Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4605

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
ROE 21/3476
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40.2 OER 2021Art. 37 OER 2021Art. 36.1 OER 2021Art. 21.5 OER 2021Art. 8:105 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging opleiding politievrijwilliger wegens onvoldoende praktijkresultaten bevestigd

Eiser volgde een duale opleiding tot assistent politiemedewerker niveau 2 bij de Politieacademie, die hij niet binnen de maximaal toegestane doorlooptijd, inclusief verlengingen vanwege Covid-19, heeft afgerond. De opleiding werd beëindigd omdat eiser onvoldoende praktijkstages had voltooid en een onvoldoende beroepshouding toonde.

Eiser voerde aan dat de opleiding te vroeg was beëindigd en dat hij onvoldoende begeleiding en feedback had ontvangen om zijn praktijkopdrachten te voltooien. De rechtbank oordeelde dat de opleiding conform de Onderwijs- en examenregeling (OER) was verlengd en dat eiser voldoende gelegenheid en begeleiding had gekregen. Eiser had onvoldoende contact gezocht met zijn werkbegeleiders en had onvoldoende gebruik gemaakt van de digitale leeromgeving.

De rechtbank concludeerde dat het besluit tot beëindiging van de opleiding op goede gronden berust en dat eiser onvoldoende procesbelang had om het beroep te handhaven, maar dat het beroep toch inhoudelijk werd behandeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee het beëindigingsbesluit in stand bleef.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de opleiding per 1 januari 2021.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 21/3476

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de commissie van beroep voor de examens, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.O. Visch).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de opleiding van eiser aan de Politieacademie. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder het beëindigingsbesluit in stand heeft mogen laten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het besluit tot beëindiging van de opleiding van eiser in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 16 februari 2021 heeft het sectorhoofd basis politieonderwijs (het sectorhoofd) de opleiding van eiser tot assistent politiemedewerker voor de vrijwillige politie (VP) niveau 2 (de opleiding) beëindigd, omdat eiser binnen de daarvoor maximaal toegestane doorlooptijd, inclusief verlenging, onvoldoende resultaten heeft behaald.
2.1.
Op 1 maart 2021 heeft eiser tegen dit besluit bij verweerder administratief beroep ingediend.
2.2.
Bij uitspraak van 21 mei 2021 heeft verweerder het administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 februari 2021 vernietigd en bepaald dat het sectorhoofd een nieuw zorgvuldig gemotiveerd besluit dient te nemen.
2.3.
Met het besluit van 2 juli 2021 (het primaire besluit) heeft het sectorhoofd nogmaals besloten de opleiding van eiser te beëindigen, omdat eiser binnen de daarvoor maximaal toegestane doorlooptijd, inclusief verlenging, onvoldoende resultaten heeft behaald. De onvoldoende resultaten hebben betrekking op eisers portfolio en praktijkopdrachten. In verband met de gevolgen van Covid-19 is eisers opleiding op grond van de Onderwijs- en examenregeling (OER) twee maal verlengd. De laatste verlenging is toegekend tot 1 januari 2021, zodat eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn praktijkopdrachten af te ronden. Het is eiser echter niet gelukt om zijn opleiding binnen deze termijn af te ronden. Door de begeleiders is onder andere aangegeven dat eiser gedurende zijn praktijkperiode een onvoldoende beroepshouding liet zien en dat hierin, ondanks de gegeven feedback, geen verandering kwam. Daarnaast zijn praktijkopdrachten veelal niet door eiser uitgevoerd, zijn feedbackformulieren niet door eiser persoonlijk opgemaakt en/of niet ingeleverd en heeft eiser meerdere portfolio-opdrachten niet ingeleverd en/of niet conform gestelde eisen ingeleverd.
2.4.
Op 28 juli 2021 heeft eiser tegen dit besluit bij verweerder administratief beroep ingediend.
2.5.
Bij uitspraak van 22 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Hieraan ligt ten grondslag dat vaststaat dat eiser vier praktijkstages niet heeft gedaan of niet juist heeft uitgevoerd. Uit de onderbouwing bij het primaire besluit is gebleken dat eiser onvoldoende activiteit heeft ondernomen om zijn stages vorm te geven en niet of onvoldoende met de voor hem aangewezen begeleiders ( [naam begeleider] en [naam werkbegeleider] ) contact heeft gehad, terwijl voor eiser duidelijk had moeten zijn dat dit wel de bedoeling was.
