ECLI:NL:RBLIM:2026:663

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
11946753 \ AZ VERZ 25-125
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668a lid 1 BWArt. 7:668a lid 9 BWArt. 7:667 lid 1 BWArt. 7:681 BWArt. 7:673 lid 9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging leer/arbeidsovereenkomst door ontbindende voorwaarde en afwijzing billijke vergoeding

De werknemer trad in 2021 in dienst bij Mondriaan op basis van een leer/arbeidsovereenkomst gekoppeld aan een opleiding tot GZ-psycholoog. De overeenkomst eindigt van rechtswege door het verstrijken van de tijd of het niet meer volgen van de opleiding, zoals bepaald in de overeenkomst en cao. De opleiding werd beëindigd door het opleidingsinstituut wegens onvoldoende beoordeling.

Mondriaan beëindigde de overeenkomst per 31 augustus 2025, waarbij zij stelde dat dit het gevolg was van het intreden van de ontbindende voorwaarde en niet van opzegging. De werknemer vorderde diverse vergoedingen, waaronder een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd maar geëindigd door de ontbindende voorwaarde en het verstrijken van de tijd. De ketenregeling is niet van toepassing vanwege een cao-afwijking. Er is geen sprake van onregelmatige opzegging of aanzegverplichting. De transitievergoeding mag worden verrekend met de opleidingskosten, die hoger zijn dan de vergoeding.

De werknemer heeft onvoldoende bewijs geleverd voor ernstig verwijtbaar handelen van Mondriaan. Mondriaan heeft juist veel inspanningen geleverd voor begeleiding en opleiding. De billijke vergoeding wordt daarom afgewezen. De proceskosten worden aan de werknemer opgelegd.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst eindigde door ontbindende voorwaarde, geen onregelmatige opzegging of billijke vergoeding, verzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 11946753 \ AZ VERZ 25-125
Beschikking van 22 januari 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. S. Halouchi,
tegen
STICHTING MONDRIAAN,
te Heerlen ,
verwerende partij,
hierna te noemen: Mondriaan ,
gemachtigde: mr. E.V.C. Savelkoul.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- aanvullende stukken van [werknemer] van 31 december 2025
- aanvullende stukken van [werknemer] van 6 januari 2026
- aanvullende stukken van [werknemer] van 7 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [datum] 1971, is op 1 september 2021 in dienst getreden bij Mondriaan op grond van een leer/arbeidsovereenkomst. De functie van [werknemer] is psycholoog in opleiding tot GZ-psycholoog (PIOG) met een loon van € 5.604,00 bruto per maand. Op deze overeenkomst is de CAO GGZ (hierna: de cao) van toepassing.
2.2.
De leer/arbeidsovereenkomst tussen partijen is voor bepaalde tijd aangegaan.
2.2.1.
In artikel 2 van Pro de leer/arbeidsovereenkomst staat:
“Het cursorisch deel van de opleiding wordt verzorgd door [opleidingsinstituut] . Een en ander met inachtneming van de bepalingen van de opleidingsovereenkomst met het opleidingsinstituut zoals die luidt of zullen komen te luiden en die met deze leer/arbeidsovereenkomst een onverbrekelijk geheel vormt”
2.2.2.
In artikel 3 van Pro de leer/arbeidsovereenkomst staat dat deze van rechtswege eindigt door het verloop van de tijd waarvoor zij is aangegaan en in elk geval op 29 februari 2024.
2.2.3.
In artikel 10 van Pro de leer/arbeidsovereenkomst staat dat de functies van opleideling en werknemer onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en de dat arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt, zonder dat voorafgaande opzegging nodig is wanneer:
  • de in artikel 3 aangegeven Pro periode is verstreken (voor de duur van de opleiding doch uiterlijk tot en met 29-02-2024);
  • de opleiding in de instelling van de werkgever niet meer wordt gegeven;
  • de werknemer de opleiding niet meer volgt, of niet meer langer aan deze opleiding mag deelnemen binnen de instelling waarmee de leer/arbeidsovereenkomst is afgesloten;
  • de opleiding met succes is afgesloten.
