoeld in 33.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterloop.

Voetnoten

1.Zie hierover ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 5 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6584, onder 8. Ook onder het nieuwe recht geldt hiervoor overigens geen vergunningplicht: zie artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
2.Deze omgevingsvergunning wordt ook wel een aanlegvergunning genoemd.
3.Dus een vergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’.