Wat betreft het examen verkeerscontrole had het voor eiser duidelijk moeten zijn dat hij geacht werd eerst de praktijk te doorlopen en dan pas het examen af te leggen. Eiser had geen toestemming van de Politieacademie om het examen verkeerscontrole op de door hem gekozen wijze af te leggen. Hiermee heeft eiser onbehoorlijk gehandeld en dit getuigt van een verkeerde beroepshouding.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep voor de eerste keer op 17 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van verweerder, vergezeld van J. Beuns.
2.9.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen er samen uit te komen.
2.10.
Op 8 mei 2025 heeft het mediationbureau van de rechtbank bericht dat de mediation is beëindigd en dat partijen gedeeltelijk overeenstemming hebben bereikt.
2.11.
Bij brief van 15 juni 2025 heeft eiser de rechtbank laten weten dat hij zijn beroep niet intrekt en alsnog een inhoudelijke behandeling van zijn beroep wenst.
2.12.
Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van verweerder, vergezeld van kantoorgenoot mr. G. Wind en J. Beuns.

Beoordeling door de rechtbank

De voor deze zaak belangrijke feiten en omstandigheden
3. Eiser heeft een baan als accountant. Daarnaast is hij sinds 1 januari 2013 werkzaam als vrijwilliger bij de politie-eenheid Limburg.
3.1.
Op donderdag 8 november 2018 (week 45) is eiser gestart met de opleiding. Het was een pilotopleiding die erop gericht was om de politievrijwilligers meer te professionaliseren van niveau 2 smal naar niveau 2 breed. Het was een duale opleiding, hetgeen betekent dat studie en praktijk worden afgewisseld. In de studiegids ligt besloten dat studenten de geleerde theorie direct in de praktijk konden brengen en de studenten vervolgens de punten waar zij in de praktijk tegenaan liepen weer als leervragen bij hun docenten konden neerleggen.
3.2.
De opleiding bestond uit vijf beroepstaken (1. Politiële vaardigheden, 2. Houdt toezicht in het publiek domein, 3. Houdt toezicht in het verkeer, 4. Neemt aangifte op en 5. Arrestantenbeveiliging) die allemaal met een voldoende moesten worden afgerond.
Naast het theoriegedeelte moesten er zes stages (1. Neem aangifte op van eenvoudige delicten, 2. Arrestantenzorg, 3. Assisteer bij misdrijven, 4. Houd toezicht en treed op in de wijk, 5. Assisteer bij verkeerscontroles en 6. Assisteer bij verkeersongevallen) in de praktijk worden gelopen. In It’s learning, de digitale leeromgeving, waren alle (praktijk)opdrachten, examendocumenten en bronmateriaal voor de opleiding te vinden.
3.3.
Op 7 mei 2019 heeft eiser de stage arrestantenzorg en op 11 oktober 2019 de beroepstaak arrestantenbeveiliging met een voldoende afgerond.
3.4.
Op 5 november 2019 heeft er een eerste voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [naam trajectbegeleider] (trajectbegeleider), de heer [naam lijnchef] (lijnchef) en eiser. Op dat moment bleek dat eiser behalve de stage arrestantenzorg geen andere praktijkstage had gedaan. Afgesproken is dat eiser meteen met zijn andere praktijkstages zou gaan beginnen.
3.5.
Op 16 december 2019 heeft er opnieuw een voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [naam trajectbegeleider] , [naam lijnchef] en eiser. Op dat moment was eiser nog niet begonnen met de rest van zijn praktijkstages. Afgesproken is dat mevrouw [naam praktijkbegeleider] eisers praktijkbegeleider zou worden en de heer [naam werkbegeleider] eisers vaste werkbegeleider. Het was de bedoeling dat eiser contact zou opnemen met [naam werkbegeleider] en dat hij met hem werkafspraken zou maken en met hem zijn stageopdrachten zou doorlopen.
3.6.
