ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij beëindiging WAO-uitkering
Appellant, voormalig taxateur, ontving sinds 6 juli 2000 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Het UWV had de uitkering bij besluit van 12 april 2002 herzien en bij besluit van 9 augustus 2002 het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betwist appellant het standpunt van het UWV dat hij niet meer geschikt zou zijn voor zijn werkzaamheden, mede vanwege een arbeidsconflict en zijn kansen op de arbeidsmarkt. Tijdens de zitting van 19 september 2006 verscheen appellant niet. Het UWV gaf aan dat de WAO-uitkering per 27 januari 2005 was beëindigd, maar het besluit hierover kon niet worden achterhaald.
De Raad vroeg appellant naar zijn procesbelang, waarop diens gemachtigde aangaf dat er geen procesbelang meer was. Hoewel het hoger beroep werd gehandhaafd wegens gebrek aan instructie om het in te trekken, oordeelde de Raad dat het ontbreken van procesbelang tot niet-ontvankelijkheid leidt. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.