In deze zaak vordert eiser de opheffing van conservatoir beslag dat door gedaagde op eiser is gelegd. Het beslag betreft bankrekeningen en onroerende zaken van eiser. Gedaagde baseert het beslag op een vordering die volgens eiser ondeugdelijk is en waarvan de omvang onduidelijk is.
Eiser stelt dat gedaagde in het beslagrekest niet volledig en naar waarheid heeft gehandeld, in strijd met artikel 21 RvPro. Zo zijn essentiële verweren en feiten niet vermeld, waaronder dat gedaagde zelf de oorzaak is van het niet doorgaan van de financiering en dat de optieovereenkomsten nietig zijn. Ook is er geen sprake van een samenwerkingsovereenkomst tussen eiser en gedaagde, noch van een persoonlijke aansprakelijkheid van eiser.
De voorzieningenrechter oordeelt dat gedaagde niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat het beslag op ondeugdelijke gronden is gelegd. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat eiser in privé aansprakelijk is. Het beslag wordt daarom opgeheven en gedaagde wordt verboden opnieuw beslag te leggen voor dezelfde vordering. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt opgeheven wegens ondeugdelijkheid van de vordering en schending van artikel 21 Rv; gedaagde wordt verboden opnieuw beslag te leggen.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/347288 / KG ZA 25-443
Vonnis in kort geding van 8 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.P.M. Dexters,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] (Duitsland), domicilie kiezend ten kantore van zijn advocaat,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
mr. G. Debije.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 21
- de betekende dagvaarding in de bodemzaak van 5 december 2025 van [gedaagde]
- producties 1 tot en met 28 van [gedaagde]
- producties 22 tot en met 29 van [eiser] - de mondelinge behandeling van 11 december 2025 - de spreekaantekeningen van [eiser] - de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
2.1.
[gedaagde] voornoemd heeft ten laste van [eiser] voornoemd diverse conservatoire beslagen gelegd (waarover hierna meer). De aanloop hiernaartoe alsmede naar het onderhavige kort geding bestaat uit het volgende feitencomplex.
2.2.
In Hagen (Duitsland) was een winkelcentrum te koop, dat zich in een failliete boedel bevond en door de curator te koop werd aangeboden. Met het oog hierop werd een projectvennootschap opgericht, te weten Mittelstrasse 22 Hagen B.V. De oprichting vond plaats op 15 april 2025 door de holdingvennootschappen van [eiser] (HONI Invest B.V. die op haar beurt handelt als enig aandeelhouder en enig en zelfstandig bevoegd bestuurder van HONI Invest Duitsland BV), [gedaagde] ( [gedaagde] GmbH) en de heer [naam 1] (Gewerbepark Niedergurig GmbH) (zie productie 1 [eiser] , bijlage 2 van het verzoekschrift). Tot 24 juli 2025 was [gedaagde] (als directeur) samen met [eiser] gezamenlijk bevoegd bestuurder van Mittelstrasse 22 Hagen B.V. (productie 4 [eiser] ).
2.3.
[adviseur] (hierna: [adviseur] ) trad op als financieringstussenpersoon om financiering te verkrijgen.
2.4.
Op enig moment is er door [gedaagde] een groepsapp aangemaakt. In deze groepsapp heeft [adviseur] voornoemd bij Whatsapp-bericht van 18 maart 20 aan “ [naam 2] , [gedaagde] en [naam 1] ” het volgende laten weten:
“Many thanks for today!
To prepare finance and notary I need the following documents from you;
l. Copy passport,
2. Overview legal structure who will own the 17 percent.
3. Copy of chamber of commerce of entities who are involved,
4. Yearly statement 2024 legal structure (if that is concept is fine and 2023 finalised).
5. Personel income tax form 2024 (or 2023). If it's 2023 please right a little bit about important changes in 2024. (...)”
2.5.
Bij Whatsapp-bericht van 23 april 2025 heeft [gedaagde] aan [adviseur] het volgende laten weten:
“(...) [naam 1] en ik hebben om 18.00 uur weer een TEAMS-gesprek met JLL. Ze willen met ons praten over een update van de deal. Begrijp ik je goed dat we een taxatie nodig hebben
voor een definitieve (100%) financieringstoezegging?
Kent u de taxateur " [taxateur] "? Wilt u het door hem laten doen of moeten we
het door hem laten doen? (...)”
2.6.
In WhatsApp-berichten in de groepsapp van 27 april 2025 staat het volgende:
“[27-04-2025, 09:25:07] [adviseur] : Goedemorgen Allemaal, bedankt voor alle documenten [gedaagde] .
Vandaag zal ik ook gaan werken aan ons project.
Het belangrijkste onderdeel is de financieringsopzet voor [financier] . Dan kunnen hun het definitief gaan maken.
Let op; deze uiteindelijke financierings opzet ga ik in de groep gooien en dient in mijn mening iedereen akkoord op te geven. Ik kan dat NIET weer wijzigen.
Mijn vragen in jou opzet;
l. Waar komen die makelaarskosten vandaan? Voor wie is dat? Die zijn in traject bij mij nog niet naar voren gekomen.
2. ik zie in begroting afkoop erfpacht Rewe staan. Mijn idee is deze later extra aan te vragen. Anders betalen we rente over iets dat we 'misschien' over 9 maanden kopen. Mogelijk wordt het dat hele gebouw met appartementen bijvoorbeeld en moeten we meer hebben.
3. verder zal ik geen 'roerende goederen' willen doen. Die wil niemand financieren. Of we moeten dat deel met eigen geld doen.
[27-04-2025, 09:37:05] [gedaagde] Verzekering: Goedemorgen [adviseur] , ik heb de makelaarskosten als reserve
toegevoegd. Dat zou moeten zijn als de bank woensdag zegt dat je het niet voor 18,8 maar voor 20 miljoen krijgt. Met de veronderstel dat we de dosering niet meer kunnen veranderen, moeten we wachten tot volgende week woensdag. De commissievergadering van de bank vindt woensdag plaats. Daarna weten we a) of we het
krijgen en b) tegen welke prijs. Ook krijg ik woensdag de eerste taxatie van de taxateur.
[27-04-2025, 09:38:18] [adviseur] : We kunnen altijd wijzigen maar komt niet echt professioneel over.
En dit is natuurlijk een aankoop voor en door professionals. Laten we dat dan tot woensdag wachten.”
2.7.
Op 3 mei 2025 heeft [adviseur] het volgende geappt:
“[03-05-2025, 14:18:59] [adviseur] : Tuesday I have personal meeting with [financier] for Hagen.
I have one important question left. Everybody knows the structure idea. With the entity under Mittelstrasse 22 Hagen BV . The idea was to set up; Rathaus Galerie Hagen BV and also another trust / stichting.”
2.8.
Op 4 mei 2025 heeft [gedaagde] het volgende aan [adviseur] geappt:
“[04-05-2025, 12:21:07] [gedaagde] Verzekering: Dear Mr [adviseur] , I have already sent you all the documents relating to the purchase of the Rathaus Galerie Hagen.
In addition to my CV, which you have already received, I am also sending you documents relating to my entrepreneurial activities. I have 3 companies in which my cousin, [naam 3] , holds a 15% stake each, which have been involved in insurance, property and company investments for many years.
I also run my parents' business, which specialises in the purchase and leasing of agricultural land. We also operate photovoltaic and 2 wind power plants in Germany.
Last year, together with Dutch investors, I acquired the Blechen Carré Cottbus (Germany) for €23.8 million. I was guaranteed a 15% stake in this property.
Thanks to the reliable process and handling of the shopping centre in Cottbus, we are currently being favoured for the purchase of RG Hagen. As I enjoy a very good and reliable reputation, I would ask that this deal also proceeds reliably.
We ask for a corresponding confirmation of financing before notarisation. (…)”
2.9.
Op 5 mei 2025 heeft [gedaagde] geappt dat de inhoud van de koopovereenkomst
waarover werd onderhandeld iets is gewijzigd met een verlaging van de koopsom naar
€ 19,3 miljoen en nadrukkelijk zonder aanbetaling (“keine Anzahlung”):
“[05-05-2025, 20:14:21] [gedaagde] Verzekering: Einen schonen guten Abend zusammen, Herr Auernhammer rief mich gerade an. Wir haben den leicht geanderten Vertragsinhalt (20,0 Mio. € - 700 K€)(keine Anzahlung) etc. besprochen. Der Entwurf soll komplex sein. Er steht im Austausch mit dem Insolvenzverwalter. Man arbeitet mit Hochdruck an dem Vertrag, den wir morgen bekommen werden. ErweiB Bescheid, dass eine Verschiebung des Termins nicht von uns aus geht.”
2.10.
Op 6 mei 2025 heeft [adviseur] het volgende geappt:
“[06-05-2025, 19:38:03] [adviseur] : Heren, belangrijk is dat we de financiering krijgen. Dat komt echt wel goed.
Ik moet nog even 2 vragen beantwoorden en heb ik jullie hulp voor nodig;
l. Waar komt de €700k korting vandaan? Als ze deadline van 31-5-2025 niet halen krijgen we een korting van €700k. Dat is mooi maar een financiële instelling vraagt dan natuurlijk waar is dat op gebaseerd? Kosten die wij dan moeten maken?
2. ik heb geschreven dat €800k kosten nog zijn voor op orde maken van bransschutz. Ik dacht we daar een offerte ergens in dossier hadden van rond de €800k. Hebben we die? Of heb ik er mis? Ik dacht iets van €808k.
Verder is in Nederland normaal voor KYC je aangifte Inkomstenbelasting te delen. Deze is er wel van [eiser] en [naam 4] maar nog niet van [naam 1] en [gedaagde] .
Dit vertraagd nu niet maar kan nog wel gevraagd worden. Dus zou helpen als je die al levert.Ik weet de belangen en ben ermee bezig.”
2.11.
Later op diezelfde dag heeft [adviseur] het volgende geappt:
“[06-05-2025, 20:24:53] [adviseur] : Laten we zorgen dat we morgen de spullen aanleveren [naam 2] . Dan is er weer een dag.
Je vraagt me uitspraken te doen die ik niet kan bevestigen. Het is geen pakje boter... je praat over miljoenen.
Maar normaal is het dagen en probeer hem donderdag te hebben als ik morgen vroeg antwoord kan geven op bovenstaande.
Ps; hoe kan überhaupt donderdag getekend worden als [eiser] in Turkije zit? Is maandag niet slimmer in algemeen? En dan laatste vraag; hoe laat is het donderdag?”
2.12.
Daarop heeft [gedaagde] eveneens diezelfde dag als volgt gereageerd:
l. de berekende bemiddelingsvergoeding is onze reserve.
2. de aankoopprijs van € 20 miljoen is inclusief de eerder genoemde 700 K, die onze aankoopprijs zal verlagen als de goedkeuring niet voor 31 mei is verleend. Dat zou ook onze reserve zijn.
3. We hebben de CapEx-maatregelen nodig voor een totaalbedrag van € 1.457.339,50. Alleen al de conversiekosten kunnen duur zijn. En we hebben nog ongeveer 650 m2 ruimte die bijna in casco staat is.
4. Voor € 23,5 miljoen ALL IN is dit een geweldige deal. Het is echt jammer dat we JLL hebben verteld dat we meteen naar de notaris konden gaan en nu moeten sleutelen aan de financiering. Deze snelheid bespaarde ons €5,7 miljoen op de aankoopprijs. Daarom heb ik morgen het vereiste bewijs nodig dat het geld over 6 weken
beschikbaar is.”
2.13.
Op 7 mei 2025 zijn de volgende Whatsapp-berichten (productie 8 [gedaagde] ) gewisseld in de Whatsapp-groep:
[afbeeldingen geanonimiseerd]
2.14.