Op 8 januari 2020 heeft eiser voor het eerst feedbackformulieren bij [naam praktijkbegeleider] ingeleverd.
3.7.
In een e-mail van 4 februari 2020 heeft [naam praktijkbegeleider] op de door eiser ingeleverde feedbackformulieren gereageerd. Haar conclusie is dat eiser nog niet aan alle onderdelen / criteria van de praktijkopdrachten heeft voldaan. Verder heeft zij eiser uitleg gegeven over het invullen van een feedbackformulier waarbij ook een voorbeeld van een ingevuld feedbackformulier is gevoegd.
3.8.
In een algemene e-mail van eveneens 4 februari 2020 heeft [naam trajectbegeleider] de studenten van de opleiding dezelfde uitleg gegeven over het invullen van een feedbackformulier.
Ook heeft [naam trajectbegeleider] in deze e-mail aandacht gevraagd voor de beroepshouding. Die is onlosmakelijk verbonden met elke opdracht. Dit betekent dat als de beroepshouding niet voldoet aan de gestelde eisen, de opdrachten niet afgetekend worden. Het gaat om het totaalplaatje.
3.9.
In een e-mail van 23 maart 2020 heeft [naam trajectbegeleider] aan eiser gevraagd hoe het met zijn praktijkstages gaat, omdat zij al lange tijd niets meer van hem heeft gehoord. [naam trajectbegeleider] heeft eiser gevraagd om een reflectieverslag te maken over de vraag hoe hij denkt de opleiding af te ronden. Op 1 april 2020 heeft [naam trajectbegeleider] haar vragen nogmaals gesteld.
Op beide e-mails heeft eiser niet gereageerd.
3.10.
Op 8 mei 2020 heeft eiser een aantal bijlagen met daarin vastgelegde stagemomenten en aangepaste feedbackformulieren bij [naam praktijkbegeleider] ingeleverd.
3.11.
Op 11 mei 2020 heeft [naam lijnchef] eiser een e-mail gestuurd en hem uitgenodigd voor een gesprek op 11 juni 2020. Als bijlage heeft hij een concept plan van aanpak gevoegd met als doel op een gestructureerde manier toe te werken naar een succesvolle afronding van de opleiding.
3.12.
In een e-mail van 18 mei 2020 heeft [naam praktijkbegeleider] kort op de door eiser ingeleverde formulieren gereageerd.
3.13.
In een e-mail van 26 mei 2020 heeft [naam praktijkbegeleider] eiser bericht dat ze overleg heeft gehad met [naam trajectbegeleider] en [naam lijnchef] en dat het niet zinvol lijkt om vóór het geplande gesprek op 11 juni 2020 nog telefonisch contact met elkaar te hebben, omdat het gesprek dan dubbelop is. Wel heeft zij eiser voor een goede voorbereiding op het gesprek geadviseerd om op It’s Learning te kijken wat per onderdeel de vereiste diensten en producten zijn. Daarnaast is nogmaals het verzoek aan eiser gedaan om het gevraagde reflectieverslag naar [naam trajectbegeleider] te sturen, zodat dat kan worden ingepast in het plan van aanpak.
3.14.
Op 11 juni 2020 heeft een gesprek met [naam trajectbegeleider] , [naam lijnchef] , [naam praktijkbegeleider] en eiser plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is aan eiser medegedeeld dat de Politieacademie voornemens is om de opleiding van eiser te beëindigen. Reden daarvoor was (met name) de handelwijze van eiser bij het afleggen van het examen Assisteren bij verkeerscontrole. Eiser had aan dat examen deelgenomen, terwijl dit niet was toegestaan nu hij niet eerst zijn portfolio van de aan dit onderdeel gekoppelde praktijkopdracht had afgerond. Van dit gesprek is geen verslag gemaakt.
3.15.
[naam lijnchef] heeft het resultaat van dit gesprek bij de heer [naam teamchef] (teamchef, verbonden aan de Politieacademie) neergelegd met de bedoeling om de opleiding van eiser te laten beëindigen.
3.16.
Op 27 juli 2020 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [naam teamchef] , [naam lijnchef] en eiser. Tijdens dit gesprek is aan eiser medegedeeld dat zolang er nog geen beëindigingsbesluit is genomen, eiser door kan gaan met zijn opleiding. Ook van dit gesprek is geen verslag gemaakt.
