ECLI:NL:RBLIM:2026:6845

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
C/03/340713 / FA RK 25-773
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Geerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 1:247 BWArt. 1:251a BWArt. 1:93 BWArt. 1:99 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, verdeling huwelijksgoederengemeenschap en gebruiksvergoeding woning

De rechtbank Limburg heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, gehuwd sinds 2015, met twee minderjarige kinderen. De man verzocht de echtscheiding uit te spreken wegens duurzame ontwrichting, hetgeen niet werd betwist door de vrouw. Vanwege grote onenigheid kon geen ouderschapsplan worden overgelegd, maar de rechtbank verklaarde het verzoek ontvankelijk.

De vrouw verzocht eenhoofdig gezag, stellende dat de man tekortschiet in zijn ouderlijke verantwoordelijkheid, maar dit verzoek werd afgewezen omdat gezamenlijke gezagsuitoefening het uitgangspunt is en onvoldoende onderbouwing was geleverd. De zorgregeling werd deels toegewezen: de kinderen verblijven om het weekend en de helft van de vakanties bij de man, waarbij de vrouw een 50/50 verdeling van vakanties wenst.

De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op €250 per kind per maand vanaf 1 november 2025, met indexering en aanpassing na verkoop van de woning. De vrouw verzocht partneralimentatie, maar dit werd afgewezen wegens gebrek aan draagkracht van de man. De echtelijke woning moet worden verkocht, waarbij de verkoopopbrengst na aflossing van de hypotheek en kosten wordt verdeeld. De vrouw is veroordeeld tot volledige medewerking aan de verkoop. Tevens is een gebruiksvergoeding van €229 per maand aan de man toegekend vanaf 8 april 2025 tot de verdeling van de woning. De rechtbank bepaalde dat de vrouw de helft van de door de man betaalde woonlasten moet vergoeden. De schulden aan de vader van de man en de Belastingdienst worden gelijkelijk verdeeld. De kosten van de procedure worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met gezamenlijke gezagsuitoefening, zorgregeling deels toegewezen, kinderalimentatie vastgesteld, woning verkoop geregeld met gebruiksvergoeding en schulden gelijk verdeeld.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummers: C/03/340713 FA RK 25-773 en C/03/344559 / FA RK 25-1752
Beschikking van 3 juli 2026 betreffende de echtscheiding en nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de man] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R.P.H.W. Haas, kantoorhoudend in Heerlen ,
tegen
[de vrouw] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F.E.H.M. van Aken, kantoorhoudend in Sittard.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van de man, binnengekomen bij de griffie op 8 april 2025;
  • het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw, binnengekomen bij de griffie op 24 juni 2025;
  • het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, binnengekomen bij de griffie op 4 augustus 2025;
  • een bericht van de zijde van de man, binnengekomen bij de griffie op 12 augustus 2025;
  • het aanvullend en gewijzigd verzoek van de zijde van de man, binnengekomen bij de griffie op 20 januari 2026.
Na de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ingediend:
  • het F9-formulier met aanvullende stukken van de zijde van de vrouw, binnengekomen bij de griffie op 10 februari 2025;
  • het F9-formulier met aanvullende stukken van de zijde van de man, binnengekomen bij de griffie op 18 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026.
Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
1.3.
De rechtbank heeft de [minderjarige 1] , gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar over – kort gezegd – het gezag en de zorgregeling. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2015 in [plaats] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Binnen het huwelijk zijn geboren de nog minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats 1] (hierna: [minderjarige 1] ) en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
2.3.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen verblijven bij de vrouw.

3.De beoordeling

De echtscheiding
3.1.
De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man.
Het ouderschapsplan
3.2.
Op grond van artikel 815 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), voor zover hier van belang, dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een partij in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
3.3.
Door de man is geen ouderschapsplan overgelegd. Hij heeft gesteld dat het niet mogelijk is om een ouderschapsplan op te stellen omdat partijen niet tot overeenstemming kunnen komen: er is sprake van veel onenigheid en hun standpunten staan haaks op elkaar. Gelet op het voorgaande – die grote onenigheid is de rechtbank tijdens de mondelinge duidelijk geworden – acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat het voor de man redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal de man daarom ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.
3.4.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
Het gezag
3.5.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het gezag over de minderjarigen na echtscheiding alleen aan haar toekomt. Ter onderbouwing stelt de vrouw dat de man structureel tekortschiet in zijn verantwoordelijkheid als ouder. Hij handelt roekeloos en hij heeft weinig tijd voor de kinderen. De man verspreidt foto’s van de kinderen op datingsites, zonder toestemming. Dit is in strijd met hun privacy en welzijn. Het is in het belang van de kinderen dat de moeder alleen het gezag over de kinderen uitoefent.
3.6.
De man stelt dat er geen juridische basis is om het gezag van de man te beëindigen en dat de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd.
3.7.
Het verzoek van de vrouw is gebaseerd op artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van dit artikel kan de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.8.
De rechtbank dient te beoordelen of er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders bij het gezamenlijk gezag en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag over de kinderen anderszins in hun belang noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijke gezagsuitoefening het uitgangspunt is van de wetgever. Hiervan kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken.
