3.2.De burgemeester heeft op 16 april 2026 het voornemen tot sluiting van het bedrijfspand, de bovenwoning en de garage aan verzoeker toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De burgemeester heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om van het voornemen om tot sluiting over te gaan af te zien en heeft het bestreden besluit genomen.
Is er sprake van spoedeisend belang?
4. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter moet dus eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang voldoende aannemelijk. Verzoeker staat weliswaar niet in de Brp ingeschreven op het betreffende adres, maar heeft verklaard dat hij in de weekenden (van vrijdagavond tot maandagochtend) in de bovenwoning woont. Verzoeker werkt in Tiel en deelt daar doordeweeks een kamer met collega’s. Daar staat hij ingeschreven. Hij heeft daar geen privacy en verblijft daarom van vrijdagavond tot maandagochtend in de woning in Hoensbroek. In de omgeving van Hoensbroek wonen zijn vrienden en zijn broer. Als er geen voorziening wordt getroffen heeft verzoeker de komende drie maanden geen toegang tot de woning waarin hij een groot gedeelte van zijn tijd doorbrengt.
Wat is het standpunt van verzoeker?
6. Verzoeker voert aan dat een sluiting op grond van artikel 113b van de Opiumwet een pandgerichte maatregel is. De hennepkwekerij is aangetroffen in de bedrijfsruimte en de daarbij behorende garage en niet in de door verzoeker gehuurde bovenwoning. Verzoeker is ook nooit in de bedrijfsruimte en de garage geweest. Verzoeker ziet niet in dat de door hem gehuurde bovenwoning gesloten moet worden, nu zich daar geen verdovende middelen of daaraan gerelateerde spullen bevonden. Verzoeker voert verder aan dat de burgemeester voorbijgaat aan zijn belang, dat eruit bestaat dat hij door een sluiting gedurende drie dagen per week, tijdens al zijn vrije dagen, feestdagen en vakantiedagen, geen woonruimte heeft, maar wel huur moet doorbetalen.
Wat is het toetsingskader?
7. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat
daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
8. De burgemeester heeft beleidsregels “Damoclesbeleid Heerlen” voor de toepassing van deze bevoegdheid vastgesteld.
9. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor verder het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Dit kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022en van 16 juli 2025. Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?
10. De voorzieningenrechter begrijpt verzoekers gronden zo dat hij betwist dat de burgemeester bevoegd was om tot sluiting over te gaan, omdat in de bovenwoning geen drugs is aangetroffen.
11. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de bovenwoning een onlosmakelijk onderdeel vormt van de hennepplantage, omdat de kweekruimtes alleen konden worden bereikt door de bovenwoning te doorlopen. Alle overige deuren (ook de voordeur van het bedrijfspand waarin de kweekruimtes zich bevonden) waren volledig dichtgeschroefd met zware Multiplex platen. Het gaat volgens de burgemeester bovendien om één perceel, waarop sprake is van een bedrijfsmatige en professionele hennepplantage met een zeer grote hoeveelheid hennepplanten. De woning had een ondergeschikte woonfunctie gezien de doorloop en het feit dat er geen actuele inschrijving in de Brp bekend is.
12. In de rechtspraak van de Afdeling is als criterium ontwikkeld dat van belang is of er een zodanige relatie bestaat tussen de onderscheiden (delen van) bouwwerken dat die als één geheel moeten worden beschouwd. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als een dergelijke samenhang bestaat, dan strekt de bevoegdheid tot sluiting zich uit tot dat geheel, ongeacht of in de te onderscheiden delen al dan niet handelsvoorraden drugs zijn aangetroffen.
13. De voorzieningenrechter is (voorlopig) van oordeel dat door de burgemeester (vooralsnog) onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij bevoegd was om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Uit de tekst van artikel 13b, eerste lid, volgt dat de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten indien in de woning een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In dit geval is in de bovenwoning zelf geen middel uit lijst I of II aangetroffen. In dat geval kan de woning gesloten worden als er een zodanige relatie tussen de schuur en de woning is dat de burgemeester om die reden bevoegd was om ook de woning te sluiten. Van een zodanige relatie is sprake als de te onderscheiden (delen van) bouwwerken als één geheel moeten worden beschouwd. De Afdeling heeft overwogendat het op zichzelf onvoldoende is als de woning, en in het geval van de uitspraak van de Afdeling, de schuur op één perceel liggen. De voorzieningenrechter acht dat in dit geval ook onvoldoende. Weliswaar zijn in dit geval de bovenwoning en de bedrijfsruimte bouwkundig met elkaar verbonden, maar er is geen directe doorgang vanuit de bovenwoning naar de bedrijfsruimte. Het betreffen twee aparte huisnummers met twee aparte voordeuren en twee verschillende huurders. Bovendien zijn er geen omstandigheden die duiden op een functionele samenhang. In de bestuurlijke rapportage staat expliciet dat de bedrijfsruimte volledig in gebruik was als hennepkwekerij en de bovenwoning geheel in gebruik was voor bewoning. In de woning zijn ook geen hennepplanten of aan de hennepkwekerij gerelateerde producten aangetroffen. Dat de kweekruimtes enkel konden worden bereikt via de bovenwoning, zoals de burgemeester stelt, is de voorzieningenrechter nu nog onvoldoende gebleken, bij de bestuurlijke rapportage ontbreken bijvoorbeeld foto’s van de situatie ter plaatse. In de bestuurlijke rapportage staat dat de toegang tot de kwekerij uitsluitend te bereiken was via de bovenwoning, omdat je vanuit de bovenwoning het platte dak en de brandtrap naar de achtertuin kan bereiken en vanuit de achtertuin vervolgens via de achterdeur, de enige niet dichtgemaakte deur, het bedrijfspand binnen kan. In het besluit staat echter, en dit heeft de burgemeester ter zitting ook bevestigd, dat de bedrijfsruimte ook te bereiken was vanuit de garage met huisnummer 119a. Dat de garage enkel te bereiken is via het bedrijfspand blijkt echter niet uit de bestuurlijke rapportage. Daarin staat niets over de garage of dat de deur ervan is dichtgeschroefd. De voorzieningenrechter kan dus niet uitsluiten dat het bedrijfspand ook te bereiken was via de garage met huisnummer 119a of op een andere manier, bijvoorbeeld via de tuin. De voorzieningenrechter betrekt bij haar oordeel verder dat ook niet op andere manieren is gebleken dat de bovenwoning betrokken was bij de hennepkwekerij in het bedrijfspand. Zo zijn er geen eerdere signalen geweest dat mensen via de bovenwoning de bedrijfsruimte inging, althans blijkt dat niet uit de stukken in het dossier en lijkt het, zoals verzoeker ter zitting terecht heeft gesteld, onmogelijk om via de weg die nu wordt geschetst (plat dak, brandtrap) een hennepkwekerij van de omvang die is aangetroffen in te richten.
14. Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de burgemeester zijn standpunt dat hij bevoegd is om de bovenwoning te sluiten onvoldoende heeft gemotiveerd. Niet ondenkbaar is dat de burgemeester voornoemd motiveringsgebrek gedurende de bezwaarfase nog kan herstellen, maar hij zal dan wel beter moeten motiveren waarom volgens hem sprake is van één geheel.