3.17.
Bij e-mail van 10 september 2020 heeft [naam teamchef] eiser bericht dat hij tot 4 oktober 2020 de tijd krijgt om de benodigde competenties inclusief praktijkopdrachten te verwerven.
3.18.
Op 11 september 2020 heeft eiser [naam teamchef] gemaild dat de datum 4 oktober 2020 voor hem niet haalbaar is, omdat zijn opleiding volgens hem sinds het gesprek op 11 juni 2020 “on hold” stond waardoor hij sinds die tijd niet meer aan zijn competenties heeft kunnen werken.
3.19.
In verband met de Covid-19 maatregelen is de opleidingsduur voor alle studenten van de opleiding voor een tweede keer verlengd tot 1 januari 2021. Dit is aan alle studenten gecommuniceerd in het digitale systeem It’s Learning. Dit gold dus ook voor eiser.
3.20.
Op 19 januari 2021 heeft er een zienswijzegesprek plaatsgevonden tussen [naam teamchef] en eiser.
3.21.
Vervolgens heeft de Politieacademie de onder “Procesverloop” genoemde besluiten genomen.
Procesbelang
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de ambtshalve te beoordelen vraag gesteld of eiser nog (voldoende) procesbelang heeft bij zijn beroep. Indien eiser onvoldoende procesbelang heeft, is het beroep niet-ontvankelijk en komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.
4.1.
Er is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van dat beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dit is vaste rechtspraak [1] . Het hebben van alleen maar een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Dit is ook vaste rechtspraak [2] .
4.2.
De rechtbank heeft eiser op de tweede zitting gevraagd wat hij met deze procedure wil bereiken nu hij in het najaar van 2024 is begonnen met een nieuwe opleiding als politievrijwilliger in een nieuw curriculum (van niveau 2 naar niveau 4). In reactie op die vraag heeft eiser, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht. Een derde van zijn klas van de nieuwe opleiding is inmiddels gestopt en het is de vraag of hij zelf de eindstreep gaat halen. Als hij met de nieuwe opleiding stopt, heeft hij helemaal niets. Zijn primaire doel is een diploma halen. Daarnaast wil eiser alsnog feedback ontvangen op zijn in mei 2020 ingeleverde portfolio. Daarmee kan hij vervolgens zijn portfolio aanpassen en opnieuw indienen. Op die manier kan hij aantonen dat hij de competenties wel beheerst en wellicht alsnog zijn diploma op niveau 2 krijgen. Dan heeft hij alsnog een diploma.
4.3.
Omdat de rechtbank niet kan uitsluiten dat hetgeen eiser met deze procedure wil bereiken mogelijk is en een diploma op niveau 2 voor eiser feitelijke betekenis heeft, neemt de rechtbank in dit geval procesbelang aan en komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Duur opleiding
5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij na 1 januari 2021 nog eigenlijk 18 weken opleiding te goed had door de lockdown van 15 maart 2020 tot 1 januari 2021. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat eiser van mening is dat zijn opleiding te vroeg is beëindigd. Daarnaast is eiser van mening dat [naam teamchef] hem op 12 januari 2021 heeft toegezegd dat hij de opleiding af mocht maken met een nieuwe trajectbegeleider.
5.1.
De opleiding van eiser is beëindigd op grond van artikel 40.2, aanhef en onder d, van de OER 2021. Daarin is bepaald dat de inschrijving van de student door het verantwoordelijke sectorhoofd wordt beëindigd als de maximaal toegestane doorlooptijd inclusief eventuele verlenging als bedoeld in artikel 37 van Pro de OER 2021 is verstreken.
5.2.
In artikel 36.1 van de OER 2021 – voor zover hier relevant – staat dat, voor studenten die vanaf week 5 van 2015 zijn gestart met een politieopleiding die één jaar of langer duurt, geldt dat de maximaal toegestane doorlooptijd gelijk staat aan de standaard doorlooptijd plus één derde verlenging. Binnen de maximaal toegestane doorlooptijd moeten alle examens met een voldoende zoals bedoeld in artikel 21.5 van de OER 2021 zijn afgelegd.