De kern van het gezamenlijk gezag staat in artikel 1:247 BW Pro. Uit het bepaalde in dit artikel volgt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht omvat van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van hun kind het ouderlijk gezag slechts aan één van hen moet toekomen. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het niet klem of verloren raakt tussen hen.
3.9.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen en overweegt daartoe het volgende. Niet is gebleken dat de man niet in staat zou zijn om beslissingen te nemen met betrekking tot de kinderen of dat de man bij het nemen van belangrijke beslissingen of het regelen van dringende zaken met betrekking tot de kinderen zou dwarsliggen of toestemming weigert. Daarnaast staat het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag haaks op het standpunt van de vrouw dat de man een groter aandeel van de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zich zou moeten nemen, omdat het ook zijn kinderen zijn. Overige stellingen die door de vrouw zijn ingenomen zien op financiële factoren en op ex-partnerproblematiek, hetgeen geen basis kan zijn om alleen aan de vrouw het gezag toe te kennen. Ook de vrouw heeft een aandeel in de onrust en onenigheid tussen partijen. Gelet op de summiere onderbouwing van het verzoek door de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat er is voldaan aan de maatstaven van artikel 1:251a BW.
De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
3.10.
Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.
3.11.
De man heeft, na wijziging en aanvulling van zijn oorspronkelijke verzoek, de volgende zorgregeling verzocht waarbij de kinderen als volgt bij hem verblijven:
  • een weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
  • tijdens de zomervakantie gedurende 3 weken aaneengesloten;
  • de gehele tweewekelijkse meivakantie, gelet op zijn beperkte vakantiedagen;
  • de overige vakanties zullen de kinderen bij de vrouw verblijven.
3.12.
De vrouw heeft verzocht de volgende zorgregeling vast te stellen:
  • de kinderen gaan wekelijks op zaterdag om 12.00 uur naar de man en worden op dinsdag door de man op school afgezet.
  • op dinsdag haalt de vrouw de kinderen weer van school.
  • op maandag zal de vrouw de kinderen om 14.45 uur van school halen, hen verzorgen en begeleiden naar sportactiviteiten, zoals ook op donderdag het geval is;
  • maandag wordt als extra zorgdag aan de man toegekend;
Indien de man op deze dagen moet werken, dient hij passende opvang te regelen (de vrouw werkt zelf ook en regelt opvang voor 3 dagen);
  • de zorg tijdens schoolvakanties wordt voor het hele jaar vooraf vastgelegd, hierop stemmen de ouders hun vakantieplanning af;
  • de vrouw wenst 50/50 verdeling van de zorgvakanties;
  • de vrouw kan in de zomervakantie maximaal 3 weken vakantie opnemen.
3.13.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken is gebleken dat de onderlinge communicatie en verstandhouding tussen partijen is verstoord. Kleine meningsverschillen monden uit in grote discussies. De vrouw heeft verklaard dat zij de omgang tussen de man en de kinderen in oktober 2025 eenzijdig heeft beëindigd en er sindsdien geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Gebleken is dat de vrouw zegt zich niet te verzetten tegen omgang tussen de man en de kinderen, maar dat er sprake is van veel onrust in de situatie en verstandhouding tussen de ouders, waar de kinderen last van hebben. De vrouw stelt zich verder op het standpunt dat de man juist een groter aandeel in de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zich zou moeten nemen. De man heeft verklaard dat hij graag een uitbreiding van de omgang met de kinderen wenst, maar dat dit op dit moment, gelet op zijn woonsituatie, nog niet mogelijk is. De man verblijft op dit moment bij zijn nieuwe partner, waardoor er niet altijd een (slaap)plek is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw heeft aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft wanneer de man, op de momenten dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem verblijven, opvang regelt voor de kinderen bij een voor de kinderen vertrouwd persoon, bijvoorbeeld bij de grootouders vaderszijde.
3.14.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding het verzoek van de man deels toe te wijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich tegen het verzoek verzet. De zorgregeling zoals door de vrouw verzocht, bevat veel wisselmomenten en vergt de nodige communicatie tussen partijen. Om zo veel mogelijk een eind te maken aan de onrust en om de kinderen te ontzien, acht de rechtbank de door de vrouw verzochte zorgregeling (nu) niet in het belang van de kinderen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de door de vrouw verzochte verdeling van de vakanties, namelijk bij helfte, toe te wijzen. Dat de man alleen de zomervakantie bij helfte en de gehele meivakantie voor zijn rekening wil nemen, maakt dat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte meer dan de man wordt belast met de zorg voor de kinderen. Het is de verantwoordelijkheid van de man om, bij gebrek aan voldoende vakantiedagen, invulling te geven aan de vakanties dan wel opvang te regelen voor de kinderen.
De rechtbank overweegt daarbij – voor zover dat niet al is gebeurd gelet op hetgeen tijdens de zitting is besproken – dat het contact tussen de kinderen en de vader zo snel mogelijk moet worden hervat.
De kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen
3.15.
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 400,- per maand per kind. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd voor wat betreft zijn draagkracht.
De ingangsdatum
3.16.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient wel behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht vast te stellen dan wel te wijzigen. Een wijziging met terugwerkende kracht kan immers tot gevolg hebben dat één van partijen zich ineens geconfronteerd ziet met een achterstand in de betaling, dan wel een verplichting tot terugbetaling.
3.17.
Geen van partijen hebben zich uitgelaten over een ingangsdatum. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man nog wel de hypothecaire lasten en de gemeentelijke belastingen behorende bij de echtelijke woning voldoet. Eerder is gebleken dat de man de overige gebruikerslasten niet meer voldoet sinds november 2025. Gelet hierop, zal de rechtbank de ingangsdatum voor de kinderbijdrage bepalen op 1 november 2025, waarbij de rechtbank rekening zal houden met de door de man betaalde lasten.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
3.18.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.135,- per maand voor beide kinderen in 2024, zoals berekend door de man en niet weersproken door de vrouw, is tussen partijen niet in geschil. De behoefte bedraagt voor beide kinderen geïndexeerd dan € 1.208,- per maand in 2025 en € 1.264,- per maand in 2026.
De draagkracht
3.19.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens artikel 1:397 lid 2 BW Pro moeten de ouders namelijk naar rato van ieders draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
3.20.
Voor de berekening van de draagkracht van de ouders maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak (hierna: het Rapport) heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man en de vrouw is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij in beginsel met een budget voor wonen van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie.
Draagkracht man
3.21.
De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn loon volgens de loonstroken september tot en met december 2025 en als niet betwist de winst uit onderneming van € 12.163,-. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de man, rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting vervolgens op € 3.331,- per maand.
3.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man vanaf november 2025 de hypothecaire lasten en de gemeentelijke belastingen volledig betaalt. De man heeft verder onweersproken gesteld dat zijn huidige woonlasten € 540,- bedragen, zijnde de helft van de huur en servicekosten van de woning die hij met zijn nieuwe partner huurt. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het draagkrachtloos inkomen van de man daarop aan te passen. De rechtbank zal daarom het woonbudget verlagen maar extra lasten (de helft van de hypotheek echtelijke woning en gemeentelijke belastingen) opnemen. De rechtbank rekent met de helft van die lasten, omdat de kinderen er belang bij hebben nu een grotere bijdrage te ontvangen terwijl de man (bij de notariële afrekening) de betaling van de volledige hypotheeklasten op een andere manier met de vrouw kan afrekenen. Het draagkrachtloos inkomen van de man bedraagt dan € 2.450,-. Van het NBI van de man blijft dan een bedrag van € 881,- aan draagkrachtruimte over. Daarvan is volgens de aanbevelingen in het Rapport 70% beschikbaar voor een kinderbijdrage, dus € 617,-.
Draagkracht vrouw
3.23.
Hoewel de vrouw ondanks opdracht daartoe van de rechtbank geen stukken heeft ingediend over haar re-integratieverplichtingen, ziet de rechtbank geen aanleiding om daaraan consequenties ter verbinden. Wel zal de rechtbank uitgaan van de stelling van de man, dat de vrouw nog € 200,- per maand ontvangt als invaliditeitspensioen. Daarover heeft de vrouw ook geen stukken ingediend, terwijl zij de stelling van de man niet heeft betwist. Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van het door haar overgelegde WIA-jaaropgave van 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop bedraagt het NBI van de vrouw € 2.323,- per maand. Het draagkrachtloos inkomen van de vrouw bedraagt dan € 2.007,-. Van het NBI van de vrouw blijft dan een bedrag van € 316,- aan draagkrachtruimte over. Daarvan is volgens de aanbevelingen in het Rapport 70% beschikbaar voor een kinderbijdrage, dus € 221,-.
Draagkrachtvergelijking
3.24.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben om alle kosten van de kinderen te betalen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.25.
Zo’n vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 838,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.208,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 370,- per maand tekort. Zij zullen daarom ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken. Dat betekent dat de man met € 617,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
Zorgkorting
3.26.
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd. In dit geval zou, gelet op de vast te stellen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het zorgkortingspercentage 25% zijn en zou de zorgkorting voor beide kinderen € 302,- bedragen.
3.27.
Omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zou het niet redelijk zijn als de man deze korting volledig mag toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor de kinderen maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. De rechtbank acht het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van € 185,- per maand. Dit betekent dat de man van de zorgkorting maar een bedrag van (302 -/- 185 =) € 117,- per maand in mindering mag brengen op zijn draagkracht. Er blijft dan een bedrag van (617 -/- 117 =) € 500,- per maand over dat de man aan kinderalimentatie moet betalen.
Indexering
3.28.
Met inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. in HR 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat de door de man verschuldigde kinderbijdrage te verhogen per 1 januari 2026 gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering, als bedoeld in art 1:402a BW, zou hebben gehad voor de hoogte van de kinderalimentatie als de datum van deze beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum (1 november 2025).