Diezelfde dag hebben alle leden van de groepsapp op de vraag “Are we all ok with signing the purchase agreement of Hagen this week?” met “Yes” geantwoord (producties 11 en 20 [gedaagde] ). In de berichtenstroom van die dag is tevens bijgevoegd de koopovereenkomst.
2.15.
Op 8 mei 2025 heeft Mittelstrasse 22 Hagen B.V. , vertegenwoordigd door [gedaagde] , de koopovereenkomst met de curator bij de notaris ondertekend (productie 20 [gedaagde] ) met betrekking tot de koop van het winkelcentrum tegen een kooprijs van
€ 19.300.000,00, te betalen op 31 juli 2025, zulks op straffe van een boeterente en met een verplichting tot aanbetaling van € 2.000.000,00 (productie 5 [eiser] ). Omdat [eiser] die dag verhinderd was, heeft hij op 12 mei 2025 een volmacht voor overdracht afgegeven bij de notaris (productie 10 [gedaagde] ).
2.16.
Op 12 mei 2025 (dagvaarding sub 27) heeft [gedaagde] het volgende geappt:
“[12-05-2025, 04:37:57] [gedaagde] Verzekering: @[ [adviseur] ] Goedemorgen [adviseur] , helaas heb ik nog niets van je gehoord als reactie op mijn e-mail van gisteren. Begrijp me niet verkeerd, maar we moeten 100% betrouwbaar zijn tegenover alle betrokken partijen (JLL, bank, curator, notariskantoor, enz...). Ik beloof iedereen al dagen dat we het bewijs van kapitaal zullen sturen dat u ons hebt beloofd. Als we onze beloften niet nakomen, zal dat een groot verlies voor mij zijn. Daarom kom ik direct met [eiser] naar jullie toe om jullie te helpen alles op
een rijtje te zetten. Met vriendelijke groet, [gedaagde] ”
2.17.
Daarop heeft [adviseur] als volgt gereageerd (dagvaarding sub 28):
“[12-05-2025, 08:47:48] [adviseur] : [gedaagde] , It's better that I don't send my opinion on the way of communication. But [financier] is working on it. Saturday and Sunday there were calls with me. What are you thinking? Again it's not a few euro....”
2.18.
[eiser] heeft (via een van zijn vennootschappen) de aanbetaling van
€ 800.000,00 aan de notaris overgemaakt.
2.19.
Op 27 mei 2025 heeft de notaris aan [eiser] laten weten dat € 1,2 miljoen nog moest worden betaald (productie 22 [eiser] ). [eiser] heeft toen een financiering van zijn eigen vennootschap en een lening aan Mittelstrasse 22 Hagen B.V. geregeld, zodat de resterende aanbetaling van € 1,2 miljoen werd voldaan. Bij brief van 23 juli 2025 heeft de notaris de aanbetalingen bevestigd (productie 6 [eiser] ).
2.20.
Op 28 mei 2025 heeft [eiser] in dat kader het volgende geappt:
“28-05-2025, 09:34:17] [eiser] : Liebe Leute, wir haben einen Problem wenn wir nicht die 1,2 mil schnell überweisen , folgendes , das geht richtig Geld kosten wenn wir das zusammen nicht haben, ich kann nichts machen, und wie es aussieht keinen von uns, wie gesagt, ich habe verschiede Telefonaten geführt , und die werde mich nog zurück andworten( nog nichts bekommen jetz ) wass machen wir? Bitte alle schnell reagieren”
2.21.
Op 30 mei 2025 heeft [gedaagde] het volgende geappt:
“[30-05-2025, 09:42:18] [gedaagde] Verzekering: Goedemorgen allemaal. JLL oefent momenteel druk op mij uit over de 1,2 miljoen euro. JLL zou in een lastig parket komen bij de curator en ook bij HELABA. Vraag aan [adviseur] : Is de financiering van € 22 miljoen nu 100% zeker? Weet u ook zeker dat het bedrag op l juli 2025 in zijn geheel wordt uitgekeerd? Met zeker bedoel ik zonder voorbehoud.”
2.22.
Bij Whatsapp-bericht van 3 juli 2025 heef [gedaagde] het volgende geappt:
“[03-07-2025, 09:55:42] [gedaagde] Verzekering: We zijn terug in het spel ...
Hallo [adviseur] , ik denk dat je samen met het testrapport van [bedrijf] ("TESTRAPPORT - ONTWERP"),
met name het testresultaat op pagina 31 van 31, ervoor moet zorgen dat het geld kan worden uitbetaald. Alleen al
vanwege de huidige situatie (voorlopige bouwvergunning) hebben we van de curator een korting van 5,7 miljoen euro gekregen. Met het verkrijgen van de bouwvergunning is het object ONMIDDELLIJK 15 miljoen euro meer
waard! Ook dat zou [financier] zich moeten realiseren. Ik wil eraan herinneren dat het IST-rapport een waarde van meer dan 60 miljoen euro aangeeft.
Wat betreft de bouwvergunning: het gebouw heeft een bouwvergunning. In dit geval gaat het alleen om de delen die door de overstroming zijn getroffen, de rest valt onder de bescherming van bestaande rechten. Zie hiervoor ook het protocol van 24 juli 2024!
Ik ga ervan uit dat we op 30 juli 2025 de koopprijs moeten betalen! Volgens het notariskantoor is aan bijna alle voorwaarden voor de vervaldatum voldaan. Als we dan niet kunnen betalen, kan de curator (en dat zal hij zeker ook doen) de ONTBINDING van de overeenkomst verklaren.
Ik wil geen druk uitoefenen, maar dat moeten we ons allemaal goed realiseren. (...)”
2.23.
De beoogd [financier] (hierna: [financier] ) had grote vraagtekens bij de kredietwaardigheid van [gedaagde] en [naam 1] , hetgeen hij op 22 juli 2022 [de voorzieningenrechter begrijpt: 2025] aan [adviseur] heeft laten weten (productie 7 [eiser] ). [financier] was om die reden niet bereid de financiering in te vullen.
2.24.
Op 23 juli 2025 bevestigde de notaris de aanbetalingen (productie 6).
2.25.
Op 24 juli 2025 tekenden [eiser] (als bestuurder van Honi Invest Duitsland B.V.) als “Verkäufer”, [naam 1] en [gedaagde] als “Optionsnehmer (..) Gleiches Recht gilt für eine von [gedaagde]zu benennende Gesellschaft” een optieovereenkomst. De financier werd door [gedaagde] niet ingelicht over diens (vermeende) rechten onder de optieovereenkomst (productie 8 [eiser] en productie 14 [gedaagde] ).
2.26.
Op 25 juli 2025 heeft [gedaagde] het volgende geappt:
“[25-07-2025, 20:40:19] [gedaagde] Verzekering: @[ [adviseur] Danke für deinen Rückruf du
Arschloch!”
2.27.
Bij brief van 26 juli 2025 (productie 13 [gedaagde] ) heeft [eiser] aan (onder meer) [gedaagde] , [adviseur] en [naam 1] laten weten sprakeloos te zijn naar aanleiding van de berichten in de Whatsapp. Hij geeft vervolgens een uiteenzetting van hoe de feiten volgens hem zijn.
2.28.
Bij Whatsapp-bericht van 28 juli 2025 (productie 16a en 16b [gedaagde] ) heeft [eiser] meegedeeld dat hij het project heeft verkocht en dat het probleem is opgelost.
2.29.
In augustus 2025 (op niet nader geduide datum) heeft [gedaagde] [eiser] uit de Whatsapp-groep verwijderd.
2.30.
Op 4 augustus 2025 kwam Mittelstrasse 22 Hagen B.V. in verzuim te verkeren met de betaling van de (resterende) koopprijs van € 17,3 miljoen (zijnde de koopprijs van € 19,3 miljoen minus de aanbetalingen van in totaal € 2 miljoen, zie productie 9). Door (de
advocaat van) de curator werd tevens aanspraak gemaakt op de boeterente die vanaf
1 augustus 2025 dagelijks € 4.867,70 bedraagt.
2.31.
Op 7 augustus 2025 hebben (onder andere) [adviseur] , [eiser] , [gedaagde] , [naam 1] gesproken over de situatie en de mogelijkheid tot verkoop aan een andere ontwikkelaar, te
weten Brix (productie 10 [eiser] ).
2.32.
Op 15 augustus heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagde] als gewezen bestuurder van Mittelstrasse 22 Hagen B.V. - kort gezegd - aansprakelijk gesteld voor het vertellen van onwaarheden aan [financier] , hetgeen ertoe heeft geleid dat [financier] geen financiering wilde verstrekken aan Mittelstrasse 22 Hagen B.V. wat tot aanzienlijke schade heeft geleid. Voorts heeft [eiser] een beroep gedaan op opschorting van de optieovereenkomst (productie 11 [eiser] ).
2.33.
Op 21 augustus 2025 heeft (de toenmalige advocaat van) [gedaagde] een beroep gedaan op de optieovereenkomst jegens Honi Invest Duitsland B.V. (productie 12 [eiser] ):
“(...) Op een zeker moment heeft u cliënt benaderd met de bewering dat de financier bezwaren zou hebben tegen de aanwezigheid van cliënt als aandeelhouder en dat hij, om de financiering te laten slagen, zou moeten Terugtreden. Om de belangen van cliënt te waarborgen, zou in ruil voor de overdracht van de aandelen van cliënt
aan Honi Invest Duitsland BV een optierecht op eenzelfde hoeveelheid aandelen worden gevestigd ten gunste van de heer [gedaagde] en de heer [naam 1] in persoon. Dit Optierecht is algemeen en onvoorwaardelijk. Het is zo geformuleerd dat het op ieder moment kan worden ingeroepen.
Aldus geschiedde; op 24 juli 2025 zijn in een handeling door [gedaagde] Invest GmbH en Gewerbepark Niedergurig GmbH ieder 20 aandelen in het kapitaal van Mittelstrasse 22 Hagen BV geleverd aan Honi Invest Duitsland BV, en heeft Honi Invest een optierecht op de aandelen in het kapitaal van Mittelstrasse 22 Hagen BV verleend
aan de heer [gedaagde] en de heer [naam 1] , ieder voor 20 stuks. Afgesproken is dat partijen binnen 10 dagen na de uitoefening van het optierecht meewerken aan de levering ten overstaan van een notaris.
Op deze manier leken de belangen van cliënten contractueel gezekerd.
Bij brief van 12 augustus 2025 heeft de heer [gedaagde] zijn optierecht uitgeoefend en u verzocht binnen 5 werkdagen een notaris aan te wijzen ten overstaan van wie de 20 van de 120 aandelen aan de heer [gedaagde] zouden worden geleverd. Deze levering zou dan binnen 10 dagen dienen te geschieden. U heeft vervolgens bij monde van uw raadsman aangegeven niet te zullen meewerken aan de levering van de aandelen aan cliënt. U verkeert hierdoor in verzuim.
Voor zoveel nodig bevestigt cliënt hierbij dat zij de kosten van de overdracht voor hun rekening zullen nemen.
Namens cliënt verzoek ik u, en voor zoveel nodig sommeer ik u, mee te werken aan de overdracht van de
aandelen aan de heer [gedaagde] , thans binnen 5 werkdagen na heden, bij gebreke waarvan cliënt zich vrij acht passende rechtsmaatregelen te nemen. De kosten die daarmee gepaard gaan komen uiteraard voor uw rekening. (...)”
2.34.
Tussen 21 augustus 2025 en 10 september 2025 heeft overleg plaatsgevonden
tussen (de advocaten van) [eiser] en [gedaagde] (zie producties 13 en 14 [eiser] ).
2.35.
Bij e-mailbericht van 12 september 2025 heeft (de nieuwe advocaat van) [gedaagde] en [naam 1] aan [eiser] het volgende laten weten (productie 15 [eiser] ):
“(...) Zij hebben vernomen dat u doende bent om het project Mittelstrasse 22 Hagen (Rathaus Galerie Hagen) te verkopen of op te zeggen zonder de bestaande afspraken en rechten te respecteren.
De heer [gedaagde] heeft u al laten weten dat hij van zijn optierechten gebruik wilt maken maar ook gebruik wilt
maken van zijn recht om als eerste de onroerende zaak te mogen kopen (artikel 7 lid 2 vanPro de overeenkomst).
Auch de heer [naam 1] had al laten weten zijn optierechten te willen uitoefenen en laat middels dit schijven weten ook van zijn recht tot eerste koop over te willen gaan.
Er komen berichten dat u voornemens zou zijn de deal met de [curator] (Anwalt Frankfurt am
Main) te beëindigen ofte veranderen en het project over te dragen aan Brix, Monitor Capital en [namen 1] , althans een combinatie van een of meer van deze genoemde instellingen.
Dit alles om de rechten van de anderen (ook de heer [naam 2] ) gerechtigden te frustreren.
Dat blijkt ook al uit het feit dat u totaal niet reageert. Kennelijk heeft u [naam 1] en [gedaagde] onder valse voorwendsels (dat er problemen zouden zijn met de naam [gedaagde] und [naam 1] ) bewogen afstand te doen van hun aandelen en te kiezen voor optierechten om dan een financiering te krijgen. Overigens vreemd omdat eerder was aangegeven dat u al financiering had.
Vervreemden of niet afnemen van het pand zou een flagrante schending zijn van de bestaande overeenkomsten en we stellen u volledig aansprakelijk voor zowel het nadeel dat betrokkenen daardoor lijden (ieder denkt een groot bedrag daardoor te verliezen) als ook voor alle kosten die [gedaagde] en [naam 1] verder lijden. De heer [naam 14] heeft u al aansprakelijk gesteld.
Hoewel u eerder aangaf de financiering volledig te hebben geregeld later blijkt dit niet het geval te zijn. Ook daarin bent u tekortgeschoten.
[naam 1] en [gedaagde] hebben een kandidaat die wilt en kan kopen en financieren zodat de overeenkomst met de curator kan worden gerespecteerd en alle kosten kunnen worden voldaan en de beoogde resultaten kunnen worden behaald . We verzoeken daarom dat u contact met ons binnen 5 dagen (uiterlijk woensdag 17 september) opneemt om de verwerving van het project te vervolmaken.
Tevens sommeren we u om op geen enkele wijze het project of delen daarvan te vervreemden.
ledere vorm van verlies van rechten in het project zal als toerekenbare tekortkoming worden gezien en daarvoor
wordt u aansprakelijk gesteld.
Dus ook als u de overeenkomst beëindigt of meewerkt aan beëindiging zonder respectering van art. 7 vanPro de
overeenkomst wordt dit beschouw als een schending en tekortkoming omdat u het project aan de anderen had
moeten aanbieden. (...)
Cliënten voelen opgelicht en zullen zo nodig tevens laten onderzoeken of strafrechtelijke bepalingen zijn
overschreden.
Voor alle duidelijkheid uw houding om steeds maar niet te reageren of bereikbaar te zijn of anderen gerechtigden te informeren over bijvoorbeeld contacten met curator schaadt cliënten en maakt de indruk dat u heimelijk zaken wilt afwikkelen.
Volgens de heer [naam 1] zou komende een bespreking zijn tussen alle partijen en hun advocaten. Dat zou misschien de lucht kunnen klaren maar doet niet af aan deze aansprakelijkheidsstelling.. (...)”
2.36.
Op 12 september 2025 heeft Brix Mittelstrasse 22 Hagen B.V. rechtstreeks van de curator gekocht.
2.37.
Bij brief van 28 september 2025 (productie 16 [eiser] ) heeft (de advocaat van) [eiser] aan (de advocaat van) [gedaagde] als volgt gereageerd:
“(...) Zoals gezegd heb ik ondertussen met de heer [eiser] kunnen spreken omtrent de door u gestuurde e-mail van 11 en 12 september jl. Daarnaast heeft cliënte mij de WhatsApp-geschiedenis ter hand gesteld van de
WhatsApp-groep. Ik weet niet of u zelf reeds kennis heeft genomen van de inhoud van die berichten, maar daar komt toch echt een heel ander beeld uit naar voren van de feiten en omstandigheden dan de door uw cliënten -
uiterst summier - geschetste in uw e-mails.
Laat ik beginnen met uw laatste alinea in de e-mail die u heeft gericht aan mr. [naam 14] van 11 september 2025. U begroot voor uw cliënt [naam 14] een schadevergoeding ‘door de bank genomen’ op € 6 miljoen. U geeft aan de
heer [eiser] in rechte te willen betrekken en wenst graag te vernemen of een zekerheid kan worden gesteld van in ieder geval € 4 miljoen.
Cliënten hebben mij ten aanzien hiervan ondertussen laten weten dat het uw cliënte vrijstaat hen in rechte te betrekken. Een zekerheid van € 4 miljoen zal dan ook niet worden verstrekt. Gezien uw mail van 12 september 2025 neem ik aan dat die zekerheid dan ook verhoogd zou moeten worden met de vermeende schade van de heren [naam 1] en [gedaagde] . Wenst u in dat kader overigens conservatoire maatregelen te nemen, ben ik bang dat u richting de voorzieningenrechter heel overtuigend zult moeten zijn en/of de waarheid geweld zult moeten aandoen. Maar de keuze is aan uw cliënten. Uiteraard kunnen uw cliënten dan rekenen op een (opheffings) kort geding, waarbij eventuele schade op hen verhaald zal worden.
Tot slot vraagt u cliënt of deze zelf nog gedachten heeft om tot een vergelijk te komen ter zake de lopende discussie, maar als ik het al met al bekijk, hebben uw cliënten dat wel verspeeld. Uw cliënten zijn immers
prima op de hoogte van de hoed en de rand wat betreft de afloop ter zake de koopovereenkomst met de curator en de mogelijkheden die er zijn om de schade voor de vennootschap te beperken. Dat hebben uw cliënten niet
gewild. Dat is hun eigen keuze. Ik verwijs u dienaangaande naar de WhatsApp-correspondentie.
Ik veroorloof het me, gezien uw beknopte mails, stellingen en rechtsgronden - waarbij u voor uw cliënten miljoenen lijkt te kunnen claimen - dan ook maar om eens ‘hoog over’ en resumerend over de kwestie met u te filosoferen.
Feiten en omstandigheden
Over de hele linie bekeken lijkt het erop dat de heren [eiser] en [naam 14] begin maart 2025 het lumineuze idee hadden om een winkelcentrum van een curator te kopen in Hagen om hier geld mee te verdienen. Daar waar dit allemaal begon met een enkel contact tussen mijn cliënt en de heer [naam 14] , is dit op enig moment uitgegroeid tot een collectief overleg met zes partijen, waar ieder zijn zegje in kreeg. Overigens is in het geheel niet duidelijk of alle partijen nu inhoudelijk een taak hebben of gewoon enkel meeliften op de inspanningen van anderen en/of de vennootschappen. Wat hiervan zij, kennelijk heeft het iedereen voor ogen gestaan om op enig moment een financiering te zoeken voor de koop van het winkelcentrum in Hagen van circa € 20 miljoen, om het te
verwerven, te exploiteren en om het in de toekomst weer met winst te verkopen. Over eigen financiële middelen hoefde kennelijk niet nagedacht te worden. An sich een mooie opportuniteit, maar over de gehele tijdlijn
nog absoluut geen gelopen race. Hoewel uw cliënten doen voorkomen alsof dit allemaal ‘appeltje-eitje’ is, getuigt dat natuurlijk allemaal van weinig realiteitszin. Zeker op de wijze waarop partijen op deze wijze met elkaar over en weer omgaan en uitvoering wordt gegeven aan het operationele en juridische proces voor zichzelf en jegens derden (financier en/of de curator).
Op enig moment heeft men besloten om twee juridische entiteiten op te richten, waarbij het uitgangspunt zou moeten zijn dat iedereen dan meedoet voor gelijke delen, dus voor 1/6 deel. En zo werd Honi Invest Duitsland B.V. op 15 april 2025 geboren, die vervolgens de aandelen ging houden in de eveneens op 15 april 2025 opgerichte Mittelstrasse 22 Hagen B.V. Partijen waren er kennelijk allemaal van op de hoogte dat als een
financiering van deze omvang aangevraagd moet worden, zoals te doen gebruikelijk, het nodige onderzoek wordt verricht naar de achtergrond van de partijen die betrokken zijn bij deze transactie en in de weg kan staan
aan een financiering door een (bank)instelling. Uw cliënt [naam 2] kwam al snel tot het inzicht dat hij dan maar beter buiten beeld zou kunnen blijven. Ook voor ondergetekende niet geheel verwonderlijk, gezien
de perikelen die uw cliënt [naam 14] heeft mogen ervaren in de afwikkeling van het faillissement Easy Life. Het was dus kennelijk duidelijk voor de heer [naam 14] dat een financiering bij een bank niet zou worden verkregen,
als hij op enigerlei wijze betrokken zou zijn bij deze transactie, gezien zijn handel en wandel in het verleden. En dus wordt in de maand mei 2025 een optieovereenkomst voor NJ Verhuur B.V. ingericht, kennelijk met het oog
om de betrokkenheid van de heer [naam 14] bij de bank opzettelijk uit het oog te houden. Niks nieuws voor de heer [naam 14] . Een vos verleert zijn streken niet, laten we maar zeggen. Overigens veronderstel ik dat u zich ook wel zult melden voor NJ Verhuur B.V. Bij oprichting van de vennootschappen in april 2025 waren dus formeel vier
partijen indirect betrokken. Dat waren de heren [naam 15] , [eiser] , [naam 1] en [gedaagde] . [gedaagde] is mede)bestuurder van de vennootschap Mittelstrasse 22 Hagen B.V. geweest van 15 april tot 24 juli 2025. De heer [gedaagde] heeft
alle partijen in ieder geval voorgehouden dat hij warme contacten zou hebben met de [curator] en de makelaar JJL. Als bestuurder nam [gedaagde] kennelijk de taak op zich om met hen de communicatie tot stand te brengen en de onderhandelingen te voeren. Overigens is uit alle berichten en ook uit de brief van de heer [gedaagde] d.d. 25 augustus 2025 aan de heer [eiser] duidelijk dat ook [naam 1] contacten onderhoudt met derden namens de vennootschappen. De heer [gedaagde] omschrijft het zelfs als volgt:
„Nach Abschluss des Kaufvertrags liefen sämtliche Arbeiten, die ausschließlich von Herrn [naam 1] und mir gesteuert wurden, auf Hochtouren“.
Overigens hebben de heren helemaal niets bereikt met hun inspanningen. Ook dat wordt pijnlijk duidelijk uit de WhatsApp-berichten, waarin [adviseur] de heren het volgende te verstaan geeft over de mail die [gedaagde] op 21 juni 2025 aan [financier] Crowdfunding heeft gezonden:
“And yes, the letter is very positive in a political way. But from a banker's point of view, there is really nothing positive legally wise [4 juli 2025: 11:01:12]”.
Kortom, [naam 1] kwalificeert naar Nederlands recht als feitelijk bestuurder. De heer [eiser] is via de heer [adviseur] op zoek gegaan naar een financiering. [financier] Crowdfunding was een optie als financierende partij.
Gezien de parameters van het project zou een financiering tot de mogelijkheden kunnen behoren, maar dan moet de achtergrond van partijen wel niet tot vragen leiden. Uiteraard voert ook [financier] Crowdfundings een uitvoerig kredietonderzoek uit (KYC/CDD). Los daarvan heeft zij haar eigen credit score.
Zogezegd, zo gedaan: uw cliënt [gedaagde] start de onderhandeling met de curator en de vennootschap Mittelstrasse 22 Hagen B.V. sluit uiteindelijk een koopovereenkomst met de curator op 8 mei 2025, zonder financieringsvoorbehoud en met een voorschotbetaling van 2 miljoen euro. Gezien dat de heren [gedaagde] en [naam 1] van Duitse origine zijn, lag het natuurlijk ook volledig voor de hand dat zij de contacten onderhielden met
derden in Duitsland. Ook dat blijkt allemaal uit de WhatsApp-berichten.
Ondertussen is ook bekend dat de heer [gedaagde] niet alleen de heer [eiser] een rad voor ogen heeft gedraaid, maar ook de curator en [financier] Crowdfunding. [gedaagde] heeft de financier en de curator de zaken allemaal financieel rooskleuriger voorgesteld dan die in werkelijkheid waren. Sterker nog, [gedaagde] verkondigde diverse onwaarheden bij deze partijen, niet alleen over zijn eigen financiële positie, maar ook over de mogelijkheden die de nieuwe vennootschappen hadden om het hele project van de grond te krijgen. De heer [gedaagde] gaf zelfs bij JLL ( [naam 5] ) te verstaan dat Mittelstrasse 22 Hagen B.V. het wel allemaal uit eigen middelen zou kunnen financieren. Dienaangaande kunt u de mails van uw cliënten erop naslaan van 12 juni jl., waarin de Duitse heren door [adviseur] worden aangeschreven over vragen van [financier] Crowdfunding, en 21 juni 2025, waarin [gedaagde] [financier] Crowdfunding, zoals gezegd rooskleurig, aanschrijft over zijn financiële positie.
[afbeelding geanonimiseerd]
Het ziet er toch echt naar uit dat het uw cliënten [gedaagde] en [naam 1] zijn die de boel aan het oplichten zijn. Daarbij komt dat de handelswijze van de heer [gedaagde] mede plaats heeft gevonden tijdens zijn bestuursmandaat. U kunt
uw cliënt [gedaagde] meegeven dat hij (in ieder geval al) namens de vennootschappen aansprakelijk zal worden gesteld voor wanbeleid jegens deze op grond van artikel 2:9 BWPro (wanbeleid) en/of artikel 6:162 BWPro. Als de vennootschappen in een deconfiture zouden raken, zal vermoedelijk ook artikel 2:248 BWPro (onbehoorlijk bestuur) in stelling worden gebracht, waarmee ook de heer [naam 1] in het aansprakelijkheidsvizier zal komen.
Dan komt het moment op 22 juli 2025 dat [financier] Crowdfunding via [naam 6] bij mail kenbaar maakt dat zij niet bereid zijn de financiering in te vullen. De oorzaak laat zich eenvoudig raden. Het zijn de uitkomsten
van het achtergrondonderzoek naar de Duitse aandeelhouders. De gegoedheid van de Duitse partijen wordt onverkort in twijfel getrokken. Dan komen partijen opnieuw in conclaaf en bedenken zij zich dat [gedaagde] en
[naam 1] dan nu maar buiten beeld van de vennootschap Mittelstrasse 22 Hagen B.V. gebracht moeten worden, waarvoor ze (opnieuw) optieovereenkomsten inrichten, met het oogmerk om eventuele financiers opzettelijk bij de neus te nemen. Het lijkt ondertussen een bestendige gedragslijn te worden van de heren. Uiteraard komt dit uit de koker van uw cliënten. De optieovereenkomsten werden immers in het Duits geredigeerd. Ik moet u zeggen dat de lichtzinnigheid waarmee dit allemaal wordt bedacht van een verbluffend niveau is. Gezien uw métier als (strafrecht)advocaat vermoed ik dat u het wel beter zult weten, maar ik denk aan artikel 326 StrafrechtPro. Als civilist lijken dit toch allemaal rechtshandelingen in strijd met de goede zeden en/of openbare orde
overeenkomstig artikel 3:40 BWPro. Dus nietig. Er is geen financier in Nederland die onder zulke condities niet de bevoegdheid zou hebben om een eventueel (alsnog) verleende financiering op te zeggen, op het moment dat deze lucht krijgt van deze handelswijze. Nog alle formaliteiten en verplichtingen voor kredietnemer opgenomen in algemene (bank)voorwaarden daargelaten, zoals de informatieverplichtingen rond wijzigingen in het bestuur en/of eigendomsverhoudingen. Zoals gezegd, allemaal kinderlijk naïef.
Hoe verder? Vanaf 22 juli 2025 zit de Mittelstrasse 22 Hagen B.V. en haar bestuur dus zonder een financiering, door toedoen van (met name) [gedaagde] , met een keiharde overeenkomst van de curator, waarbij voorschotten
betaald werden van EUR 800.000,-- op 13 mei 2025 en EUR 1.200.000,-- op 21 juli 2025, omdat uw cliënten met geen euro thuisgeven. En ook bij vragen over deze voorschotbetalingen draaien de heren [gedaagde] en [naam 1]
mijn cliënten een rad voor ogen. Partijen effectueren op 24 juli 2025 een aandelenoverdracht en tekenen een optieovereenkomst. Uitgangspunt was dat de vennootschap c.q. het bestuur opnieuw een financiering bij [financier]
Crowdfunding zou vragen, omdat de druk hoog was vanuit de curator. Verzuim was immers al ingetreden en een ontbinding van de overeenkomst lag in de rede. Dat zou tot het faillissement van de vennootschap Mittelstrasse 22 Hagen B.V. kunnen leiden, waarbij de voorschotten nimmer meer retour zouden komen, waarvoor [naam 15] en [eiser] instaan.
Het bestuur heeft zich vlak voor de nieuwe afspraak met [financier] Crowdfundig toch nog de vraag gesteld of er geen risico’s zouden kleven aan zo'n aanvraag voor de vennootschap en henzelf in privé, waarbij gewerkt zou moeten worden met de gesloten optieovereenkomsten. Uiteraard draagt zo'n handelswijze inherent risico’s met zich mee. Gelukkig kwam ook het bestuur tot deze conclusie, en heeft daarop niet meer bij [financier] Crowdfunding om een financiering gevraagd. Daar was het probleem evenwel niet mee van de baan voor Mittelstrasse 22 Hagen B.V. Met het oog hierop heeft het bestuur het roer omgegooid en alle zeilen voor het belang van de vennootschap bijgezet, om de schade te beperken. Daarbij heeft zij uiteindelijk derden gevonden die het project zouden willen overnemen, waarvan uw cliënten overigens de details wel kennen. Op hoofdlijnen werden uw cliënten hierin gekend. Overigens geheel onverplicht, omdat uw cliënten geen posities hebben binnen de
vennootschap. Overigens is het bestuur van de vennootschap daartoe ook niet gehouden als uw cliënten wel nog aandeelhouders zouden zijn geweest. Het is aan het bestuur om het belang van de vennootschap te behartigen. In deze casus is evident dat uw cliënten enkel met hun eigen belang in de weer zijn, maar dit van de vennootschap en haar stakeholders volledig uit het oog verliezen. Overigens mag een aandeelhouder aan zijn eigen belang denken, maar niet als de vennootschap daarmee ten dode is opgeschreven.
Kortom, het bestuur van Mittelstrasse 22 Hagen B.V. zal deze koers voor de vennootschap vervolgen, teneinde haar belangen zo goed als mogelijk te dienen. Hoewel de continuïteit van de onderneming daar doorgaans het
uitgangspunt bij is, kan dat belang van kleur verschieten, namelijk de vereffening van de vennootschap. Dat is het geval nu een serieuze alternatieve financiering niet meer aan de orde was en de curator ondertussen te kennen heeft gegeven geen zaken meer met Mittelstrasse 22 Hagen te willen doen. De reden hiervoor ligt volledig in alle feiten en omstandigheden die te maken hebben met de handelswijze van de heer [gedaagde] en [naam 1] . Zoals gezegd, daarvoor zullen deze cliënten van u aansprakelijk worden gehouden.
Rechtens
Uw e-mails hebben het karakter van een obscuur libel. Warrig en onnavolgbaar wat betreft de feiten en omstandigheden, de rechtsgronden en de diverse partijen. Dus moeilijk om verder op te reageren, maar ik zal
een poging ondernemen.
Uw cliënten lijken uit te gaan van de gedachte dat de heren [eiser] en [naam 15] jegens hen onder andere een persoonlijke (resultaats)verbintenis op zich hebben genomen, die erin zou bestaan dat zij de financiering
hadden moeten regelen. Dat is niet juist. Op grond van eender welke afspraken die mogen komen vast te staan, zijn de heren [eiser] en [naam 15] niet persoonlijk een partij. Niet voor niets is gekozen voor rechtspersonen. Uw cliënten moeten hun verzoeken en/of vorderingen tot haar richten. Voor zover zulke verbintenissen bestaan, zijn het inspanningsverbintenissen.
Voor zover de vorderingen van uw cliënten bestaan uit schadevergoeding die zij in hun hoedanigheid van aandeelhouder zouden lijden – voor zover ze dat nog zouden worden – (veel anders is er niet te bedenken op basis van uw mails), dan gaat het hier om zogenaamde afgeleide schade. Vaste jurisprudentie brengt met zich mee dat die schade niet door uw cliënten wordt geleden, maar door de vennootschap. In dit verband zij verwezen
naar (onder meer) HR 2 december 1994, NJ 1995/288 ( [naam 7] /ABP) m. nt. [naam 8] .
Dan de optieovereenkomsten. Voor zover die niet al nietig zijn op grond van artikel 3:40 BWPro en stand zouden houden, kan met recht worden gesteld of uw cliënten daar in redelijkheid nog een beroep op zouden kunnen doen, nu het uitgerekend zij zijn die een financiering om zeep hebben geholpen met liegen en bedriegen. [gedaagde] kan reeds wanbeleid op grond van artikel 2:9 BWPro worden verweten. De redelijkheid en billijkheid in artikel 2:248 BWPro en/of 2:8 BW kan daaraan in de weg staan.
En ook als we door die poort zijn, dan ligt een uitstotingsprocedure in de rede op grond van artikel 2:336 BWPro. Met de inwerkingtreding van de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen
enquêteprocedure (Wagevoe) per 1 januari 2025 is de uitstotingsprocedure gewijzigd. Nieuw is dat de medeaandeelhouder niet alleen kan worden uitgestoten als gevolg van handelen dat hij enkel in hoedanigheid van aandeelhouder heeft verricht. Ook handelen in een andere hoedanigheid kan leiden tot uitstoting, zoals de handelingen van [gedaagde] als bestuurder. Dus bij uitstek geschikt voor deze hele casus.
En als dit allemaal niet helpt, dan zouden uw cliënten thans gaan deelnemen in een vennootschap die de overeenkomst jegens de curator nimmer gestand had kunnen doen en het thans ook niet meer kan, omdat
de curator de koopovereenkomst heeft beëindigd en ook expliciet te kennen heeft gegeven geen zaken meer te doen met Mittelstrasse 22 Hagen B.V. Daar doen de pogingen van uw cliënten om te veinzen dat zij zelf een financiering hadden kunnen regelen niet aan af. Het is ook allemaal volstrekt ongeloofwaardig en gekunsteld.
Tot slot dan nog artikel 7 vanPro de optieovereenkomst. Los van de vraag jegens wie u namens uw cliënten dit artikel nu inroept en namens wie, kan het “Vorkaufsrecht” niet ingeroepen worden. Het vastgoed werd immers
nooit in Mittelstrasse 22 Hagen B.V. verworven. Dan kan men bezwaarlijk het voornemen hebben het door te verkopen.
Het lijkt er veeleer op dat uw cliënten met allerlei krampachtige (juridische) redeneringen en dreigingen richting cliënten en derden aan de tafel van de curator proberen te komen.
Welnu, dat is een gepasseerd station. Dat hadden uw cliënten prima kunnen doen na 22 juli jl. en het staat hen nog steeds vrij, maar ik ben bang dat deze geen thuis zal geven.
Onder voorbehoud van alle rechten en weren, verblijft, (...)”
2.38.
Bij e-mailbericht van 6 oktober 2025 (productie 17 [eiser] ) heeft de advocaat van [gedaagde] , mr. L.P.H. Hameleers) aan (de advocaat van) [eiser] laten weten niet meer op te treden voor [gedaagde] (en ook niet voor [naam 1] ).
2.39.
Bij verzoekschrift, binnengekomen op de rechtbank op 3 november 2025, heeft de nieuwe advocaat van [gedaagde] (zijnde een kantoorgenoot van zijn voormalige advocaat mr. Hameleers) de voorzieningenrechter van deze rechtbank - kort gezegd - verzocht ten laste van [eiser] voor € 3.530.000,00 conservatoir (derden)beslag te mogen leggen onder de ING bank, de AMB AMRO bank, de Rabobank en op de onroerende zaken aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 1] (productie 1 [eiser] ). Uit het verzoekschrift blijkt dat er al op 30 oktober 2025 een eerder verzoekschrift dienaangaande was ingediend, maar dat de voorzieningenrechter toen verzocht heeft om een nadere toelichting, die in het verzoekschrift van 3 november wordt gegeven. Onder 46 van het verzoekschrift (“Bekende verweren”) staat: “Er zijn [gedaagde] geen bekende verweren bekend.”
2.40.
Op 4 november 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek gehonoreerd, onder bepaling dat de eis in de hoofdzaak binnen 30 dagen na datum van het eerst gelegde beslag dient te worden ingesteld (productie 1 [eiser] ).
2.41.
Bij exploten van 5 november 2025 en 10 november 2025 is door [gedaagde] (repeterend) beslag gelegd op de voornoemde bankrekeningen van [eiser] en de onroerende zaken (productie 2 [eiser] ). Het beslag onder de banken heeft doel getroffen tot een bedrag van € 73.000,00.
2.42.
[eiser] heeft bij brief van 10 november 2025 (uitgebreid) gereageerd (productie 18 [eiser] ):
“(...) Mijn cliënt - de heer [eiser] (hierna kortweg: " [eiser] ") - deed mij het onzalige bericht toekomen dat mr. Debije overging tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [eiser] . Het betreft een conservatoir beslag onder derden (bankinstellingen) en onroerend goed.
Na overleg met mr. Debije op 6 november 2025 mocht ik van hem het verzoekschrift ontvangen waarmede het beslagverlof werd verkregen. Met zeer grote juridische verbazing nam ik kennis van de inhoud van het beslagrekest.
Ik stel vast dat het verweer dat zijdens [eiser] werd geuit - hetgeen werd neergelegd in mijn brief d.d. 28 september 2025 en per email verzonden op 28 september 2025 [13:15] - in het geheel niet wordt besproken. Sterker nog, er wordt in het rekest zelfs gesteld: " Er zijn [gedaagde] geen verweren bekend".
Dit is temeer ongeloofwaarding omdat er reeds op 15 augustus 2025 richting uw cliënt uitvoerig verweer werd gevoerd door de gemachtigde van [eiser] , de heer mr. [naam 14] .
Er is zodoende sprake van een flagrante schending van het bepaalde in artikel 21 RvPro. Indien u de Voorzieningenrechter correct had geïnformeerd - ik wees daar overigens al op in mijn voormelde brief - dan had u het beslagverlof nimmer verkregen. Daar heb ik u nota bene expliciet op gewezen in mijn schrijven!
Ingevolge artikel 21 RvPro zijn partijen verplicht om alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat wanneer deze verplichting niet wordt nageleefd, de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. In de Beslagsyllabus wordt opgemerkt dat in een beslagrekest melding moet worden gemaakt van alle in Nederland of in het buitenland lopende, doorlopen of beëindigde procedures die relevant zijn voor een goede beoordeling
van de zaak, waaronder mede begrepen eerder ingediende beslagrekesten bij dezelfde of een andere rechtbank. Hoewel de waarheidsplicht van art. 21 RvPro in alle soorten procedures geldt, komt het belang van een juiste en volledige informatievoorziening van de rechter het meest pregnant naar voren in ex parte procedures, waarin de rechter zijn beslissing dient te baseren op eenzijdig, dat wil zeggen door één partij naar voren gebrachte informatie. In een dergelijk geval moet de rechter erop kunnen vertrouwen dat hij met het oog op de van hem
gevraagde beslissing beschikt over de juiste en volledige voor die beslissing relevante informatie. In de Beslagsyllabus wordt dienaangaande vermeld dat misleiding door onvoldoende toelichting te hebben gegeven in een beslagrekest de voorzieningenrechter reden kan geven om in een later opheffingskort geding de vordering tot opheffing van het beslag reeds daarom toe te wijzen.
Ten onrechte heeft u de Voorzieningenrechter in elk geval niet op de hoogte gebracht van enkele cruciale verweren/stellingen zijdens [eiser] (zonder te streven naar volledigheid):
l. Het is uw cliënt geweest die de koopovereenkomst met de curator sloot zonder een financieringsvoorbehoud en met een aanbetalingsverplichting van EUR 2 mio. Ik schreef:
Zogezegd, zo gedaan: uw cliënt [gedaagde] start de onderhandeling met de curator en de vennootschap Mittelstrasse 22 Hagen B.V. sluit uiteindelijk een koopovereenkomst met de curator op 8 mei 2025, zonder financieringsvoorbehoud en met een voorschotbetaling van 2 miljoen euro. Gezien dat de heren [gedaagde] en [naam 1] van Duitse origine zijn, lag het natuurlijk ook volledig voor de hand dat zij de contacten onderhielden met derden in Duitsland. Ook dat blijkt allemaal uit de WhatsApp-berichten.
2. Dat er reeds sprake was van verzuim in de nakoming van de koopovereenkomst met de curator wegens het
niet-tijdig betalen van de aanbetaling. Ik schreef:
"Hoe verder? Vanaf 22 juli 2025 zit de Mittelstrasse 22 Hagen B.V. en haar bestuur dus zonder een financiering, door toedoen van (met name) [gedaagde] , met een keiharde overeenkomst van de curator, waarbij voorschotten betaald werden van EUR 800.000,-- op 13 mei 2025 en EUR 1,200.000,-- op 21 juli 2025, omdat uw cliënten met geen euro thuisgeven. En ook bij vragen over deze voorschotbetalingen draaien de heren [gedaagde] en [naam 1] mijn cliënten een rad voor ogen. Partijen effectueren op 24 juli 2025 een aandelenoverdracht en tekenen een optieovereenkomst. Uitgangspunt was dat de vennootschap c.q. het bestuur opnieuw een financiering bij [financier] Crowdfunding zou vragen, omdat de druk hoog was vanuit de curator. Verzuim was immers al ingetreden en een ontbinding van de overeenkomst lag in de rede. Dat zou tot het faillissement van de vennootschap Mittelstrasse 22 Hagen B.V. kunnen leiden, waarbij de voorschotten nimmer meer retour zouden komen, waarvoor [naam 15] en [eiser] instaan."
3. Dat door toedoen van onjuiste informatie (zacht uitgedrukt) verstrekt door uw cliënt richting de financier, de financiering niet is geslaagd, hetgeen een tweede verzuimsituatie heeft geschapen. Ik schreef:
"Dan komt het moment op 22 juli 2025 dat [financier] Crowdfunding via [naam 6] bij mail kenbaar maakt dat zij niet bereid zijn de financiering in te vullen. De oorzaak laat zich eenvoudig raden. Het zijn de uitkomsten van het achtergrondonderzoek naar de Duitse aandeelhouders. De gegoedheid van de Duitse partijen wordt onverkort in twijfel getrokken. Dan komen partijen opnieuw in conclaaf en bedenken zij zich dat [gedaagde] en [naam 1] dan nu maar buiten beeld van de vennootschap Mittelstrasse 22 Hagen B.V. gebracht moeten worden, waarvoor ze (opnieuw) optieovereenkomsten inrichten, met het oogmerk om eventuele financiers opzettelijk bij de neus te nemen. Het lijkt ondertussen een bestendige
gedragslijn te worden van de heren. Uiteraard komt dit uit de koker van uw cliënten. De optieovereenkomsten werden immers in het Duits geredigeerd. Ik moet u zeggen dat de lichtzinnigheid waarmee dit allemaal wordt bedacht van een verbluffend niveau is. Gezien uw métier als (strafrecht)advocaat vermoed ik dat u het wel beter zult weten, maar ik denk aan artikel 326 StrafrechtPro. Als civilist lijken dit toch allemaal rechtshandelingen in strijd met de goede zeden en/of openbare orde overeenkomstig artikel 3:40 BWPro. Dus nietig. Er is geen financier in Nederland die onder zulke condities niet de bevoegdheid zou hebben om een eventueel (alsnog) verleende financiering op te zeggen, op het moment dat deze lucht krijgt van deze handelswijze. Nog alle formaliteiten en verplichtingen voor kredietnemer opgenomen in algemene (bank)voorwaarden daargelaten, zoals de informatieverplichtingen rond wijzigingen in het bestuur en/of eigendomsverhoudingen. Zoals gezegd, allemaal kinderlijk naïef."
4. Dat op instigatie van uw cliënt er vervolgens een frauduleuze opzet is geschapen waarbij uw cliënt feitelijk als bestuurder/aandeelhouder uit beeld bleef, zulks teneinde de financier om de tuin te leiden en zodoende alsnog een overeenkomst strekkende tot financiering te verkrijgen;
5. Dat de optieovereenkomst(en) in strijd zijn met de goede zeden en zodoende nietig en geen basis vormen voor een aanspraak. Ik schreef:
"Dan de optieovereenkomsten. Voor zover die niet al nietig zijn op grond van artikel 3:40 BWPro en stand zouden houden, kan met recht worden gesteld of uw cliënten daar in redelijkheid nog een beroep op zouden kunnen doen, nu het uitgerekend zij zijn die een financiering om zeep hebben geholpen met liegen en bedriegen. [gedaagde] kan reeds wanbeleid op grond van artikel 2:9 BWPro worden verweten. De redelijkheid en billijkheid in artikel 2:248 BWPro en/of 2:8 BW kan daaraan in de weg staan."
6. Dat uiteindelijk nakoming van de koopovereenkomst jegens de curator onmogelijk bleek. Ik schreef:
"Het bestuur heeft zich vlak voor de nieuwe afspraak met [financier] Crowdfundig toch nog de vraag gesteld of er geen risico's zouden kleven aan zo'n aanvraag voor de vennootschap en henzelf in privé, waarbij gewerkt zou moeten worden met de gesloten optieovereenkomsten. Uiteraard draagt zo'n handelswijze inherent risico's met zich mee. Gelukkig kwam ook het bestuur tot deze conclusie, en heeft daarop niet meer bij [financier] Crowdfunding om een financiering gevraagd. Daar was het probleem evenwel niet mee van de baan voor Mittelstrasse 22 Hagen B.V. Met het oog hierop heeft het bestuur het roer omgegooid en alle zeilen voor het belang van de vennootschap bijgezet, om de schade te beperken. Daarbij heeft zij uiteindelijk derden gevonden die het project zouden willen overnemen, waarvan uw cliënten overigens de details wel kennen. Op hoofdlijnen werden uw cliënten hierin gekend. Overigens geheel onverplicht, omdat uw cliënten geen posities hebben binnen de vennootschap. Overigens is het bestuur van de vennootschap daartoe ook niet gehouden als uw cliënten wel nog aandeelhouders zouden zijn geweest. Het is aan het bestuur om het belang van de vennootschap te behartigen. In deze casus is evident dat uw cliënten enkel met hun eigen belang in de weer zijn, maar dit van de vennootschap en haar stakeholders volledig uit het oog verliezen. Overigens mag een aandeelhouder aan zijn eigen belang denken, maar niet als de vennootschap daarmee ten
dode is opgeschreven."
7. Dat uw cliënt inmiddels ook bij schrijven van 6 oktober 2025 (per email [11:42] is gesommeerd en in rechte zal worden aangesproken tot terugbetaling van een geldlening ad EUR 35.000,00, verstrekt door [eiser] B.V. aan uw client.
Ik heb thans de meest in het oog springende verweren benoemd. In elk geval volgt reeds daaruit dat er van enig vorderingsrecht geen sprake kan zijn. U heeft artikel 21 RvPro met voeten getreden, hetgeen rechtstreeks tot opheffing van de beslagen moet leiden.
Los daarvan is er ook helemaal geen vordering en vormt zulks al een reden voor opheffing van de beslagen ex artikel 705 RvPro. Er is immers geen vorderingsrecht c.q. de gepretendeerde vordering is summierlijk ondeugdelijk. Dit heeft de Voorzieningenrechter naar aanleiding van uw eerste beslagrekest ook aan u toegelicht. U heeft dit thans - in strijd met de waarheid - vormgegeven als een samenwerkingsovereenkomst. Dit wordt betwist door [eiser] . U kunt ook geen samenwerkingsovereenkomst tonen. De feiten zijn dat de kopende partij - de
projectvennootschap - door toedoen van uw cliënt niet langer kon nakomen. Er is zodoende geen rechtsgrond op basis waarvan uw cliënt een vorderingsrecht zou kunnen toekomen. Ik schreef:
"Uw cliënten lijken uit te gaan van de gedachte dat de heren [eiser] en [naam 15] jegens hen onder andere een persoonlijke (resultaats)verbintenis op zich hebben genomen, die erin zou bestaan dat zij de financiering hadden moeten regelen. Dat is niet juist. Op grond van eender welke afspraken die mogen komen vast te staan, zijn de heren [eiser] en Havens niet persoonlijk een partij. Niet voor niets is gekozen voor rechtspersonen. Uw cliënten moeten hun verzoeken en/of vorderingen tot haar richten. Voor zover zulke verbintenissen bestaan, zijn het inspanningsverbintenissen. Voor zover de vorderingen van uw cliënten bestaan uit schadevergoeding die zij in hun hoedanigheid van aandeelhouder zouden lijden - voor zover ze dat nog zouden worden - (veel anders is er niet te bedenken op basis van uw mails), dan gaat het hier om zogenaamde afgeleide schade. Vaste jurisprudentie brengt met zich mee dat die schade niet door uw cliënten wordt geleden, maar door de vennootschap. In dit verband zij verwezen naar (onder meer) HR 2 december 1994, NJ 1995/288
( [naam 7] /ABP) m. nt. [naam 8] ."
Kort en goed:
Uw cliënt heeft geen overeenkomst met de projectvennootschap;
Uw cliënt heeft geen overeenkomst met [eiser] ;
Uw cliënt heeft geen persoonlijke garantieaanspraak jegens [eiser] ;
Uw cliënt is geen aandeelhouder van de projectvennootschap;
Uw cliënt heeft de vennootschap gebonden aan een overeenkomst waarvan uw cliënt wist dan wel behoorde te weten dat zij aan deze overeenkomst niet kon voldoen;
Uw cliënt is de oorzaak van het niet-verkrijgen van de financiering;
Uw cliënt heeft middels een samenstel van verdichtsels getracht de financiering alsnog te bewegen tot een financiering.
Opheffing beslagen
Van [eiser] heb ik inmiddels de opdracht over te gaan tot het nemen van rechtsmaatregelen, meer specifiek
bestaande uit een kort geding strekkende tot opheffing van de beslagen.
Ik sommeer u thans om de beslagen vóór woensdag 12 november 2025, 17.00 uurte doen opheffen, bij gebreke waarvan ik een kortgedingprocedure zal entameren.
(...)
Aansprakelijkheid
Naar vaste rechtspraak bestaat voor het geval beslag wordt gelegd voor een vordering die ongegrond blijkt, een risicoaansprakelijkheid van de beslaglegger (HR 15 april 1965, NJ 1965/331 m.nt. [naam 9] ( [namen 2] en voorts HR 21 februari 1992, NJ 1992/321 (Curatoren/ [naam 10] ), HR 13 januari 1995, NJ 1995/366 m.nt. [naam 11] (Ontvanger/ [naam 12] ), HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841, AA 2003, p. 773 e.v. m.nt.
[naam 13] (Hoda International/Mondi Foods), HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7059, NJ 2004/150 ( [...] / [...] ) en HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6196, NJ 2008/92 ( [...] /Golden Anchor Club c.s.).
Ik sommeer uw cliënt de aansprakelijkheid voor de schade veroorzaakt door de beslaglegging onvoorwaardelijk schriftelijk te erkennen. Uw berichten dienaangaande ontvang ik graag uiterlijk 12 november 2025.
Tuchtrechtelijk laakbaar handelen
Uw beider handelen kwalificeert voorts als tuchtrechtelijk laakbaar. U heeft de kernwaarde integriteit geschonden. U heeft artikel 21 RvPro flagrant geschonden. De inhoud van mijn brieven aan mr. Hameleers hadden vanzelfsprekend betrokken moeten worden in het rekest. Alsmede de brief van mr. [naam 14] . Daar is geen discussie.
Helemaal opmerkelijk wordt het nu mr. Hameleers mij naar aanleiding van de aansprakelijkstelling van, alsmede de incasso van een geldvordering op uw cliënt, berichtte niet langer voor hem op te treden. Vervolgens komt mr. Debije dan op de proppen met een beslaglegging waarbij willens en wetens niet wordt ingegaan op de relevant feiten en omstandigheden.
[eiser] neemt in overweging een tuchtklacht in te dienen tegen u beiden." (...)”
2.43.
Bij e-mailbericht van 13 november 2025 heeft (de advocaat van) [gedaagde] als volgt - voor zover thans van belang - gereageerd op de sommatie tot opheffing van de beslagen (productie 20 [eiser] , partieel):
“(...) l. In uw brief van 28 september stelt u dat [eiser] en [naam 14] begin maart 2025 het lumineuze idee krijgen een winkelcentrum van een curator te kopen in Hagen. Dat is helemaal niet waar. Uw cliënt licht u verkeerd voor. Alle contacten met de curator zijn door [gedaagde] geïnitieerd en de curator zal dat ook kunnen bevestigen. [gedaagde] heeft [naam 14] benaderd of hij een financier kende en zo kwam [eiser] in beeld. Alle app verkeer bevestigen deze gang van zaken. Het was een zeer aantrekkelijk project waar deelnemers een grote som geld konden realiseren. Er moest dus een financier worden gevonden en dat was waar [eiser] voor zou zorgen.
2. Op 4 juni 2025 laat uw cliënt wetend at er een feestje kan worden gebouwd en partijen minimaal 5 miljoen de man gingen verdienen maar waarschijnlijk tussen de 7-7,5 miljoen. Als hij op 7 mei gevraagd wordt of er niet op de financiering moet worden gewacht verklaard [eiser] : DIE STAAT AL. Niet [gedaagde] verklaart onwaarheden, zijn verklaring kan worden getoetst aan al het whats-app verkeer.
3. Op enig moment - nadat de financiering volgens uw cliënt al lang rond was - komt hij met het verzoek of [gedaagde] en [naam 1] uit de vennootschap konden treden omdat de financier daar de voorkeur aan zou geven. Vreemd want de financiering was al rond maar zo werd gekozen voor de constructie met de optierechten. Hier kunnen alle betrokkenen over getuigen en zijn documenten aanwezig. Uw stelling dat er geen overeenkomst zou bestaan
mist iedere grondslag. De mondelinge afspraken tussen partijen worden bevestigd door de schriftelijke bescheiden.
4. Op enig moment is uw cliënt voor niemand meer bereikbaar. Kennelijk is hij dan in gesprek met de uiteindelijke koper zonder de mensen met wie hij een overeenkomst had daarin te betrekken. (...)”
2.44.
Aan de sommatie tot opheffing van de beslagen is door [gedaagde] niet voldaan, reden waarom [eiser] onderhavig kort geding heeft gestart.
3.Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, rechtsprekende in kort geding, bij vonnis, voor zoveel als wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. Het door [gedaagde] gelegde conservatoir beslag als vermeld in onderdeel 9 van het lichaam van de dagvaarding met onmiddellijke ingangzal opheffen;
II. [gedaagde] met onmiddellijke ingangzal verbieden om opnieuw ten laste van [eiser] conservatoir beslag te leggen voor eenzelfde vordering die ten grondslag lag aan het opgeheven beslag, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 3.000.000,- per dag, een deel van een dag voor een hele gerekend dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;
Subsidiair
III. [gedaagde] zal veroordelen om binnen 24 uurna dagtekening, althans betekening van het vonnis in dit kort geding, het conservatoir derdenbeslag als vermeld in onderdeel 9 van het lichaam van de dagvaarding op te heffen op straffe van een dwangsom van EUR 100.000,- per dag, een deel van een dag voor een hele gerekend dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;
IV. [gedaagde] met onmiddellijke ingangzal verbieden om opnieuw ten laste van
[eiser] conservatoir beslag te leggen voor eenzelfde vordering die ten grondslag lag aan het opgeheven beslag, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 3.000.000,- per dag, een deel van een dag voor een hele gerekend dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;
Primair en subsidiair
V. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van dit kort geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.De beoordeling
Voorzieningenrechter van rechtbank Limburg, locatie Maastricht, bevoegd en Nederlands recht van toepassing?
4.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het een internationaal geschil betreft, nu [gedaagde] in Duitsland woont. De dagvaarding is betekend aan het kantooradres van de advocaat van [gedaagde] , aangezien [gedaagde] daar domicilie heeft gekozen.
4.2.
Nog daargelaten dat tussen partijen niet in geschil is dat de Nederlandse rechter, in het bijzonder de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, afdeling civiel, zittingsplaats Maastricht, bevoegd is om over het geschil te oordelen, volgt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter voort uit artikel 705 junctoProart. 103 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en tevens uit artikel 35 vanPro de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Vo 1215/2012). Gelet hierop is de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
4.3.
Uit art. 10:3 BWPro volgt dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is.
4.4.
Beide partijen beroepen zich op Nederlandse wetsartikelen, zodat de voorzieningenrechter het ervoor houdt dat partijen het wenselijk achten dat het onderhavige kort geding (materieelrechtelijk) naar Nederlands recht wordt beoordeeld.
Spoedeisend belang
4.5.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak en is overigens niet betwist.
Opheffen conservatoire beslagen
4.6.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
4.7.
Volgens art. 705 lid 2 RvPro moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger ( in casu[gedaagde] ) bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene ( in casu[eiser] ) bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
4.8.
De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.
4.9.
[eiser] heeft de volgende stellingen aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd.
Niet volledig en naar waarheid ingediend verzoekschrift – schending art. 21 RvPro
4.9.1.