5.3.
De opleiding van eiser had een nominale duur van 66 weken. De maximaal toegestane doorlooptijd was dan 88 weken (66 weken plus één derde verlenging). Uit het dossier blijkt dat eiser in week 45 van 2018 (donderdag 8 november 2018) is begonnen met de opleiding. 88 weken later was het donderdag 16 juli 2020 (week 29). In verband met de Covid-19 maatregelen is de opleidingsduur voor alle studenten van de opleiding twee keer verlengd. De eerste keer tot 4 oktober 2020 en de tweede keer tot 1 januari 2021. Dit betekent dat de opleiding van eiser 24 weken langer heeft geduurd dan de nominale opleidingsduur inclusief verlenging. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de opleiding in het geval van eiser dus niet te vroeg is beëindigd. De rechtbank voegt daaraan toe dat is gebleken dat er ook tijdens de door eiser genoemde lockdown door de politie werd gewerkt en door eiser praktijkstages konden worden doorlopen, zodat daarin geen reden is gelegen voor een aanvullende verlenging. Bovendien heeft eiser ook niet om een aanvullende verlenging gevraagd. Verder volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn standpunt dat hem is toegezegd dat hij na 1 januari 2021 de opleiding mocht afmaken met behulp van een nieuwe trajectbegeleider. Uit de e-mails die eiser heeft overgelegd, blijkt geenszins dat hem dat door [naam teamchef] is toegezegd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Feedback en begeleiding
6. Eiser heeft verder in beroep aangevoerd dat, nadat zijn portfolio in mei 2020 als onvoldoende is beoordeeld, hij heeft gevraagd om inhoudelijke feedback, begeleiding en hulp bij het opstellen van een plan van aanpak. Eiser is van mening dat deze hulpvraag nooit is beantwoord en dat hij daardoor niet in staat was om zijn stageopdrachten op te pakken.
Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij dacht dat zijn opleiding in het gesprek van 11 juni 2020 “on hold” was gezet. Hierdoor is hij ook niet verder gegaan met zijn stages.
Eiser is van mening dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zichzelf te verbeteren voordat de Politieacademie zijn opleiding kon beëindigen. Hierdoor is het hem niet aan te rekenen dat hij de opleiding niet binnen de daarvoor gestelde termijn met een voldoende heeft afgerond.
6.1.
In artikel 40.2 van de OER 2021 staat dat het verantwoordelijke sectorhoofd de opleiding alleen mag beëindigen als de opleiding voor zodanige voorzieningen heeft gezorgd dat de mogelijkheden voor een goede studievoortgang zijn gewaarborgd.
6.2.
Het staat vast dat eiser op 1 januari 2021 in ieder geval nog vier stages (neem aangifte op van eenvoudige delicten, assisteer bij misdrijven, houd toezicht en treed op in de wijk en assisteer bij verkeersongevallen) met een voldoende moest afronden. De stage assisteer bij verkeerscontroles heeft eiser weliswaar met een voldoende afgesloten, maar zonder dat hij had voldaan aan de voorwaarden voor deelname aan deze stage / dit examen.
6.3.
De rechtbank heeft op de tweede zitting met partijen vastgesteld dat eiser het theoriegedeelte van alle beroepstaken heeft behaald, maar dat hij is achtergebleven met zijn praktijkstages. Eiser wilde de resterende stages aan het einde van zijn opleiding doen.
6.4.
Omdat tijdens het voortgangsgesprek op 5 november 2019 bleek van de door eiser voorgestelde timing van de stages, is in december 2019 met hem de afspraak gemaakt dat [naam werkbegeleider] zijn vaste werkbegeleider zou worden en dat eiser met hem werkafspraken zou maken en met hem zijn stageopdrachten zou doorlopen. [naam praktijkbegeleider] zou eisers praktijkbegeleider worden. In de basis diende hij feedback te krijgen van de aangewezen werkbegeleider en zou [naam praktijkbegeleider] toetsen of de feedbackgever competent is voor het betreffende onderdeel. Het was de bedoeling dat, als eisers werkbegeleider van mening was dat eiser voldoende feedback had gekregen en eiser competent was voor het betreffende onderdeel, eiser alle feedbackblokken in één document bij [naam praktijkbegeleider] zou aanleveren.