Evident is dat de vrouw en de kinderen belang hebben bij toepassing van een indexering, gelijk aan de wettelijke indexering. Met toepassing daarvan zou het door de man verschuldigde bedrag immers per 1 januari 2026 zijn verhoogd met 4,6 % per 1 januari 2026. Daartegenover staat dat op basis van de inkomensgegevens van de man waarvan in het voorgaande is uitgegaan, niet gebleken is dat zijn inkomen per 1 januari 2026 is of zal zijn meegestegen met wettelijke indexeringspercentages. De rechtbank acht het toch redelijk om het vastgestelde bedrag van € 500,- per maand per 1 januari 2026 te verhogen met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering (4,6 %). De man hoeft op grond van het in 3.27 becijferde immers niet zijn gehele draagkracht aan te wenden, ondanks het grote tekort in draagkracht van partijen. Er bestaat bij hem dus ruimte om deze indexering per 1 januari 2026 te dragen. De door hem verschuldigde kinderalimentatie bedraagt dan per 1 januari 2026 € 523,- per maand.
De kinderbijdrage na verkoop van de woning
3.29.
Wanneer de echtelijke woning is verkocht, dient het draagkrachtloos inkomen van de man te worden aangepast. Het draagkrachtloos inkomen van de man bedraagt dan € 2.362,- per maand. Van het NBI van de man blijft dan een bedrag van € 960,- aan draagkrachtruimte over. Daarvan is volgens de aanbevelingen in het Rapport 70% beschikbaar voor een kinderbijdrage, dus € 672,-.
3.30.
Het draagkrachtloos inkomen van de vrouw bedraagt dan € 2.068,- per maand. Van het NBI van de vrouw blijft dan een bedrag van € 275,- aan draagkrachtruimte over. Daarvan is volgens de aanbevelingen in het Rapport 70% beschikbaar voor een kinderbijdrage, dus
€ 192,-.
3.31.
De draagkracht van partijen samen is dan nog altijd minder dan de kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 864,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.264,- per maand (in 2026) zijn. Partijen komen dus samen een bedrag van
€ 400,- per maand tekort. Zij zullen daarom ook dan ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken. Dat betekent dat de man met € 672,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
3.32.
Omdat er dan ook een tekort aan draagkracht is, zou het niet redelijk zijn als de man de zorgkorting (in 2026 € 316,-) volledig mag toepassen. De rechtbank acht het hier ook redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van € 200,- per maand. Dit betekent dat de man van de zorgkorting maar een bedrag van (316 -/- 200 =) € 116,- per maand in mindering mag brengen op zijn draagkracht. Er blijft dan een bedrag van (672 -/- 116 =) € 556,- per maand over dat de man aan kinderalimentatie moet betalen.
3.33.
De berekeningen van de rechtbank worden als bijlagen (6) opgenomen in deze beschikking.
De partnerbijdrage
3.34.
De vrouw verzoekt om te bepalen dat de man € 2.400,00 bruto per maand zal dienen bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
3.35.
De discussie tussen partijen heeft zich vooral geconcentreerd op de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw, die voor de rechtbank evenmin duidelijk is geworden aangezien de vrouw zich heeft beroepen op een onduidelijke behoeftelijst die zij ondanks aankondiging niet heeft aangevuld/verduidelijkt.
3.36.
Wat daar ook van zij, uit de berekeningen van de rechtbank blijkt dat de man na betaling van de kinderbijdrage geen draagkracht (of een hele minimale draagkracht) heeft om – voor zover de vrouw behoefte zou hebben aan een bijdrage – een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Het verzoek van de vrouw zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Voortgezet gebruik van de echtelijke woning
3.37.
De vrouw is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om na de mondelinge behandeling schriftelijk te reageren op het aanvullend en gewijzigd verzoek van de man van 20 januari 2026. Uit deze reactie, ontvangen op 2 februari 2026, blijkt dat de vrouw een nieuwe nevenvoorziening verzoekt over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.38.
De rechtbank oordeelt dat het nieuwe verzoek van de vrouw in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Gedurende de procedure heeft de vrouw de gelegenheid gehad om dit verzoek te doen, bij uitstek in haar verweerschrift op het echtscheidingsverzoek waarin zij om andere nevenvoorzieningen heeft verzocht. De rechtbank heeft de vrouw geen toestemming gegeven om nieuwe verzoeken in te dienen, maar enkel op grond van artikel 282 Rv Pro een verweerschrift in te dienen tegen het aanvullend en gewijzigd verzoek van de man. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw dan ook buiten beschouwing laten.
De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
3.39.
De man heeft aanvankelijk verzocht partijen te bevelen over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris en/of een onzijdig persoon als volgens de wet.
3.40.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen overgaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en dat de man in het kader van de verdeling aan de vrouw een bedrag van € 30.000,- dient te vergoeden ter zake van betaalde advocaatkosten. Ook heeft de vrouw benoemd dat er aan haar zijde nog een tweetal schulden zijn van € 8.000,- en € 5.000,-.
3.41.