2.3.
De opleiding tot GZ-psycholoog duurt op fulltime-basis twee jaar.
2.4.
De leer/arbeidsovereenkomst met [werknemer] is drie keer verlengd omdat Mondriaan telkens voorzag dat [werknemer] niet binnen de gestelde termijn de opleiding zou afronden.
Zodoende is de leer/arbeidsovereenkomst achtereenvolgens verlengd van:
- 1 maart 2024 tot en met 31 december 2024,
- 1 januari 2025 tot en met 28 februari 2025,
- 1 maart 2025 tot en met 31 augustus 2025.
2.5.
Bij brief van 28 augustus 2025 heeft [opleidingsinstituut] (hierna: [opleidingsinstituut] ) aan [werknemer] medegedeeld dat zij het praktijkdeel van haar opleiding als onvoldoende heeft beoordeeld en dat [werknemer] haar opleiding niet kan voortzetten, waardoor de opleiding eindigt per 1 september 2025.
2.6.
Bij brief van 29 augustus 2025 Mondriaan aan [werknemer] medegedeeld dat de leer/arbeidsovereenkomst per 31 augustus 2025 van rechtswege wordt beëindigd door het verstrijken van de tijd waarvoor deze overeenkomst is aangegaan. Mondriaan heeft daarnaast in deze brief gewezen op het besluit van [opleidingsinstituut] van 28 augustus 2025 en aan [werknemer] medegedeeld dat het niet langer mogen deelnemen aan de opleiding een beëindigingsgrond is op basis waarvan de leer/arbeidsovereenkomst van rechtswege wordt beëindigd, zonder dat voorafgaande opzegging nodig is. Concreet betekent dit, zo heeft Mondriaan in de brief gesteld, dat 31 augustus 2025 voor [werknemer] de laatste werkdag is.
2.7.
Bij e-mail van 29 oktober 2025 heeft [werknemer] gemachtigde Mondriaan medegedeeld dat zij aanspraak maakt op een transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding.
2.8.
Mondriaan heeft bij e-mail van 30 oktober 2025 aan de gemachtigde van [werknemer] medegedeeld dat [werknemer] geen recht heeft op voornoemde vergoedingen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter:
voor recht te verklaren dat het verleende ontslag/beëindiging niet rechtsgeldig/vernietigbaar is, doch dat [werknemer] berust in dit ontslag met inroeping van schadeplichtigheid;
Mondriaan te veroordelen tot:
a. betaling van een vergoeding wegen onregelmatige opzegging;
b. betaling van de wettelijke transitievergoeding;
c. betaling van een billijke vergoeding van € 95.796,46 bruto;
d. betaling van een aanzegvergoeding van € 5.061,67 bruto
e. vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 725,00;
f. betaling van de wettelijke rente over de subonderdelen a. tot en met d.;
g. het verstrekken van deugdelijke bruto/netto specificaties waarin alle bedragen en betalingen zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
h. tot betaling van de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Mondriaan voert verweer. Volgens haar moet alle onderdelen van het verzoek van [werknemer] worden afgewezen, met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over een en ander.
3.3.
De kantonrechter zal hierna op de stellingen van partijen ingaan, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter zal het verzoek van [werknemer] afwijzen. Hierna zal per afzonderlijk onderdeel van [werknemer] verzoek worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dat oordeel is gekomen.
onderdeel 1: de verklaring voor recht
4.2.
Uit de verzochte verklaring voor recht blijkt dat [werknemer] in de veronderstelling is dat Mondriaan de leer/arbeidsovereenkomst opgezegd heeft. Zij verzoekt immers voor recht te verklaren dat het verleende ontslag niet rechtsgeldig is. Die veronderstelling is onjuist.
4.2.1.
Mondriaan heeft immers gelijk met haar primaire verweer dat de arbeidsovereenkomst niet door opzegging is geëindigd maar doordat de ontbindende voorwaarde van art. 10 van Pro de leer/arbeidsovereenkomst is ingetreden. [werknemer] volgt namelijk niet meer de opleiding bij [opleidingsinstituut] en mag die opleiding ook niet meer volgen.
4.2.2.
Ook het subsidiaire verweer van Mondriaan dat, voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de arbeidsovereenkomst niet op grond van het intreden van de ontbindende voorwaarde is geëindigd, de arbeidsovereenkomst dan van rechtswege is geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen tijd, slaagt. Ook in dat geval is de arbeidsovereenkomst namelijk niet geëindigd door een verleend ontslag, maar doordat de overeengekomen tijd is verstreken. De arbeidsovereenkomst eindigt dan van rechtswege. Dit is zo bepaald in art. 7:667 lid 1 BW Pro.
4.2.3.
Het argument van [werknemer] dat inmiddels sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat van een einde van rechtswege door het verstrijken van de overeengekomen tijd dus geen sprake kan zijn, kan haar niet baten. Met haar stelling dat zij meer dan 36 maanden in dienst is van Mondriaan lijkt [werknemer] in dit verband een beroep te doen op art. 7:668a lid 1 BW, de zogenoemde ketenregeling. Daarin staat dat vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden elkaar hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden (inclusief die tussenpozen) hebben overschreden, met ingang van die dag de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. De kantonrechter overweegt hierover dat [werknemer] het gelijk aan haar zijde zou hebben als art. 7:668a lid 1 BW van toepassing zou zijn. Dat is echter niet het geval. Artikel 7:668a lid 9 BW biedt namelijk de mogelijkheid om lid 1 via de cao niet van toepassing te verklaren bij arbeidsovereenkomsten die uitsluitend of overwegend zijn aangegaan omwille van de educatie van de werknemer. De kantonrechter stelt vast dat van een dergelijke arbeidsovereenkomst sprake is. Verder staat ook vast dat in art. 2 lid 7 van Pro de cao is bepaald dat de werkgever op grond van deze cao mag afwijken van voornoemde wettelijke ketenregeling.
4.2.4.
Op grond van vorenstaande overwegingen is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de overeenkomst niet door een opzegging, maar door het intreden van de ontbindende voorwaarde, althans door het verstrijken van de overeengekomen tijd van rechtswege is geëindigd. Van een verleend ontslag dat (of een beëindiging die) niet rechtsgeldig of vernietigbaar is, is dus geen sprake. Hieruit volgt dat de verzochte verklaring voor recht niet toewijsbaar is.
onderdeel 2a: vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.3.
[werknemer] stelt dat Mondriaan de arbeidsovereenkomst met haar bij brief van 29 augustus 2025 onregelmatig heeft beëindigd per 1 september 2025. Volgens [werknemer] had Mondriaan zich aan de opzegtermijn van één maand moeten houden. In dat geval was de arbeidsovereenkomst geëindigd per 1 oktober 2025. Zij verzoekt daarom een vergoeding gelijk aan het loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging nog had voortgeduurd: 1 september 2025 tot 1 oktober 2025.
4.4.
Het verzoek van [werknemer] op dit onderdeel moet worden afgewezen. Mondriaan heeft de arbeidsovereenkomst niet opgezegd (zie hiervoor de overwegingen vanaf 4.2.1.) en van een onregelmatige opzegging is dus geen sprake geweest.
onderdeel 2b: transitievergoeding
4.5.
[werknemer] verzoekt Mondriaan te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding.
4.6.
Mondriaan erkent dat zij aan [werknemer] een transitievergoeding verschuldigd is. Zij wijst echter terecht op artikel 4 van Pro het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten transitievergoeding op grond waarvan zij de kosten van de opleiding mag verrekenen met de transitievergoeding. Zij heeft daarbij onbetwist gesteld dat de kosten van de opleiding van [werknemer] veel hoger zijn dan de transitievergoeding.
4.7.