6.5.
Op 8 januari 2020 heeft eiser voor het eerst feedbackformulieren bij [naam praktijkbegeleider] ingeleverd.
6.5.1.
Vervolgens heeft [naam praktijkbegeleider] in de hiervoor genoemde e-mail van 4 februari 2020 op deze formulieren gereageerd. Haar conclusie was dat eiser nog niet aan alle onderdelen / criteria van de praktijkopdrachten had voldaan. [naam praktijkbegeleider] heeft eiser geadviseerd om een afspraak met zijn werkbegeleider te maken om samen te kijken met welke criteria hij al bezig was en waar hij nog wat mee moest doen. Concreet met betrekking tot de stage “assisteer bij misdrijven” heeft [naam praktijkbegeleider] de volgende feedback gegeven:
“1e casus. Hier wordt vooral omschreven welke werkzaamheden je hebt gedaan. Maar ze zijn niet gespecialiseerd op de criteria die gevraagd worden. Je hebt geassisteerd bij een misdrijf en taken verricht. Maar heb je regie genomen en gehouden? Heb je contact gehad met de meldkamer en deze geïnformeerd? Hoe ging het samenwerken? Hoe reageerde je op de burgers? Nou ja… Precies zoals in de criteria staat…
2e casus. Hier wordt wel mooi teruggepakt op je eerdere leermoment, dat is natuurlijk wel een super feedback. Maar voor de rest zie je hier ook vooral een opsomming van hetgeen je gedaan hebt en worden de genoemde criteria niet beschreven.”
[naam praktijkbegeleider] heeft haar e-mail afgerond met het voorstel dat eiser samen met zijn werkbegeleider nog enkele diensten van deze opdracht meepakt en zijn ervaringen uit eerdere diensten gebruikt om feedback op alle criteria te vergaren. Bij de e-mail is ook een voorbeeld van een ingevuld feedbackformulier gevoegd. Bij het kopje handtekening staat het volgende:

Hier wordt getekend als uit diverse diensten / taken blijkt dat je op alle criteria voldoende scoort. Als de aangewezen werkbegeleider vindt dat je competent bent, lever je de feedbackformulieren in bij de praktijkbegeleider van de VP”.
6.5.2.
Omdat de trajectbegeleider en de praktijkbegeleider merkten dat er onder de studenten nog veel onduidelijkheid bestond over het invullen van feedbackformulieren, is er een document gemaakt met daarin uitleg over het invullen van een feedbackformulier. Dit is de algemene e-mail van eveneens 4 februari 2020 van [naam trajectbegeleider] aan de studenten van de opleiding gecommuniceerd. Ook bij deze e-mail is het voorbeeld van een ingevuld feedbackformulier gevoegd.
6.5.3.
Op 8 mei 2020 heeft eiser voor de tweede keer bijlagen met daarin vastgelegde stagemomenten en aangepaste feedbackformulieren bij [naam praktijkbegeleider] ingeleverd.
6.5.4.
In een e-mail van 18 mei 2020 heeft [naam praktijkbegeleider] op de documenten van eiser gereageerd. Het is haar opgevallen dat de oude feedbackformulieren zijn aangepast, maar dat er geen nieuwe documenten en dus ook geen nieuwe leermomenten zijn toegevoegd. Ook is er geen feedback terug te vinden van de aan eiser toegekende werkbegeleiders ( [naam begeleider] en [naam werkbegeleider] ). Wat betreft de beroepstaak “neemt aangifte op” heeft [naam praktijkbegeleider] opgemerkt dat er alleen maar oefenaangiftes tussen zitten en geen echte aangiftes. Oefenen is goed, maar het gaat uiteindelijk om de praktijkervaringen met echte aangevers en echte emoties. Daarnaast ontbreken er beroepsproducten, zoals een proces-verbaal aanhouding en een proces-verbaal bevindingen. [naam praktijkbegeleider] heeft eiser geadviseerd om dit allemaal nog eens precies na te kijken.