De man verzoekt vervolgens bij aanvullend en gewijzigd verzoek, ontvangen op 20 januari 2026, de verdeling van de echtelijke woning als volgt vast te stellen:
  • te bepalen dat de gezamenlijke woning van partijen te [woonplaats] aan [adres] dient te worden verkocht aan een derde en dat de verkoopopbrengst na aftrek van de kosten verbonden aan de verkoop en na verrekening van de hypothecaire geldlening, tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld en dat de vrouw wordt veroordeeld om volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, waarbij die medewerking zal bestaan uit:
  • de verkoopmakelaar [makelaar] te [geboorteplaats 1] en diens medewerkers en ingezette derden toegang te verlenen tot de woning ter voorbereiding van de verkoopwerkzaamheden waaronder maar niet beperkt tot het maken van foto’s in en om de woning;
  • de woning ten behoeve van een dergelijke fotosessie in ordentelijke staat te brengen;
  • de sleutels van de woning af te geven aan de makelaar ten behoeve van bezichtigingen;
  • de woning in ordelijke staat te brengen;
  • de verplichting om op verzoek van de makelaar de woning te verlaten en daarin niet terug te keren gedurende bezichtigingen ten behoeve van de verkoop;
  • het ondertekenen van het (voorlopig) koopcontract en de akte van levering/overdracht bij de notaris;
zulks op straffe van een dwangsom van ad € 500,- per dag of dagdeel dat de vrouw daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-.
  • de man vervangende toestemming te verlenen c.q. deze beschikking in de plaats te laten komen van de instemmende wilsverklaring van de vrouw, voor hetgeen waartoe de vrouw hiervoor wordt veroordeeld, indien de vrouw niet op het eerste verzoek van de man medewerking verleent en te bepalen dat deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW Pro mede in de plaats zal treden van de door de makelaar op te stellen overeenkomst van (verkoop)opdracht en de koopovereenkomst alsmede door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot voornoemde woning, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van de man tot die verkoop en notariële levering;
  • althans een zodanige verdeling van de woning vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.42.
Daarnaast verzoekt de man:
  • de vrouw te veroordelen om een gebruiksvergoeding aan de man te voldoen met ingang van 17 april 2025 van € 250,- totdat de woning zal zijn geleverd aan een derde, althans een zodanige gebruiksvergoeding vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
  • te bepalen dat de schuld van partijen aan de vader van de man van € 20.000,- en de beide schulden aan de Belastingdienst van in totaal € 4.533,- gezamenlijke schulden van partijen betreffen en de vrouw in de interne verhouding met de man is gehouden om de helft van deze schulden te voldoen en te bepalen dat de man een vordering op de vrouw heeft zodra hij meer dan de helft van deze schuld heeft voldaan ter hoogte van dat meerdere;
  • te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 6.765,13 terzake door de man ten behoeve van de vrouw betaalde gebruikerslasten.
3.43.
De vrouw is in de gelegenheid gesteld om na de mondelinge behandeling nog schriftelijk te reageren op dit gewijzigd verzoek van de man. Dat heeft zij bij schrijven van 10 februari 2026 gedaan.
3.44.
Nu is gesteld noch gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in artikel 1:93 BW Pro worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat (hierna: huwelijksgemeenschap).
3.45.
De rechtbank constateert dat beide partijen beogen dat de rechtbank op de voet van artikel 3:185 BW Pro de (wijze van) verdeling van de inmiddels ontbonden huwelijksgemeenschap vaststelt. In dit verband merkt de rechtbank op dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechter die de verdeling vaststelt, enige mate van vrijheid geniet, niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht en niet expliciet behoeft in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
Peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap
3.46.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:99 lid 1 sub b BW Pro (oud) wordt de huwelijksgemeenschap van rechtswege ontbonden op het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding. In deze zaak is het verzoekschrift ingediend op 8 april 2025. Om die reden geldt die datum als peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap.
Peildatum voor de waardering van de vermogensbestanddelen van de huwelijksgemeenschap
3.47.
Bij de bepaling van de waarde van de goederen geldt in beginsel als peildatum het tijdstip van de verdeling, maar uit hetgeen partijen zijn overeengekomen en uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan dient te worden afgeweken.
Omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap
3.48.
Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgemeenschap bestaat uit de volgende vermogensbestanddelen:
Goederen:
- de echtelijke woning;
- de inboedel.
Schulden:
- de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening bij BLG.
3.49.
Partijen verschillen van mening over:
- de schuld aan de vader van de man van € 20.000,-;
- de schuld aan de Belastingdienst van € 3.361,-;
- de schuld aan de Belastingdienst van € 1.172,-;
- de schuld aan de nicht van de vrouw van € 8.000,-;
- de schuld aan de moeder van de vrouw van € 5.000,-.
De echtelijke woning en de hypothecaire geldlening
3.50.
Tussen partijen is niet in geschil dat de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats] tot de huwelijksgemeenschap behoort alsook de daaraan verbonden geldlening bij BLG. Informatie en stukken over de soort geldlening, leningsnummer en hoogte van de lening hebben partijen niet ingediend. Volgens de stelling van de man bedraagt de geldlening € 175.000,-.
3.51.