In reactie op dit verweer heeft [werknemer] slechts aangevoerd dat verrekening met de opleidingskosten zeer onredelijk zou zijn. [werknemer] stelt in dat verband dat zij de opleiding door ernstig verwijtbaar handelen/nalaten van Mondriaan niet met succes heeft kunnen voltooien. Voor zover [werknemer] hiermee heeft willen betogen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Mondriaan de kosten heeft verrekend, is de kantonrechter van oordeel dat dit betoog niet slaagt omdat bepaald niet is komen vast te staan dat Mondriaan ernstig verwijtbaar gehandeld/nagelaten heeft. De kantonrechter verwijst in dit verband naar zijn overwegingen in 4.10.3 en verder omtrent [werknemer] verzoek om een billijke vergoeding waarbij zij hetzelfde argument aanvoert.
onderdeel 2c: billijke vergoeding
4.8.
[werknemer] verzoekt Mondriaan te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding. Zij baseert dat verzoek op twee wettelijke grondslagen: art 7:681 BW Pro en art. 7:673 lid 9 BW Pro.
4.9.
[werknemer] baseert dit deel van haar verzoek tevergeefs op art. 7:681 BW Pro. In dat artikel is namelijk bepaald wanneer de kantonrechter
in geval van opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. Aangezien de arbeidsovereenkomst niet door Mondriaan is opgezegd, is art. 7:681 BW Pro niet van toepassing in deze zaak.
4.10.
In art. 7:673 lid 9 BW Pro is bepaald dat de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen na een einde van rechtswege, als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dit artikel biedt wel grondslag voor het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding. De kantonrechter is echter van oordeel dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst tussen Mondriaan en [werknemer] niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Mondriaan . De kantonrechter legt dat hieronder verder uit.
4.10.1.
De leer/arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd als gevolg van het intreden van de ontbindende voorwaarde: het besluit van [opleidingsinstituut] om de opleiding van [werknemer] te beëindigen. [werknemer] betoogt dat zij door ernstig verwijtbaar handelen van Mondriaan haar opleiding niet succesvol heeft kunnen afronden en dat de arbeidsovereenkomst dus als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van Mondriaan niet is voortgezet. Dit betoog slaagt om meerdere redenen niet.
4.10.2.
Zelfs in het geval dat [werknemer] gelijk zou hebben met haar stelling dat zij door ernstig verwijtbaar handelen de opleiding bij [opleidingsinstituut] niet succesvol heeft kunnen voltooien, dan nog zou de opleiding eind augustus 2025 zijn geëindigd. Mondriaan heeft dat namelijk ter zitting betoogd en [werknemer] heeft dat niet betwist. Omdat de leer/arbeidsovereenkomst is gekoppeld aan de opleiding, zou dus ook wanneer [werknemer] haar opleiding in augustus 2025 wel met succes had afgerond, een einde zijn gekomen aan de leer/arbeidsovereenkomst als gevolg van het intreden van de ontbindende voorwaarde. In die situatie kan dus niet gezegd worden dat het daarna niet verder voortzetten van de leer/arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Mondriaan .
4.10.3.
Ten overvloede voegt de kantonrechter aan het bovenstaande toe dat [werknemer] niet heeft aangetoond dat zij door ernstig verwijtbaar handelen/nalaten van Mondriaan haar opleiding niet met succes heeft kunnen voltooien. In haar verzoekschrift heeft zij slechts zeer summier dit punt onderbouwd. Zij stelt daarin dat Mondriaan haar vanaf het begin volledig heeft ingezet als reguliere werknemer, en dat het doel van Mondriaan daarbij was
gericht op maximalisering van het “productieproces”/loonwaarde in plaats van het bieden van een zorgvuldige en adequate begeleiding, opleiding en scholing. Dit heeft bij haar geleid tot hevige spanningen, zware druk en stress. Zij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen de daaraan verbonden negatieve beoordelingen. Dat bezwaar is gegrond verklaard, maar vervolgens is daarna feitelijk niets veranderd.
4.10.4.
Tegen de stellingen van [werknemer] heeft Mondriaan zeer uitgebreid en met stukken onderbouwd gemotiveerd verweer gevoerd in het verweerschrift dat tijdig op 24 december 2025 ter griffie is ontvangen. De gemachtigde van Mondriaan heeft er (onbetwist) op gewezen dat op die dag het verweerschrift tevens aan [werknemer] gemachtigde is verzonden. In het feit dat dit vlak voor de feestdagen is gebeurd, ziet de kantonrechter geen aanleiding om het verweerschrift buiten beschouwing te laten.
4.10.5.
Uit het verweerschrift komt het beeld naar voren dat Mondriaan , anders dan door [werknemer] in haar verzoekschrift is betoogd, juist zeer veel tijd en moeite heeft gestoken in de begeleiding van [werknemer] . Kort samengevat blijkt uit dit verweer dat:
- aan [werknemer] in plaats van één reguliere begeleider, meer werkbegeleiders zijn toegewezen, - Mondriaan [werknemer] op vijf werklocaties heeft laten werken waarbij telkens zoveel mogelijk met [werknemer] wensen rekening werd gehouden,
- er diverse extra evaluatiemomenten zijn geweest bovenop de reguliere evaluaties,
- [werknemer] vier jaar de tijd heeft gekregen zich te bewijzen, terwijl die opleiding door het leeuwendeel van de opleidelingen binnen twee jaar succesvol wordt afgerond,
- van een gegrond bezwaar van [werknemer] geen sprake is geweest.
4.10.6.
[werknemer] heeft vervolgens (zie hierboven bij het procesverloop) op drie momenten nadere stukken ingediend, die wellicht (deels) zijn bedoeld als repliek op het verweer van Mondriaan . De op 6 januari en 7 januari 2026 ontvangen stukken laat de kantonrechter buiten beschouwing want die zijn op grond van het procesreglement te laat ingediend. Het op 30 december 2025 ontvangen stuk (productie 8) kan wel bij de beoordeling betrokken worden. Dit is een persoonlijk relaas van [werknemer] zelf, met een groot aantal bijlagen. Het is echter niet de taak van de kantonrechter om in die productie op zoek te gaan naar argumenten die het verweer van Mondriaan zou kunnen weerleggen. Dat is de taak van de gemachtigde van [werknemer] .
4.10.7.
[werknemer] gemachtigde heeft ter zitting betoogd dat Mondriaan [werknemer] welbewust en ondanks haar bezwaren daartegen bij [organisatie] heeft geplaatst: een werkplek waar [werknemer] eerder veel problemen met collega’s heeft gehad en waar zij haar eerste opleidingsjaar niet gehaald had. Anders dan [werknemer] gemachtigde betoogt, ziet de kantonrechter niet dat Mondriaan dit bewust gedaan heeft om van [werknemer] af te komen. De plek waar [werknemer] werd geplaatst is immers niet gekozen door Mondriaan , maar door [opleidingsinstituut] . Dat is (onbetwist) zo gesteld door Mondriaan in het verweerschrift. Het feit dat Mondriaan ook voor deze werkplek aan [werknemer] twee in plaats van één werkbegeleider heeft aangewezen en dat [werknemer] met één van deze werkbegeleiders eerder positieve ervaringen heeft gehad, duidt er niet op dat Mondriaan erop uit was de opleiding van [werknemer] te laten mislukken. Verder staat vast dat [werknemer] op een andere werkplek bij [organisatie] moest werken dan in haar eerste jaar en dat zij dus niet met dezelfde collega’s als toen hoefde samen te werken.
4.10.8.
