ECLI:NL:RBLIM:2026:7018

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
03.178778.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen productie amfetamine met vrijspraak amfetamineolie

Op 25 september 2025 werd verdachte samen met medeverdachten aangehouden bij het vervoeren van gebruikte productieapparatuur van een drugslab in Baexem. De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleegde bij voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine, maar sprak hem vrij van het bezit van 5 liter amfetamineolie in de laadruimte van een bestelbus, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij daarvan op de hoogte was.

De bewijsmiddelen bestonden uit observaties, afgeluisterde telefoongesprekken, forensisch onderzoek en rapportages van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO). De verdachte had de opdracht gekregen om het drugslab op te ruimen en de apparatuur terug te brengen naar een opdrachtgever in Maastricht. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte wist dat de goederen hergebruikt zouden worden voor de productie van synthetische drugs.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij werden bijzondere voorwaarden opgelegd, zoals meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie, contactverbod met medeverdachten en dagbesteding. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de maatregel kostenverhaal werd afgewezen vanwege de vrijspraak en partiële vrijspraak.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met vrijspraak van bezit amfetamineolie.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.178778.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1980,
wonende te [woonadres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummers 03.252954.25 en 03.293215.25), [medeverdachte 2] (parketnummer 03.252869.25) en [medeverdachte 3] (parketnummer 03.263758.25).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, na wijziging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 september 2025 te Baexem samen met anderen:
Feit 1:opzettelijk 5 liter amfetamine-olie aanwezig heeft gehad;
Feit 2:voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van amfetamine.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte, door zich geruime tijd op de productielocatie te bevinden en zich daar bezig te houden met het inladen van onder andere de productieopstellingen, op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de amfetamine-olie. Verder is niet gebleken van een overduidelijke bestemming voor oud ijzer van deze productieopstellingen. Deze hardware is daarbij moeilijk verkrijgbaar en vertegenwoordigt veel waarde, waardoor het in de regel nogmaals wordt gebruikt en de verdachte heeft ter zitting verklaard dat de goederen terug zouden moeten gaan naar [opdrachtgever] . Het staat daarmee vast dat er een bestemming was om de hardware en grondstoffen nog een keer in te zetten (op een nieuwe productielocatie) en er dus sprake is van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van beide feiten. Daartoe heeft ze voor wat betreft feit 1 aangevoerd dat er geen enkele aanwijzing in het dossier zit dat de verdachte of een van de medeverdachten de jerrycan met amfetamine-olie in de laadruimte van de bestelbus (die een derde, te weten [opdrachtgever] had geregeld) heeft gezet. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de jerrycan met amfetamine-olie.
Voor de vrijspraak van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de voorwerpen die de verdachte voorhanden heeft gehad nog steeds een bestemming hadden om te worden gebruikt in een productielocatie voor drugs, omdat concrete aanwijzingen voor een dergelijke toekomstige bestemming ontbreken.
Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van de goederen die zijn aangetroffen op de zolder en de kelder (feit 2) partiële vrijspraak bepleit. Uit de bewijsmiddelen wordt namelijk niet duidelijk of deze daadwerkelijk te relateren zijn aan de productie van harddrugs. Evenmin blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over deze goederen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
T.a.v. feit 1:
Niet ter discussie staat dat op 25 september 2025 in de laadruimte van de bestelbus, waarin de verdachte met de medeverdachten rondreed, een jerrycan met daarin 5 liter amfetamine-olie is aangetroffen. Hiermee staat voor de rechtbank ook vast dat de verdachte deze amfetamine-olie samen met anderen in zijn machtssfeer had. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die amfetamine-olie in de laadruimte van de bestelbus.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet in de laadruimte van de bestelbus heeft gekeken en dat hij er ook niet aan heeft gedacht om hier nog goederen van de productielocatie in te laden. Hij heeft verklaard dat hij dus niet wist van de amfetamine-olie in de laadruimte van de bestelbus. Verder blijkt uit zijn verklaring en die van medeverdachte [medeverdachte 2] dat [opdrachtgever] de bestelbus had geregeld, dat [opdrachtgever] van die bestelbus gebruik maakte en dat hij ook betrokken was bij het drugslab. De verbalisanten die de verdachten hebben geobserveerd op 25 september 2025 hebben niet gezien dat de verdachte of een van de medeverdachten spullen in de laadruimte van de bestelbus hebben gezet. Er stonden bovendien geen andere spullen in de laadruimte. Ook zijn er geen DNA-sporen van een van de verdachten aangetroffen op de jerrycan. Daartegenover staat slechts dat in de productieruimte meerdere identieke jerrycans stonden met eenzelfde productnummer, waar geen amfetamine-olie in zat.