[eiser] heeft - kort gezegd - gesteld dat [gedaagde] meent een vordering op hem te hebben. Terecht heeft de voorzieningenrechter destijds gevraagd die vordering nader te duiden. Nog altijd snapt [eiser] in het geheel niet waar de vordering van [gedaagde] op gebaseerd is. De hoogte van de vordering is daarnaast volledig uit de lucht gegrepen. Dit moet leiden tot opheffing van het beslag ex artikel 705 RvPro. De vordering is summierlijk ondeugdelijk, aldus [eiser] . Bovendien is er sprake van een flagrante schending van artikel 21 RvPro, omdat [gedaagde] de feiten niet volledig en niet naar waarheid heeft aangevoerd. [gedaagde] heeft in strijd met hetgeen in de beslagsyllabus staat het verzoek tot leggen van conservatoir beslag ingediend. In de beslagsyllabus wordt dienaangaande vermeld dat misleiding door onvoldoende toelichting te geven in een beslagrekest de voorzieningenrechter reden kan geven om in een later opheffingskort geding de vordering tot opheffing van het beslag reeds daarom toe te wijzen. Van essentiële stellingen en verweren zijdens [eiser] is in het verzoekschrift ten onrechte geen melding gemaakt. De meest in het oog springende verweren zijn benoemd in de hiervoor aangehaalde brief van 10 november 2025, maar dus ook in de eerdere brieven van 28 september 2025 en 15 augustus 2025 namens [eiser] . [gedaagde] had toch (in elk geval) moeten vermelden (dat):
[gedaagde] heeft de koopovereenkomst met de curator gesloten onder voorwaarden;
[gedaagde] is de oorzaak van het niet doorgaan van de financiering;
[gedaagde] heeft de optieovereenkomst voorgesteld;
e optieovereenkomst is nietig (artikel 3:40 BWPro);
[gedaagde] heeft overigens zelf verhinderd dat er aan de optieovereenkomst geen uitvoering werd gegeven;
De projectvennootschap is door toedoen van [gedaagde] al lang en breed in verzuim komen te verkeren, zowel ten aanzien van de aanbetaling als ten aanzien van de betaling van de resterende koopprijs;
De projectvennootschap heeft een vordering op [gedaagde] uit hoofde van onbehoorlijk bestuur;
[eiser] heeft een vordering op [gedaagde] van EUR 35.000,- uit hoofde van een geldlening.
[eiser] verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 juli 2024. Indien de voorzieningenrechter destijds op de hoogte was geweest van deze essentiële verweren dan was het verlof niet verleend of had de voorzieningenrechter [eiser] gehoord voorafgaand aan verlofverlening.
Geen (mondelinge) samenwerkingsovereenkomst
4.9.2.
Volgens [eiser] stelt [gedaagde] dat er met [eiser] (en anderen) een
samenwerkingsovereenkomst zou bestaan. Die wordt echter niet door [gedaagde] overgelegd. [eiser] betwist dit dan ook. Er is evenmin sprake van een mondelinge samenwerkingsovereenkomst en zeker niet in de zin zoals [gedaagde] die stelt. Naast [eiser] zouden er volgens [gedaagde] ook nog andere partijen bij de overeenkomst betrokken zijn, maar de rol en juridische positie van die partijen blijft onduidelijk. Volgens [gedaagde] moet er door de vennootschappen “heen gekeken” worden, maar wat [gedaagde] hier mee beoogt is ook onduidelijk. [gedaagde] suggereert verder dat [eiser] zou profiteren van de verkoop door de curator aan een derde, maar levert geen bewijs hiervoor. [eiser] betwist dit in elk geval.
[gedaagde] heeft geen vordering uit hoofde van diens voormalige bestuurderschap van Mittelstrasse 22 Hagen B.V.
4.9.3.
[gedaagde] is geen bestuurder en ook geen aandeelhouder van Mittelstrasse 22 Hagen B.V. . Ook als voormalig bestuurder heeft [gedaagde] niets te vorderen. [gedaagde] stelt niets hierover, aldus [eiser] .
[gedaagde] heeft geen vordering als voormalig aandeelhouder en/of toekomstig aandeelhouder
4.9.4.
[gedaagde] is geen aandeelhouder, en heeft dus geen vordering uit dien hoofde. [gedaagde] zou theoretisch een beroep kunnen doen op levering van aandelen onder de optieovereenkomst, maar die overeenkomst is volgens [eiser] wegens strijd met artikel 3:40 BWPro nietig, nu er een oogmerk van financieringsfraude was. [gedaagde] heeft nooit enig gevolg gegeven aan het verkrijgen van aandelen. Ook indien [gedaagde] wel een belang in Mittelstrasse 22 Hagen B.V. zou kunnen verkrijgen, dan kan hij enkel als aandeelhouder schade lijden, niet anderszins. Mocht [eiser] Mittelstrasse 22 Hagen B.V. vermogensschade toebrengen of toegebracht hebben, dan heeft alleen Mittelstrasse 22 Hagen B.V. een vorderingsrecht tot schadevergoeding, en niet [gedaagde] .
[gedaagde] heeft geen vordering op [eiser] als bestuurder, maar (in het gunstigste geval) op Mittelstrasse 22 Hagen B.V.
4.9.5.
Gesteld noch gebleken is dat [eiser] als bestuurder jegens [gedaagde] aansprakelijk is, laat staan op grond waarvan. [gedaagde] heeft zelf Mittelstrasse 22 Hagen B.V. gebonden aan de overeenkomst terwijl hij wist dan wel behoorde te weten dat Mittelstrasse 22 Hagen B.V. die overeenkomst niet zou kunnen nakomen. Mittelstrasse 22 Hagen B.V. is in verzuim komen te verkeren, hetgeen [eiser] als bestuurder niet kan worden verweten, aldus [eiser] .
[eiser] heeft geen op hem rustende zorgvuldigheidsnorm geschonden
4.9.6.
Volgens [eiser] is gesteld noch gebleken is dat [eiser] in privé onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld. [eiser] heeft hierbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (Spaanse villa). Mittelstrasse 22 Hagen B.V. verkeert in verzuim, waardoor haar geen rechten uit hoofde van de koopovereenkomst meer toekomen. Het is de schuld van [gedaagde] dat de financiering niet werd verstrekt en er geen tijd meer was voor het aantrekken van vervangende financiering.
[gedaagde] treft eigen schuld / er is sprake van een verrekenbare vordering jegens [gedaagde]
4.9.7.
[gedaagde] vergeet dat het door zijn eigen schuld is dat er geen financiering is verkregen en dat Mittelstrasse 22 Hagen B.V. een vordering op hem heeft uit hoofde van onbehoorlijk bestuur dan wel overschrijding van diens vertegenwoordigingsbevoegdheid. [gedaagde] heeft immers een onvoorwaardelijke koopovereenkomst gesloten zonder financieringsvoorbehoud en met aanbetalingsverplichtingen, waardoor Mittelstrasse 22 Hagen B.V. schade heeft geleden, aldus [eiser] .
[gedaagde] heeft enkel een vordering op Mittelstrasse 22 Hagen B.V. uit hoofde van een mogelijke mondelinge samenwerkingsovereenkomst
4.9.8.
[gedaagde] stelt dat hij op basis van een mondelinge overeenkomst tot samenwerking een directe vordering op [eiser] zou verkrijgen. Dit is volgens [eiser] echter volstrekt ongeloofwaardig aangezien [eiser] nimmer middelen zou hebben verkregen. Eventuele winsten zouden toevloeien naar Mittelstrasse 22 Hagen B.V. Deze entiteit wordt echter niet aangesproken door [gedaagde] . Los daarvan betreft de rechtsverhouding waarop [gedaagde] zich beroept een ondeelbare rechtsverhouding. In zoverre komt [eiser] dan ook een beroep toe op de exceptio litis plurium consortium. [gedaagde] kan [eiser] niet alleen aanspreken.
De (hoogte van de) vordering staat niet vast
4.9.9.
De poging van [gedaagde] in het verzoekschrift om de vordering te begroten is volgens [eiser] ondoorzichtig en onnavolgbaar.
Belangenafweging strekt ten voordele van [eiser]
4.9.10.
[gedaagde] heeft volgens [eiser] niet aannemelijk kunnen maken dat hij een vordering heeft op [eiser] en wat die vordering dan voor omvang heeft. [eiser] wordt hard geraakt doordat hij geen beschikking heeft over een fors bedrag aan liquiditeiten. Dit heeft hij hard nodig gezien de vele juridische verwikkelingen waarin hij dreigt terecht te komen. Voorts blijkt uit het voorgaande dat de vorderingen van [gedaagde] , indien zij niet non-existent blijken te zijn, in elk geval substantieel lager zouden liggen. Zodoende biedt het onroerend goed afdoende verhaal.
Ten aanzien van het beslag op de onroerende zaken is er geen gegronde vrees voor verduistering
4.9.11.
[gedaagde] heeft gesteld dat uit vrees voor gegronde verduistering beslag op de onroerende zaken gerechtvaardigd is, maar hij onderbouwt dit met niets, aldus [eiser] .
Overig
4.9.12.
[gedaagde] wist, zo betoogt [eiser] verder, dat er nog geen financiering was, terwijl hij op 8 mei 2025 met de curator en zonder medeweten van [eiser] een koopovereenkomst heeft gesloten om het winkelcentrum voor € 19,3 miljoen te kopen, uiterlijk te betalen op 31 juli 2025, met een fors boeterente en een aanbetalingsverplichting van € 2 miljoen. [gedaagde] wist dat er geen financiering was en dat de kopende partij zonder financiering niet kon nakomen, terwijl hij het richting [eiser] deed voorkomen alsof alles in kannen en kruiken was (zie ook het app-bericht van [gedaagde] aan [adviseur] van 12 mei 2025, sub 27 dagvaarding).
Ongeveer een week nadat [eiser] bij de notaris was geweest, bleek dat [gedaagde] geen geld had voor de aanbetaling van € 2 miljoen, terwijl op dat moment de omvang van de aanbetaling niet bekend was bij [eiser] . Pas toen deelde [gedaagde] [eiser] mee dat als hij niet snel € 800.000,00 zou aanbetalen, de deal zou klappen. Omdat nooit eerder over een aanbetaling was gesproken, kwam dit als totale verrassing voor [eiser] . Desondanks heeft [eiser] € 800.000,00 betaald, onder toezegging van [gedaagde] en [naam 1] dat zij dit geld aan hem zouden terugbetalen mocht de deal niet van de grond komen. Twee weken later waren er toch problemen met de financiering die vertraging opliep, waardoor aanvullend € 1,2 miljoen moest worden betaald. Uiteindelijk heeft [eiser] weer een financiering van zijn eigen vennootschap en lening aan Mittelstrasse 22 Hagen B.V. kunnen regelen zodat ook de resterende aanbetaling van € 1,2 miljoen werd voldaan. Op 23 juli 2025 bevestigde de notaris per brief de aanbetalingen (productie 6).