Tussen partijen staat vast dat de woning aan een derde dient te worden verkocht, hoewel de vrouw stelt dat deze pas na afloop van zes maanden – naar de rechtbank begrijpt zes maanden na inschrijving van de echtscheiding – kan plaatsvinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verkoop van de woning uit te stellen.
3.52.
Gelet op de duur van de echtscheidingsprocedure, de standpunten van de vrouw waarbij zij geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank de verzoeken van de man ten aanzien van de verkoop van de woning grotendeels toewijzen. Dit geldt niet voor zijn verzoek op grond van artikel 3:300 lid 2 BW Pro voor wat betreft de door de notaris op te stellen akte van levering en de notariële levering. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw op dat punt haar medewerking zal verlenen.
3.53.
Hoewel dit volgt uit het verzoek van de man waarop de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen en ter voorkoming van misverstanden en onduidelijkheden met betrekking tot de notariskosten, makelaarskosten en de overige kosten die voortvloeien uit de verkoop van de woning, overweegt de rechtbank uitdrukkelijk dat die kosten door ieder van partijen bij helfte dienen te worden gedragen. Deze kosten vloeien voort uit handelingen die zijn of moeten worden verricht ter effectuering van de (wijze van) verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen. Deze aan de verkoop van de woning verbonden kosten dienen zoveel mogelijk uit de verkoopopbrengst te worden voldaan.
3.54.
In het geval na de verkoop van de woning sprake zou zijn van een eventuele ‘overwaarde’ dan wel ‘onderwaarde’ – zijnde de verkoopprijs minus de hiervoor vermelde hypothecaire geldlening bij BLG en minus de verkoopkosten – dient deze tussen partijen bij helfte te worden gedeeld respectievelijk bij helfte te worden gedragen.
3.55.
Omdat de rechtbank artikel 3:300 BW Pro zal toepassen, zal de rechtbank de door de man verzochte dwangsommen afwijzen.
De inboedel
3.56.
Partijen hebben niets gesteld over de inboedel, zodat het niet duidelijk is of de inboedel tussen partijen reeds is verdeeld. Evenmin hebben partijen een inboedellijst overgelegd, zodat de rechtbank geen verdeling kan vaststellen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen en bepalen dat de inboedel tussen partijen in onderling overleg bij helfte zal worden verdeeld.
De schulden
3.57.
Op grond van de overgelegde stukken en de stellingen van partijen is de rechtbank gebleken dat tot de gemeenschap behoort:
- een schuld aan de vader van de man (zoals blijkt uit bijlage 1 bij het aanvullend en gewijzigd verzoek van de man, ontvangen op 20 januari 2026 en bijlage 1 bij de brief van de man 18 februari 2026);
- een schuld aan de Belastingdienst (zoals blijkt uit bijlage 2 bij het aanvullend en gewijzigd verzoek van de man, ontvangen op 20 januari 2026);
- een schuld aan de Belastingdienst (zoals blijkt uit bijlage 3 bij het aanvullend en gewijzigd verzoek van de man, ontvangen op 20 januari 2026).
3.58.
Voor wat betreft de schuld aan de vader van de man, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw deze schuld onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gelet op de stellingen en stukken van de man.
3.59.
Ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst geldt ook dat de vrouw deze onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat hiervan alleen nog een bedrag van € 2.000,- openstaat, heeft de vrouw enkel gesteld en niet onderbouwd. De rechtbank oordeelt daarom dat deze schulden tot de huwelijksgemeenschap behoren en dat partijen in hun interne verhouding, ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden. Als onvoldoende weersproken staat vast dat de schuld aan de vader van de man € 20.000,- bedraagt en de schulden aan de Belastingdienst in totaal € 4.533,- bedragen.
3.60.
Voor wat betreft de schulden aan de nicht en de moeder van de vrouw – voor zover de vrouw heeft bedoeld dat deze in de verdeling betrokken moeten worden – is de rechtbank van oordeel dat de vrouw slechts heeft gesteld dat die schulden bestaan, waartegen de man bij verweerschrift van 31 juli 2025 gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Nu de vrouw daarna niets meer heeft gesteld hierover en niets meer in het geding heeft gebracht, zal de rechtbank geen rekening houden met deze door de vrouw opgevoerde schulden.
Gebruiksvergoeding
3.61.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding in de zin van 2% van de overwaarde van de echtelijke woning per maand dient te betalen, ingaande per datum indiening van het verzoekschrift, althans een zodanig gebruiksvergoeding als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. Daarbij stelt de man dat hij de echtelijke woning in juni 2023 verlaten, dat de vrouw sindsdien het gebruik en genot van de echtelijke woning heeft die mede aan de man toebehoort en dat de man dat gebruik moet missen en het rendement misloopt. De man heeft tot november 2025 alle eigenaars- en gebruikslasten van de echtelijke woning gedragen.
3.62.
De vrouw betwist dat zij een gebruiksvergoeding aan de man verschuldigd is. Daartoe stelt zij dat de man gedurende het huwelijk verplicht is aan de vrouw het nodige te verschaffen, waaronder ook het gebruik van de echtelijke woning. Tijdens het huwelijk is het daarom niet redelijk om aan de man een gebruiksvergoeding toe te kennen.