Met deze stand van zaken kan niet worden uitgesloten dat de jerrycan met amfetamine-olie daar (eerder) door iemand anders is neergezet, te meer nu uit het dossier blijkt dat gebruik werd gemaakt van de bus door iemand die ook bij het drugslab betrokken lijkt te zijn geweest en het drugslab al (deels) ontmanteld was voor aankomst van de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De rechtbank is daarom, met de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om buiten gerede twijfel te kunnen vaststellen dat de verdachte niet alleen de beschikkingsmacht had over de aangetroffen amfetamine-olie in de laadruimte, maar ook de wetenschap hiervan had. Uit de enkele omstandigheid dat de aangetroffen jerrycan qua opschrift en type overeenkomt met andere jerrycans die in het ontmantelde drugslag zijn aangetroffen, kan gezien voornoemde omstandigheden niet worden afgeleid dat de verdachte die wetenschap had. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het samen met anderen opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs.
T.a.v. feit 2:
De bewijsmiddelen:
Verbalisantenrelateerden – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt over de observatie van de verdachte: [2]
Naar aanleiding van een lopend onderzoek naar vermoedelijke overtredingen van artikelen 2, juncto 10/10a van de Opiumwet, werd het telefoonnummer, + [telefoonnummer verdachte] , en vermoedelijk in gebruik bij [verdachte] afgeluisterd en opgenomen.
In dit onderzoek werd tevens een witte Mercedes Vito met het Nederlandse kenteken [kenteken bus] voorzien van een technisch hulpmiddel om deze te kunnen volgen.
Op donderdag 25 september 2025 hoorden wij dat de verdachte [verdachte] een aanhangwagen zou gaan huren in Sittard.
Wij verbalisanten volgden de witte Mercedes Vito op gepaste afstand. Wij hoorden en zagen dat de witte Mercedes Vito via de A2 richting het noorden reed om vervolgens de afrit 40 Kelpen-Oler te nemen. De witte Mercedes Vito reed vervolgens via de N280 richting Baexem. Wij zagen dat de witte Mercedes omstreeks 14:00 uur stopte bij de woning gelegen aan de [adres] te Baexem en
achteruit de oprit reed. Wij zagen dat achter de witte Mercedes een aanhangwagen met een grijze huif met opschrift Eijkenboom verhuur gekoppeld was.
Tijdens de observatie werd waargenomen dat drie personen doende waren met het verplaatsen van de aanhangwagen die gekoppeld was aan de witte Mercedes Vito.
Persoon met zwarte hoodie, betreft de later aangehouden verdachte [medeverdachte 1] geboren op [geboortegegevens medeverdachte 1] .
Persoon, met grijskleurig trainingsjack met donkerkleurige inzetten, betreft de later aangehouden [medeverdachte 2] geboren op [geboortegegevens medeverdachte 2] .
De derde persoon gekleed in een lichtgrijs trainingsvest betreft de later aangehouden [verdachte] geboren op [geboortegegevens] .
Omstreeks 15:47 uur zagen wij dat zowel de telefoon alsook de witte Mercedes in beweging kwamen. Wij zagen dat de telefoon en de witte Mercedes via de N280 (de Rijksweg) richting de A2 bewogen. Hierop zijn wij verbalisanten de witte Mercedes weer op gepaste afstand gaan volgen. Bij het passeren van de woning [adres] te Baexem zagen wij dat de witte Mercedes, de aanhangwagen met grijze huif en de rode Chevrolet weg waren. Wij zagen dat de witte aanhangwagen onder de overkapping met de achterzijde naar de loods geparkeerd stond.