[eiser] wist op dat moment niet dat de beoogd [financier] grote vraagtekens had bij de kredietwaardigheid van [gedaagde] en [naam 1] (hetgeen hij op 22 juli 2025 aan [adviseur] heeft laten weten productie 7 [eiser] ). [financier] heeft geweigerd te financieren. Van belang is dat [gedaagde] , aldus [eiser] , de problemen met de financiering wilde oplossen door zichzelf en [naam 1] buiten beeld te plaatsen van de financier. Op 24 juli 2025 tekenden partijen [eiser] , [naam 1] en [gedaagde] dienaangaande een door [gedaagde] opgestelde optieovereenkomst. [gedaagde] was op dat moment buiten beeld als bestuurder en aandeelhouder. Vanzelfsprekend werd de financier door [gedaagde] niet ingelicht over diens (vermeende) rechten onder de optieovereenkomst (productie 8 [eiser] ). [gedaagde] droeg [eiser] vervolgens op een nieuwe financieringsaanvraag in te dienen en aan te geven dat [gedaagde] geen betrokkenheid meer had. [eiser] werd echter door zijn adviseurs er op gewezen dat zulks fraude zou opleveren - een vorm van valsheid in geschrifte en/of bedrieglijke bankbreuk - hetgeen hem ervan weerhield om een nieuwe financiering aan te vragen. Overigens zou dit hele proces volgens [eiser] maanden duren, tijd die er niet was aangezien de koopprijs al op 31 juli 2025 voldaan diende te zijn. Op 4 augustus 2025 kwam Mittelstrasse 22 Hagen B.V. in verzuim te verkeren met de betaling van de (resterende) koopprijs van € 17,3 miljoen (zie productie 9).
Op 7 augustus 2025 hebben partijen gesproken over de verkoop aan een andere ontwikkelaar, te weten Brix (zie productie 10). Op 15 augustus heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld alsmede een beroep gedaan op opschorting van de optieovereenkomst (zie productie 11). Op 21 augustus 2025 heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de optieovereenkomst jegens Honi Invest Duitsland B.V., waarvan [eiser] DGA / bestuurder is (zie producties 12 en 13). Tussen 21 augustus 2025 en 25 augustus 2025 heeft telefonisch overleg plaatsgehad tussen de [eiser] en [gedaagde] . Op 10 september 2025 heeft [eiser] nogmaals gereageerd richting [gedaagde] (zie productie 14). Op 12 september 2025 maken [gedaagde] en [naam 1] jegens [eiser] aanspraak op nakoming van de optieovereenkomst (productie 15). Vervolgens is tussen (de advocaten van) en [gedaagde] op 28 september 2025 (productie 16) en 6 oktober 2025 (productie 17) gecorrespondeerd, waarbij de toenmalige advocaat van [gedaagde] (mr. Hamelaars) liet weten dat hij [gedaagde] niet meer zou bijstaan. De kantoorgenoot van die advocaat (mr. Debije) gaat vervolgens over tot beslaglegging. [eiser] heeft bij brief van 10 november 2025 uitgebreid gereageerd en aangegeven dat [gedaagde] geen vordering toekomt (productie 18). Bij e-mailbericht van 13 november 2025 heeft (de advocaat van) [gedaagde] gereageerd (productie 20).
4.10.
[gedaagde] heeft in de betekende dagvaarding in de bodemprocedure, die in deze procedure heeft te gelden als conclusie van antwoord, onder 58 - 81 de stellingen van [eiser] weersproken. Volgens [gedaagde] is het onjuist dat [eiser] iedere afspraak met hem (en [naam 1] en [naam 14] ) ontkent, dat [eiser] betwist ooit toezeggingen te hebben gedaan omtrent de financiering en dat [eiser] stelt dat [gedaagde] in privé geen enkele vorderingsgrond jegens hem of jegens Mittelstrasse 22 Hagen B.V. zou hebben. Volgens [gedaagde] (sub 82 - 105) is [eiser] aansprakelijk voor de door [gedaagde] geleden / te lijden schade, die opgemaakt dient te worden bijstaat, op de volgende grondslagen:
sub 83 - 88: contractuele aansprakelijkheid (toerekenbare tekortkoming)
sub 89 - 91: buitencontractuele aansprakelijkheid (onrechtmatige daad)
sub 92 - 100: schending van precontractuele normen (goede trouw)
sub 101 - 105: persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder.
Overwegende
4.11.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat ex art. 21 RvPro partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Dit geldt te meer voor een verzoekschriftprocedure waarbij verzocht wordt beslag te mogen leggen, nu de wederpartij in een dergelijke procedure niet wordt gehoord ( ex parte-procedure). Al op 30 oktober 2025 heeft [gedaagde] een eerste verzoekschrift dienaangaande ingediend (zie rov 2.39). Hierop heeft de voorzieningenrechter aangegeven behoefte te hebben aan een (nadere) toelichting. Bij verzoekschrift van 3 november 2025 heeft [gedaagde] deze gegeven. Alle correspondentie van vóór 3 november 2025, met name de brief van de advocaat van [eiser] van 28 september 2025 (zie rov. 2.37) was op dat moment bekend bij (de advocaat van) [gedaagde] , zodat duidelijk was wat het standpunt van [eiser] was en waaruit diens verweer bestond. Desondanks is in het verzoekschrift van [gedaagde] opgenomen dat er geen verweren van [eiser] bekend waren, hetgeen evident in strijd met de waarheid is. Ter zitting voert de advocaat van [gedaagde] aan dat er binnen zijn kantoor sprake was van een miscommunicatie:
“op het moment waarop [gedaagde] zich formeel meldde als cliënt, het eerdere optreden van [naam 14] , het wisselen van advocaat door [gedaagde] en zijn latere terugkeer naar ons kantoor. Daardoor is in het beslagrekest niet alle correspondentie meegenomen. (...) Maar – en dit is cruciaal – dit betreft een administratieve omissie en géén poging om de rechtbank te misleiden. Het was geen strategische keuze en al helemaal geen doelbewuste verkondiging van onjuistheden. Er is geen opzet of een poging om het feitencomplex te vertekenen.” (zie pleitnota sub 1-3).
Op vraag van de voorzieningenrechter verklaart de advocaat van [gedaagde] dat hem geen verweren bekend waren, maar zijn collega’s wel, reden waarom mr. Hameleers naar de zitting is meegekomen. Wat hier ook van zij, een interne miscommunicatie op het advocatenkantoor regardeert noch de voorzieningenrechter noch [eiser] . Anders dan [gedaagde] aanvoerde, was er wél uitgebreid verweer door [eiser] gevoerd. Op pagina 6 en verder van de brief van 28 september 2025 van [eiser] staat onder het kopje “Rechtens” duidelijk vermeld dat volgens [gedaagde] [eiser] een persoonlijke (resultaats)verbintenis op zich heeft genomen, die echter volgens [eiser] - als die verbintenissen al bestaan - inspanningsverbintenissen zijn. Verder voert [eiser] aan -kort gezegd - dat hij niet persoonlijk partij is; er is niet voor niets gekozen voor rechtspersonen. Verder voert [eiser] nog aan dat de vorderingen in de hoedanigheid van aandeelhouder afgeleide schade betreft, die niet door [gedaagde] maar door de vennootschap wordt geleden en dat de optieovereenkomsten nietig zijn omdat [gedaagde] volgens [eiser] liegt en bedriegt. Al deze kwesties hadden aan de voorzieningenrechter die over het verzochte beslag moest oordelen, moeten worden voorgelegd. Nu dit niet is gedaan, is in strijd met artikel 21 RvPro gehandeld, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het beslag op ondeugdelijke gronden is gelegd en dient te worden opgeheven.
4.12.
Het verweer van [gedaagde] (sub 38-41 pleitnota) dat [eiser] geen beroep toekomt op artikel 21 RvPro, omdat - kort gezegd - [eiser] zelf onwaarheden verkondigt waardoor hij de mogelijkheid verliest om het opheffingsinstrument te benutten, verandert het vooroverwogene niet. Dit zou nopen tot een nadere onderbouwing en bewijslevering, iets waar de voorzieningenprocedure niet in voorziet.
4.13.
Los van het voorgaande – dit betreft dus een zelfstandige afwijzingsgrond naast de afwijzing op grond van artikel 21 RvPro – is de voorzieningenrechter bovendien van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling van [gedaagde] dat er een mondelinge samenwerkingsovereenkomst met [eiser] in privéis, zoals hij ten grondslag aan zijn vorderingen heeft gelegd. Volgens [gedaagde] zou [eiser] in privéhebben gezegd dat hij 28 miljoen zou financieren. Gelet echter op het organigram (productie 7a [gedaagde] ) dat [gedaagde] heeft overgelegd, valt nergens uit af te leiden dat [eiser] in privépartij is, nu in het organigram slechts B.V.’s staan. Ook overigens heeft [gedaagde] geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit voorshands aannemelijk is geworden dat [eiser] in privépartij zou zijn bij welke door [gedaagde] gestelde overeenkomst dan ook. Nu [gedaagde] de beslagen heeft laten leggen onder [eiser] in privé, terwijl in dit kort geding geen grondslagen daartoe aannemelijk zijn geworden, dienen die beslagen ook om deze reden te worden opgeheven.
4.14.
Voor zover [gedaagde] heeft beoogd te stellen dat [eiser] in privé aansprakelijk is uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, treft die stelling al geen doel, nu deze volstrekt gespeend is van enige motivering of onderbouwing.
4.15.
Gelet op al het vooroverwogene zal de voorzieningenrechter het door [gedaagde] gelegde conservatoire beslag opheffen zoals bij petitum primair onder I is gevorderd.
Verbod opnieuw leggen beslag jegens [eiser] (in privé)
4.16.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] en diens advocaten er kennelijk niet voor terugdeinzen om via allerlei vreemde redeneringen en in strijd met de waarheid beslagen te leggen ten laste van [eiser] . Dit is een zeer kwalijke handelwijze die een halt moet worden toegeroepen. Er is sprake van serieuze dreiging van misbruik van beslagrecht. Er bestaat geen enkele waarborg voor [eiser] - zeker gezien het ex partekarakter van de verlofverlening - dat [gedaagde] in een volgend verzoek wel artikel 21 RvPro zou naleven. Aangezien [gedaagde] een aanzienlijke vordering heeft gefabriceerd, dient aan het verbod een dwangsom te worden gekoppeld die een effectieve afschrikwekkende prikkel vertegenwoordigt. [eiser] meent dat een bedrag van EUR 3.000.000,- is geïndiceerd, aldus [eiser] .
4.17.
[gedaagde] heeft hierop niet (expliciet) verweer gevoerd, anders dan in zijn pleitnota onder 40 staat (kort gezegd: [eiser] verkondigt onwaarheden en manipuleert de waarheid, terwijl beslag het enige instrument is dat rechtsbescherming aan [gedaagde] waarborgt en er geen sprake is van misbruik zijnerzijds).
4.18.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de onder 4.7 - 4.9 neergelegde kader ook geldt voor het gevorderde verbod tot het opnieuw leggen van conservatoir beslag. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar HR 3 april 202, 18/05202, ECLI:NL:HR:2020:599), waar (onder meer) is geoordeeld dat indien de gevraagde voorziening strekt tot een verbod tot het treffen van een conservatoire maatregel de belangen van partijen dienen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger bij (definitieve) afwijzing van de vordering in de hoofdzaak voor de door het beslag ontstane schade aansprakelijk is.
4.19.
Onder verwijzing naar rov. 4.14 waarbij geen aanknopingspunten zijn aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] in privépartij zou zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van [eiser] in privé uitvalt, te meer nu [gedaagde] in dit kader onvoldoende verweer heeft gevoerd, zodat de voorzieningenrechter het bij petitum primair onder II gevorderde eveneens zal toewijzen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet tot het opleggen van een dwangsom, zodat dit deel zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.20.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
kosten dagvaarding € 144,47
griffierecht € 331,00
salaris advocaat € 1.107,00
nakosten
de beslissing)
TOTAAL € 1.760,47
5.De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
heft met onmiddellijke ingang op het door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde conservatoir beslag als vermeld in onderdeel 9 van het lichaam van de dagvaarding,
5.2.
verbiedt [gedaagde] om opnieuw ten laste van [eiser] conservatoir beslag te leggen voor eenzelfde vordering die ten grondslag lag aan het opgeheven beslag,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.760,47 te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.