3.63.
Artikel 1:99 sub b BW Pro brengt mee dat de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend. Dat is in dit geval
8 april 2025. Vanaf dat moment kan op de voet van artikel 3:169 BW Pro om vaststelling van een gebruiksvergoeding worden verzocht. Uit artikel 3:189 BW Pro volgt immers dat titel 7 van boek 3, waarvan artikel 3:169 BW Pro deel uitmaakt, van toepassing is vanaf het moment dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Het feit dat de echtgenoten op grond van artikel 1:81 BW Pro verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen, maakt dit niet anders. De wetgever heeft namelijk niet ervoor gekozen de toepasselijkheid van artikel 3:169 BW Pro uit te sluiten zo lang het huwelijk nog niet is ontbonden. De rechtbank beoordeelt het verzoek van de man met inachtneming van dit uitgangspunt.
De rechtbank neemt verder bij haar beoordeling tot uitgangspunt dat artikel 3:169 BW Pro meebrengt dat het gebruik en genot van een woning toekomt aan de mede-eigenaren tezamen. Onder omstandigheden kan het zo zijn dat de deelgenoot die in een bepaalde periode verstoken is van het gebruik en genot van de gemeenschappelijke woning, de man in dit geval, schadeloos moet worden gesteld, bijvoorbeeld door toekenning van een gebruiksvergoeding. Hierbij dienen de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten in een gemeenschap op grond van artikel 3:166 lid 3 BW Pro beheerst, tot maatstaf.
3.64.
De rechtbank passeert het verweer van de vrouw. Hetgeen zij heeft gesteld, zo al juist, brengen op zichzelf niet mee dat de man, die verstoken is van het gebruik en genot van de gemeenschappelijke woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen aanspraak heeft op schadeloosstelling in de vorm van een gebruiksvergoeding. Ook het verweer dat een gebruiksvergoeding niet eerder kan worden toegekend tijdens het huwelijk (lees: niet eerder kan ingaan dan zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de burgerlijke stand) slaagt niet. Uit het voorgaande blijkt immers dat die aanspraak in beginsel al eerder kan ontstaan. Gelet hierop en op het feit dat de vrouw voor het overige geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen op basis waarvan zou kunnen of moeten worden geconcludeerd dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid hoe dan ook geen aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding, zal de rechtbank hierna beoordelen of die aanspraak vanaf 8 april 2025 bestaat.
3.65.
Als niet weersproken staat vast dat de man de woning in juni 2023 heeft verlaten en dat hij sindsdien dus niet meer het gebruik en genot van de woning geniet, terwijl de vrouw na de feitelijke scheiding van partijen in juni 2023 in de woning is blijven wonen. Eveneens staat als onweersproken vast dat de man alle gemeenschappelijke lasten van de woning is blijven betalen tot november 2025. Bovendien, de grondslag voor die schadeloosstelling kan ook zijn gelegen in het gemiste rendement doordat de mede-eigenaar verstoken blijft van zijn aandeel in de waarde van de woning (gemist rendement). De gebruiksvergoeding loopt slechts door tot de datum van verdeling van het gemeenschappelijk goed (HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176). Tot die datum zal het verzoek van de man worden toegewezen. Als niet weersproken en bovendien als redelijk door de rechtbank geacht, zal de rechtbank het rendementspercentage bepalen op 2%. De rechtbank zal daarbij wel bepalen dat de helft hiervan als gebruiksvergoeding te gelden heeft. Omdat tussen partijen de waarde van de woning in geschil is, zal de rechtbank – gelet op de stellingen van partijen – deze in goede justitie bepalen op € 450.000,-. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen over de periode vanaf 8 april 2025 tot de datum van de verdeling van de woning, ten bedrage van (450.000 – 175.000 = (275.000 / 2) x 2% / 12 =) € 229,- per maand.
De door de man betaalde woonlasten
3.66.
De man stelt dat hij in ieder geval vanaf de peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap tot november 2025 alle aan de echtelijke woning verbonden lasten – dus ook het aandeel van de vrouw in de eigenaarslasten en gebruikerslasten – is blijven voldoen. Hij verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw hem de helft daarvan dient te vergoeden.
3.67.
De vrouw stelt dat de man nimmer een bijdrage heeft geleverd in de kosten van de kinderen en de kosten van levensonderhoud voor de vrouw. De door de man betaalde lasten dienen daarom als kinder- en partneralimentatie te worden gezien, waardoor het bedrag waar de man aanspraak op maakt, dient te worden verrekend met de kinder- en partnerbijdrage.
3.68.
De rechtbank passeert het verweer van de vrouw, omdat de man op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresvordering heeft op de vrouw. Dit staat los van de onderhoudsbijdragen, waarbij de vrouw niet eerder een bijdrage heeft verzocht, ook niet in voorlopige voorzieningen. Bovendien staat als onweersproken vast dat de man daarbovenop nog gelden heeft overgemaakt aan de vrouw voor kosten van de kinderen/het huishouden. Gelet op de periode dat de man de lasten heeft voldaan, hetgeen de vrouw ook niet heeft weersproken, acht de rechtbank het verzoek van de man redelijk. Omdat de vrouw het door de man verzochte bedrag onweersproken heeft gelaten, zal de rechtbank het verzoek zoals geformuleerd door de man, toewijzen.