In de aan de woning vastzittende garage werd een niet in werking zijnde en een deels ontmantelde Illegale Chemische Fabriek (ICF) aangetroffen. Een ICF word in de volksmond ook wel een drugslab genoemd. In de garage stonden onder andere
meerdere Intermedium Bulk Containers (IBC’s), blauwe vaten en jerrycans met onbekende inhoud en meerdere (propaan/butaan) gasflessen. Wij roken de ons ambtshalve bekende geur van synthetische drugs.
Verbalisantenrelateerden – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt over het aantreffen en aanhouden van de verdachten: [3]
Op donderdag 25 september 2025, omstreeks 16:12 uur, zagen wij het transport busje met aanhanger rijden over de A2 rechts ter hoogte van hectometerpaal 230.0. Wij zagen dat de aanhanger aan de achterzijde lager bij het wegdek kwam dan de voorzijde. Hierdoor hadden wij het vermoeden dat de aanhanger aan de achterzijde beladen was.
Wij haalden de transport bus met aanhanger in en keken in het voertuig. Wij zagen dat hier drie personen in het voertuig zaten.
Wij namen het voertuig mee naar het tankstation gelegen op de N297. Ik vroeg de bestuurder naar zijn volledige naam en geboortedatum. Ik hoorde dat de
bestuurder antwoordde met [verdachte] geboren op [geboortegegevens] .
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , liep naar de aanhanger toe en rook een zeer sterke anijslucht uit de aanhanger komen. Het is mij ambtshalve bekend dat de productie van synthetische drugs een anijsgeur produceert. Ik zag dat het zeil van de aanhanger aan de rechterkant niet goed gesloten was en kon zonder iets aan te raken of te verplaatsen een stukje naar binnen kijken. Ik bracht mijn hoofd dichterbij de inkeping en rook dat de anijslucht nog sterker werd. Ik zag vervolgens een vierkante houten blok en een daarnaast een ijzeren pijp met kabels. Gezien de penetrante geur van anijs en de inhoud van de aanhanger die voor mij zichtbaar was, rees mij het vermoeden dat er spullen in de aanhanger lagen die gebruikt worden bij het vervaardigen van synthetische drugs. Hierop besloot ik om het zeil aan de achterkant los te maken om de hele aanhanger te kunnen bekijken. Ik zag vervolgens een ketel, een soort gasfles en andere attributen die gebruikt worden bij het vervaardigen van synthetische drugs.
Op donderdag 25 september 2025, om 16:41 deelde ik, verbalisant [verbalisant 1] , alle drie de personen mede dat zij waren aangehouden voor de Opiumwet.
Verdachte
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [voornamen verdachte]
Geboren : [geboortegegevens]
Geboorteland : Nederland
Verdachte
Achternaam : [medeverdachte 2]
Voornamen : [voornaam medeverdachte 2]
Geboren : [geboortegegevens medeverdachte 2]
Geboorteland : Syrië
Verdachte
Achternaam : [medeverdachte 1]
Voornamen : [medeverdachte 1]
Geboren : [geboortegegevens medeverdachte 1]
Geboorteland : Dominicaanse Republiek
Door de
Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO)is – voor zover relevant – het volgende gerelateerd over de bestelbus met aanhangwagen: [4]
Op donderdag 25 september 2025 werden wij geïnformeerd dat door Politie Limburg, Dienst Regionale Recherche - Flexteam Opsporing, een bestelbus met daar achter een tandemasser aanhangwagen was aangetroffen waarbij de aanhangwagen geladen bleek te zijn met gebruikte productieapparatuur ten behoeve van de productie van synthetische drugs.
Op vrijdag 26 september 2025, omstreeks 09.45 uur en later, werd door ons, verbalisanten, een onderzoek ingesteld aan de aangetroffen bestelbus en aanhangwagen. Bestelauto, Mercedes Vito, voorzien van het kenteken [kenteken bus]
Aanhangwagen, tandemasser, aan de achterzijde voorzien van een; witte kentekenplaat met het kenteken [kenteken bus] . De aanhangwagen was aan bovenzijde voorzien van een oprolbare kunststof huif. Aan beide zijkanten was deze huif voorzien van het opschrift ‘ [verhuurbedrijf] - [telefoonnummer opschrift] -‘.
Na het openen van de huif werden in de laadruimte van de aanhangwagen gebruikte
productieapparatuur ten behoeve van de productie van synthetische drugs aangetroffen.
Aanhangwagen, tandemasser, aan de achterzijde voorzien van een witte kentekenplaat met het kenteken [kenteken bus]
Na het openen van de aanhangwagen werd door ons de ambtshalve herkenbare geur van amfetamine waargenomen. In de aanhangwagen zagen wij de volgende goederen aanwezig:
- 2 slakkenhuisventilatieboxen (Al);
- 2x een refluxkoeler (A2, A5);
- lx een rvs-destillatievat mede te gebruiken voor stoomdestillatieproces (A4);
- 2x een rvs expansievat te gebruiken als stoomgenerator t.b.v. stoomdestillatie (A3, A6);
- 5x een ‘paella’ gasbrander met gasslangen (A7);
- 2x rvs-koelbuizen t.b.v. destillatie (A8, A9);
- Waterdompelpomp (AIO);
- Flensstukken (A12).
Wij zagen dat de goederen bevuild waren met bruine, zwarte substantie en dat door ons de ons ambtshalve herkenbare geur van amfetamine werd waargenomen aan de vervuilde goederen.
Interpretatie LFO
Alle aangetroffen goederen in de aanhangwagen passen bij de grootschalige vervaardiging van amfetamine via de Leuckart methode.
Via de Leuckart methode wordt de precursor BMK met behulp van formamide en mierenzuur omgezet in amfetamine middels een aantal reactiestappen. Tijdens deze reactiestappen worden de chemicaliën en BMK onder roeren verwarmd veelal middels gasbranders (A7). De reactievaten worden uitgerust met houders zodat deze gasbranders vastgeklemd kunnen worden onder de ketel. De reactievaten worden uitgerust met refluxkoelers (A2, A5) om te voorkomen dat de chemicaliën en precursor gedurende de productie uit de reactievaten ontsnappen. Na de reactiestappen wordt het verkregen mengsel met daarin amfetamine-olie gescheiden en gezuiverd middels stoomdestillatie om zodoende amfetamine-olie te verkrijgen. Met behulp van een stoomgenerator (A3, A6) wordt de stoom via de gasinlaten van de destillatievaten (A3, A4) ingeblazen. De koelhuizen (A8, A9) dienen om de dampen van amfetamine en water te laten condenseren teneinde de amfetamine als vloeistof te verkrijgen. Slakkenhuisventilatieboxen (Al) worden veelvuldig gebruikt bij de productie van synthetische drugs om ontstane chemische en toxische dampen af te voeren en eventueel te zuiveren middels gaswassers.
Door de
Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO)is – voor zover relevant – het volgende gerelateerd over de aanhanger: [5]
Op donderdag 25 september 2025 omstreeks 19:00 uur en later, heb ik op verzoek van de hoofdinspecteur van politie en werkzaam bij de Dienst Regionale Recherche,
Eenheid Limburg, een onderzoek ingesteld aan goederen en chemicaliën, welke waren aangetroffen in een garage en in een aanhanger op locatie [adres] te Baexem.
Inventarisatielijst aanhanger [kenteken aanhanger]
LFO-code
Omschrijving
A1 / A1-A
Een 100 liter scheitrechter in een houtenframe, vervuild. Restant bruine vloeistof werd bemonsterd.
A2
Een roermotor met roermechanisme.