Verder heeft [werknemer] gemachtigde ter zitting betoogd dat de cijfers van [werknemer] bij [organisatie] in een periode van vier maanden aanzienlijk zijn gezakt. Eerst scoorde zij drieën en vieren, en na vier maanden zijn de cijfers gedaald naar tweeën. [werknemer] gemachtigde wijt die daling aan het ontbreken van de juiste begeleiding en het feit dat [werknemer] bij [organisatie] was geplaatst. Dit betoog kan [werknemer] evenmin baten. Het verwijt dat [werknemer] niet bij [organisatie] geplaatst had mogen worden, is onterecht. Dat heeft de kantonrechter hiervoor al overwogen. Het enkele feit dat haar cijfers zakten, is onvoldoende om alleen op grond van dat argument tot het oordeel te komen dat Mondriaan haar geen goede begeleiding bood. Verdere argumenten voor haar stelling dat zij in die periode van vier maanden slecht begeleid werd door Mondriaan , heeft zij niet gegeven. Daarnaast heeft Mondriaan (onbetwist) aangevoerd dat wanneer bij een beoordeling een drie wordt gescoord, ook die score als onvoldoende moet worden aangemerkt. Verder moet het ervoor gehouden worden dat [werknemer] aanvankelijk door de nieuwe begeleider het voordeel van de twijfel werd gegeven, hetgeen zich heeft geuit in de wat positievere score. Toen deze begeleider meer zicht op haar functioneren kreeg, heeft de begeleider de score omlaag bijgesteld. Mondriaan heeft dit namelijk zo gesteld en [werknemer] heeft tegen dit betoog niets ingebracht, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan.
4.11.
Op grond van bovenstaande overwegingen is de kantonrechter dus van oordeel dat het niet voortzetten van de leer/arbeidsovereenkomst geen verband kan houden met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Mondriaan en dat het feit dat [werknemer] haar opleiding niet heeft gehaald niet is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Mondriaan . De verzochte billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.
onderdeel 2d: aanzegvergoeding
4.12.
[werknemer] vindt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat zij op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst is geweest, verzoekt zij om Mondriaan te veroordelen tot betaling van een aanzegvergoeding. Zij voert daartoe aan dat Mondriaan dan namelijk niet voldaan heeft aan de verplichting om [werknemer] tijdig (uiterlijk één maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst) te informeren over dat einde. Mondriaan heeft het einde van de arbeidsovereenkomst eerst aangezegd bij brief van 29 augustus 2025 en is daarom volgens [werknemer] een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de periode dat Mondriaan te laat was met de aanzegging [1] . zie art. 7:668 lid 3 BW Pro
4.13.
De kantonrechter heeft reeds hiervoor in zijn overwegingen omtrent de verklaring voor recht geoordeeld dat tussen partijen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [werknemer] heeft gelijk met haar stelling dat Mondriaan het einde van de arbeidsovereenkomst voor het eerst heeft aangezegd bij brief van 29 augustus 2025. Anders dan [werknemer] veronderstelt, rustte er echter op Mondriaan geen aanzegverplichting. De arbeidsovereenkomst is namelijk niet geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen duur, maar door het intreden van de ontbindende voorwaarde: de beëindiging van de opleiding bij [opleidingsinstituut] . Omdat er geen sprake is geweest van een aanzegverplichting, is Mondriaan geen vergoeding aan [werknemer] verschuldigd voor het niet tijdig aanzeggen van het einde van de arbeidsovereenkomst.
Onderdelen 2e en 2f: buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente
4.14.
[werknemer] verzoekt Mondriaan te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 725,00. Zij voert daartoe aan dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten om Mondriaan tot betaling van een vergoeding aan haar te bewegen.
4.15.
Dit onderdeel van het verzoek van [werknemer] wordt afgewezen. Mondriaan is aan haar geen vergoeding verschuldigd, zodat er geen grond is om Mondriaan te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten. Om dezelfde reden is er ook geen grond voor toewijzing van [werknemer] verzoek om Mondriaan te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente.
de proceskosten en de nakosten
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Mondriaan worden begroot op € 814,00 aan salaris gemachtigde.
4.17.
In deze beschikking wordt geen afzonderlijke beslissing genomen over de door Mondriaan verzochte nakosten. Een kostenveroordeling levert immers ook een executoriale titel op voor de nakosten. De kantonrechter verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853).
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, tot op heden begroot op € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de onderdelen 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad [2] .
Deze beschikking is gegeven door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie art. 7:668 lid 3 BW Pro
2.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd kunnen worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.