Tijdstip van betaling bedragen door de vrouw aan de man
3.69.
Voor wat betreft de door de vrouw aan de man te betalen bedragen uit hoofde van de gebruiksvergoeding en de woonlasten, zal de rechtbank bepalen dat deze worden voldaan uit het bedrag dat de vrouw na verkoop en levering van de woning aan een derde zal ontvangen als ‘overwaarde’.
Overige verzoeken
3.70.
In haar verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandige verzoeken van 24 juni 2025, heeft de vrouw in het petitum opgenomen: “de man in het kader van de verdeling aan de vrouw dient te vergoeden een bedrag van € 30.000,- ter zake betaalde advocaatkosten door de vrouw”. In het lichaam van het processtuk noch in de verdere processtukken van de vrouw licht zij dit toe en onderbreekt iedere onderbouwing. Nu dit een verzoek is zonder kop noch staart, zal de rechtbank dit verzoek van de vrouw afwijzen.
Proceskosten
3.71.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2015 in [plaats] ;
4.2.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken als volgt bij de man verblijven:
  • een weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
  • gedurende de helft van de vakanties, waarbij tijdens de zomervakantie gedurende drie weken aaneengesloten;
4.3.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 november 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal betalen € 250,- per kind per maand, met ingang van 1 januari 2026 € 261,- per kind per maand en vanaf de datum dat de echtelijke woning is geleverd aan een derde en de man de hypotheeklasten en gemeentelijke lasten niet meer volledig betaalt € 278,- per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.4.
gelast de (wijze van) verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden gemeenschap als volgt:
4.5.
de echtelijke woning van partijen aan [adres] te [woonplaats] dient te worden verkocht aan een derde; in het geval de echtelijke woning aan een derde zal worden verkocht, dient de hypothecaire geldlening bij BLG te worden afgelost met de verkoopopbrengst; de aan de verkoop en levering van de echtelijke woning verbonden kosten dienen eveneens zoveel mogelijk uit de verkoopopbrengst te worden voldaan; in het geval na de verkoop van de echtelijke woning sprake is van een eventuele ‘overwaarde’ dan wel ‘onderwaarde’ – zijnde verkoopprijs, minus de hiervoor vermelde (hypothecaire) geldlening bij BLG en minus de verkoopkosten – dient deze tussen partijen bij helfte te worden gedeeld (met inachtneming van het bepaalde in 4.8. tot en met 4.13. van deze beschikking) respectievelijk dienen partijen deze in hun interne verhouding bij helfte te dragen;
4.6.
veroordeelt de vrouw om volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, waarbij die medewerking zal bestaan uit:
- de verkoopmakelaar [makelaar] te [geboorteplaats 1] en diens medewerkers en ingezette derden toegang te verlenen tot de woning ter voorbereiding van de verkoopwerkzaamheden waaronder maar niet beperkt tot het maken van foto’s in en om de woning;
- de woning ten behoeve van een dergelijke fotosessie in ordentelijke staat te brengen;
- de sleutels van de woning af te geven aan de makelaar ten behoeve van bezichtigingen;
- de woning in ordelijke staat te brengen;
- de verplichting om op verzoek van de makelaar de woning te verlaten en daarin niet terug te keren gedurende bezichtigingen ten behoeve van de verkoop;
- het ondertekenen van het (voorlopig) koopcontract;
4.7.
bepaalt dat deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 1 BW Pro in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van de vrouw tot het in de verkoop geven van de echtelijke woning bij de makelaar, waaronder de op te stellen overeenkomst van (verkoop)opdracht en de koopovereenkomst;
4.8.
bepaalt dat partijen in hun interne verhouding, ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de vader van de man van € 20.000,- die dateert uit 2021;
4.9.
bepaalt dat partijen in hun interne verhouding, ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de Belastingdienst van € 4.533;
4.10.
bepaalt dat voor zover een partij meer dan de helft van (een van) deze schulden onder 4.8. en 4.9. heeft voldaan, hij/zij voor het meerdere regres heeft op de andere partij;
4.11.
bepaalt dat de vrouw met ingang van 8 april 2025 totdat de woning is verdeeld een gebruiksvergoeding van € 229,00 per maand aan de man moet betalen;
4.12.
bepaalt dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 6.765,13 terzake door de man ten behoeve van de vrouw betaalde woonlasten;
4.13.
bepaalt dat de door de vrouw verschuldigde bedragen onder 4.11. en 4.12. zullen worden voldaan uit het bedrag dat de vrouw na verkoop en levering van de echtelijke woning aan een derde zal ontvangen als ‘overwaarde’;
4.14.
verklaart de beschikking behoudens ten aanzien van de echtscheiding uitvoerbaar bij voorraad;
4.15.
compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.16.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Geerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 3 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.