6.5.5.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de e-mails van 4 februari 2020 en 18 mei 2020 van [naam praktijkbegeleider] bruikbare feedback heeft gekregen waar hij mee aan de slag kon gaan. Er was voor hem geen beletsel om contact op te nemen met zijn werkbegeleiders en met hen te bespreken hoe hij zijn praktijkstages het beste kon gaan aanpakken. Van zijn werkbegeleiders zou eiser dan ook feedback op detail krijgen. Voor deze feedback op detail moest eiser in ieder geval niet bij [naam praktijkbegeleider] , [naam lijnchef] , [naam trajectbegeleider] of [naam teamchef] zijn.
6.5.6.
Dat eiser sinds februari 2020 nauwelijks nog praktijkstages heeft gedaan en na mei 2020 is blijven vasthouden aan een volgens hem gedane toezegging dat hij in het gesprek op 11 juni 2020 feedback zou krijgen op de door hem op 8 mei 2020 ingeleverde formulieren, komt naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening en risico. Dat hem meer gedetailleerde feedback dan reeds gegeven zou zijn toegezegd, is de rechtbank ook niet gebleken. Weliswaar is volgens partijen op 11 juni 2020 niet over het concept plan van aanpak gesproken, vanwege de voorgenomen beëindiging van de opleiding, maar het was voor eiser in ieder geval sinds het gesprek op 27 juli 2020 met [naam teamchef] en [naam lijnchef] duidelijk dat hij door mocht met zijn opleiding (
in afwachting van een eventueel besluit kan hij zijn “ding” blijven doen) en dat het daarvoor in ieder geval nodig was dat hij contact moest opnemen met zijn werkbegeleiders om zijn vier stages met een voldoende af te kunnen ronden. Om dit met zijn werkbegeleiders op te pakken en hiermee aan de slag te gaan, had eiser geen feedback nodig. Hij moest juist stages gaan lopen om feedback te krijgen. Eiser heeft echter ook na dit gesprek geen contact opgenomen met zijn werkbegeleiders en is niet verder gegaan met zijn stages. Ook heeft eiser It’s Learning tijdens zijn opleiding nauwelijks geraadpleegd om na te gaan hoe en welke opdrachten dan wel diensten of producten hij nog moest aanleveren en sinds de zomer van 2020 in het geheel niet meer. Van de studenten werd dit wel verwacht, zoals ook blijkt uit verwijzing en uitleg daarover in de Studiegids (onder 5.6.).
6.6.
De rechtbank is verder van oordeel dat uit het dossier blijkt dat eiser tijdens zijn opleiding voldoende begeleiding heeft gekregen dan wel heeft kunnen krijgen. Dat blijkt niet alleen uit de hiervoor onder 6.5. en volgende weergegeven gang van zaken. Eiser is ook meerdere malen door [naam trajectbegeleider] en [naam praktijkbegeleider] benaderd met de vraag of hij nog vragen heeft, of het goed gaat met het verloop van zijn opleiding en of zij nog iets voor hem kunnen betekenen. In dit verband wijst de rechtbank op bijvoorbeeld de app/mails van [naam trajectbegeleider] respectievelijk [naam praktijkbegeleider] van 2 februari en 26 maart 2019 en 23 maart en 7 april 2020.
6.7.
Tot slot kan eisers stelling dat hij niet wist dat zijn opleiding tot 1 januari 2021 verlengd was hem niet baten. Deze verlenging is aan alle studenten bekend gemaakt via It’s Learning. Het is eisers eigen verantwoordelijkheid om berichtgeving via It’s Learning bij te houden. Dat hij dit sinds de zomer van 2020 niet meer gedaan heeft, komt naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening en risico.
6.8.
Hoewel de rechtbank onderkent dat eiser zich heeft ingezet voor zijn opleiding, is verweerder op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het besluit tot beëindiging van de opleiding in stand kan blijven.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de Politieacademie de opleiding van eiser per 1 januari 2021 heeft mogen beëindigen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, voorzitter, en mr. G. Leijten en mr. P.H. Broier, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 11 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep [3] waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
3.Zie artikel 8:105, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 10, tweede volzin, van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb) in samenhang met artikel 3, aanhef en onder f, van de Ambtenarenwet 2017 in samenhang met artikel 2, aanhef en onder c, van de Politiewet 2012 in samenhang met artikel 1 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie.