ECLI:NL:RBLIM:2026:4683

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
12020444 \ CV EXPL 25-6278
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:37 BWArt. 7:400 lid 1 BWArt. 3:296 BWArt. 6:119 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overeenkomst van opdracht tijdig opgezegd volgens ontvangsttheorie, factuur niet verschuldigd

Op 5 april 2023 sloten [eisende partij] B.V. en Stichting Oogstdankfeest een overeenkomst voor beveiliging tijdens het Augst Cultuurfestival. De overeenkomst werd stilzwijgend jaarlijks verlengd, met een opzegtermijn vóór 1 mei. Stichting Oogstdankfeest zegde de overeenkomst op 29 april 2025 op, wat zij met een track-and-trace bewijs onderbouwde.

[eisende partij] betwistte de tijdigheid van de opzegging en vorderde betaling van een factuur van €5.012,74 plus incassokosten. De kantonrechter stelde vast dat de ontvangsttheorie (artikel 3:37 BW Pro) bepaalt dat een verklaring pas werkt bij ontvangst. Stichting Oogstdankfeest toonde aan dat de opzegbrief op 30 april 2025 door [eisende partij] was ontvangen, wat niet werd betwist.

De kantonrechter wees de vorderingen van [eisende partij] af omdat de opzegging tijdig was gedaan. Ook werden de incassokosten en rente afgewezen. [eisende partij] werd veroordeeld in de proceskosten van €864,00. Het vonnis werd op 13 mei 2026 gewezen door mr. Timmermans-Vermeer.

Uitkomst: De overeenkomst is tijdig opgezegd, waardoor Stichting Oogstdankfeest de factuur niet hoeft te betalen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12020444 \ CV EXPL 25-6278
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te Landgraaf,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. M.M.J.P. Penners,
tegen
STICHTING OOGSTDANKFEEST,
te Urmond,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stichting Oogstdankfeest,
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief van 12 maart 2026 waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de door [eisende partij] nader overlegde producties 13 en 14,
- de mondelinge behandeling van 15 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] en Stichting Oogstdankfeest hebben op 5 april 2023 een overeenkomst gesloten voor de beveiliging en het toezicht door [eisende partij] voor het Augst Cultuurfestival.
2.2.
Op grond van de overeenkomst van 5 april 2023 is Stichting Oogstdankfeest voor de uitvoering van 47,5 uren beveiliging een bedrag van € 2.150,00 aan [eisende partij] verschuldigd. Afgesproken is dat voor extra personeel een uurtarief van € 53,25 wordt gehanteerd.
2.3.
In de tussen partijen gesloten overeenkomst staat dat de overeenkomst elk jaar stilzwijgend wordt verlengd en dat opzegging vóór 1 mei van het betreffende jaar moet gebeuren.
2.4.
Stichting Oogstdankfeest heeft de overeenkomst per brief van 29 april 2025 opgezegd welke brief op het adres van [eisende partij] is afgeleverd.
2.5.
Per e-mail van 6 mei 2025 heeft [eisende partij] aan Stichting Oogstdankfeest laten weten dat er niet tijdig is opgezegd door Stichting Oogstdankfeest en dat [eisende partij] niet instemt met deze opzegging.
2.6.
Op 23 mei 2025 is er een gesprek geweest tussen [eisende partij] en Stichting Oogstdankfeest waarin de opzegging is besproken.
2.7.
Stichting Oogstdankfeest heeft op 18 juni 2025 aan [eisende partij] laten weten dat zij blijft bij haar opzegging.
2.8.
[eisende partij] heeft op 9 oktober 2025 aan Stichting Oogstdankfeest een factuur gestuurd voor een bedrag van € 5.012,74. Ook heeft [eisende partij] een herinnering hiervan naar Stichting Oogstdankfeest gestuurd.
2.9.
Stichting Oogstdankfeest heeft de desbetreffende factuur tot dusver niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van Stichting Oogstdankfeest tot betaling van € 5.012,74 aan hoofdsom en € 625,64 aan buitengerechtelijke incassokosten, te verhogen met rente en kosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan haar vordering een onbetaald gelaten factuur ten grondslag. Ter onderbouwing van haar vordering overlegt [eisende partij] een tussen partijen gesloten overeenkomst voor het toezicht en de beveiliging tijdens het Augst Cultuurfestival. Nu Stichting Oogstdankfeest ondanks sommaties van [eisende partij] deze factuur niet heeft betaald, vordert [eisende partij] een bedrag van € 5.012,74 in hoofdsom van Stichting Oogstdankfeest.
3.3.
Stichting Oogstdankfeest betwist dat zij de factuur van [eisende partij] moet betalen. Stichting Oogstdankfeest voert primair aan dat zij de overeenkomst met [eisende partij] tijdig heeft opgezegd. De overeenkomst diende vóór 1 mei te worden opgezegd en dat heeft Stichting Oogstdankfeest gedaan. De brief van 29 april 2025 waarin Stichting Oogstdankfeest opzegt, is op 30 april 2025 op het adres van [eisende partij] bezorgd. Daarbij is er getekend voor ontvangst hetgeen blijkt uit het track-and-trace overzicht. Subsidiair voert Stichting Oogstdankfeest aan dat, mocht de kantonrechter ondanks de stellige betwisting oordelen dat de opzegging niet tijdig is gedaan, [eisende partij] geen aanspraak kan maken op de volle prijs van vijf beveiligers. Ten eerste is de factuur te hoog en ten tweede is het gelet op alle omstandigheden van het geval in strijd met de redelijkheid om het volle loon toe te wijzen zonder rekening te houden met de besparingen die uit de voortijdige beëindiging zijn voortgevloeid. Stichting Oogstdankfeest concludeert daarom primair tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] en subsidiair tot matiging van de vordering tot een bedrag dat de kantonrechter redelijk vindt. Daarnaast vordert Stichting Oogstdankfeest een voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisende partij] af. Hieronder licht de kantonrechter dit oordeel toe.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat er op 5 april 2023 een overeenkomst van opdracht [1] is gesloten en dat dit een voortdurende overeenkomst is. [eisende partij] vordert nakoming van de betaalverplichting uit die overeenkomst. [2] Partijen twisten over de vraag of de overeenkomst tijdig is opgezegd. In de tussen partijen gesloten overeenkomst is namelijk bepaald dat de overeenkomst ingaat op de dagtekening en elk jaar stilzwijgend wordt verlengd. Opzegging diende te geschieden vóór 1 mei van het betreffende jaar.
4.3.
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Artikel 3:37 BW Pro houdt, voor zover thans van belang, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, wordt noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting gegeven. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel - behoudens andersluidend beding - worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van artikel 1:10 BW Pro dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt. [3]
4.4.
De verzending van de verklaring is voor haar werking onvoldoende. De desbetreffende schriftelijke verklaring heeft haar werking pas op het moment dat zij op dat adres is afgeleverd (artikel 37 lid 3 BW Pro), ook indien de ontvanger niet van de inhoud van die verklaring kan kennisnemen, bijvoorbeeld als gevolg van afwezigheid of vermissing. [4]
4.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt het verweer van Stichting Oogstdankfeest dat zij de overeenkomst met [eisende partij] op tijd heeft opgezegd. [eisende partij] heeft immers de ontvangst van de opzegbrief van Stichting Oogstdankfeest niet betwist hetgeen blijkt uit het e-mailbericht van 6 mei 2025 waarin zij Stichting Oogstdankfeest kenbaar maakt dat zij niet instemt met de opzegging. Zij heeft slechts gesteld dat zij de opzegbrief te laat heeft ontvangen, namelijk óp en niet vóór 1 mei 2024. Gevraagd naar het track-and-trace overzicht heeft [eisende partij] ter zitting niet kunnen toelichten dat er twee brieven, namelijk op 30 april 2025 en 1 mei 2025, door Stichting Oogstdankfeest zouden zijn verstuurd. Ter zitting heeft Stichting Oogstdankfeest verklaard dat de opzegbrief van 29 april 2025 de enige brief is die zij aangetekend heeft verstuurd en waarvan zij desgevraagd een betaalbewijs kan overleggen. Stichting Oogstdankfeest heeft door het overleggen van het track-and-trace overzicht waarbij er is getekend voor ontvangst genoegzaam onderbouwd dat de opzegbrief op 30 april 2025 door [eisende partij] is ontvangen. Dat [eisende partij] pas op 1 mei 2025 heeft kennisgenomen van de inhoud van de brief komt voor haar eigen rekening en risico. Daarom gaat de kantonrechter ervanuit dat de opzegging door Stichting Oogstdankfeest op 30 april 2025 door [eisende partij] is ontvangen. Daarmee heeft Stichting Oogstdankfeest dus vóór 1 mei en dus tijdig opgezegd.
4.6.
De kantonrechter merkt daarbij op dat [eisende partij] ter zitting nog heeft verklaard dat de opzegging zo kort voor de datum van 1 mei niet de schoonheidsprijs verdient. Partijen hebben altijd goed samengewerkt en dat [eisende partij] op het laatste moment aan de kant werd gezet, maakte het gewoon wrang. Alhoewel opzegging op het laatste moment naar het oordeel van de kantonrechter inderdaad niet de schoonheidsprijs verdient, maakt dit haar oordeel niet anders. Er is immers vóór 1 mei 2025 en dus tijdig door Stichting Oogstdankfeest opgezegd.
4.7.
Het vorenstaande maakt dat de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen. Stichting Oogstdankfeest hoeft de factuur voor een bedrag van € 5.012,74 dus niet te betalen.
4.8.
Nu de kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen, hoeven de overige verweren geen bespreking meer. Voor zover [eisende partij] haar vordering al heeft gebaseerd op onrechtmatige daad, is de grondslag daartoe niet onderbouwd. [eisende partij] stelt slechts dat er sprake is van een onrechtmatige daad, maar zegt verder niets over de voorwaarden die de wet stelt aan een geslaagd beroep op onrechtmatige daad. Nu op [eisende partij] de stelplicht rust van de door haar aangevoerde rechten en feiten [5] op het rechtsgevolg waarvan zij zich beroept en zij daar niet aan heeft voldaan, kan de vordering tot schadevergoeding evenmin op die grondslag slagen.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.9.
[eisende partij] vordert een bedrag van € 625,64 aan buitengerechtelijke incassokosten en dit bedrag evenals de hoofdsom te vermeerderen met wettelijke rente.
Nu de vordering in hoofdsom wordt afgewezen, worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente ook afgewezen.
[eisende partij] wordt in de proceskosten veroordeeld
4.10.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Oogstdankfeest worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:400 lid 1 BW Pro.
2.Artikel 3:296 BW Pro
5.Artikel 150 Rv Pro.