A3 / A3-A
Een rechthoekige reactieketel met inhoudsmaat van 835 liter. Aan de bovenzijde zaten drie openingen waarvan een afgesloten met een deksel.
In de ketel zat een restant bruine basische vloeistof met de geur van amfetamine. De vloeistof werd bemonsterd.
Interpretatie LFO
Op de locatie [adres] te Baexem werden goederen en chemicaliën aangetroffen welke passen bij de vervaardiging van (synthetische) drugs en precursoren.
In de aanhanger met Nederlands kenteken “ [kenteken aanhanger] ” werd een reactieketel met een inhoudsmaat van 835 liter aangetroffen welke vermoedelijk gebruikt werd voor de vervaardiging van amfetamine. Naast de reactieketel lag een roermotor met roerwerk welke nodig is in de tweede kookstap van de amfetamine Leuckart methode om het tussenproduct N-formylamfetamine, een olie, te kunnen mengen met het waterige natriumhydroxide.
De verdachteheeft bij de politie – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt verklaard: [6]
V: Vraag of opmerking door de verhoorder(s)
A: Antwoord of opmerking door de verdachte
V: [verdachte] , wat wil jij nog iets vertellen?
A: Ik wil vertellen hoe die dag gegaan is. Hoe ik [opdrachtgever] heb leren kennen. Ik werk op het kamp en daar doe ik klusjes zoals zwembad maken. Daar heeft [opdrachtgever] mij gevraagd om een klus voor hem te doen en dat was het opruimen van een lab in Baexem. Ik wilde het eerst niet doen. [opdrachtgever] had zelf twee andere personen geregeld. Ik heb toen [medeverdachte 1] opgehaald en [medeverdachte 2] kwam zelf aangereden met de bus. We zijn toen richting Baexem gereden. Alle drie wisten we wat er loos was. Maar voordat we de rotzooi naar buiten konden doen hebben we daar binnen eerst een heel deel voor de poort weg moeten doen zodat we de spullen naar buiten konden doen. De aanhangwagen van [medeverdachte 3] hebben we ook gebruikt om spullen in te laden. De spullen die zij klaar hadden gezet hebben wij mee genomen en in de karren gezet.
De verdachteheeft ter terechtzitting van 30 juni 2026 – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – als volgt verklaard:
“Met mij was besproken dat de spullen die we daar hebben opgehaald terug zouden gaan naar [opdrachtgever] . Hij zou ons opwachten bij De Geusselt in Maastricht en dan zou hij het meenemen.”
De bewijsoverweging:
De rechtbank stelt op grond van de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, vast dat de verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 september 2025 naar het pand aan [adres] te Baexem is gereden, waar zich een drugslab had bevonden. Een deel van de spullen uit het lab stond buiten al klaar toen zij daar kwamen aangereden met de bestelbus en de aanhangwagen. De verdachten hebben de spullen uit het lab vervolgens in de aanhangwagen geladen en toen deze vol was in de aanhanger van [medeverdachte 3] die op de oprit stond. Na ongeveer een uur en drie kwartier op de voormalige productielocatie te zijn geweest, zijn ze weer weggereden richting Maastricht met de bestelbus en de aanhangwagen. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van synthetische drugs.
De rechtbank stelt daarbij allereerst vast dat de verdachte wist wat hij ging ophalen en vervoeren, nu hij zelf heeft verklaard dat hij van [opdrachtgever] de opdracht heeft gekregen om de hardware van een voormalig drugslaboratorium op te halen in Baexem.
Voor de beantwoording van de vraag of het opruimen van drugsafval kan worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs heeft de rechtbank acht geslagen op de arresten van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:743 en 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, waarbij die vraag telkens aan de orde was. De Hoge Raad heeft ten aanzien hiervan overwogen dat het enkele feit dat de voorwerpen in het verleden zijn gebruikt bij een drugsproductieproces, nog niet met zich meebrengt dat de spullen die bestemming ook hadden op de ten laste gelegde datum en dat de verdachte daarvan ook op de hoogte is of dit redelijkerwijs had moeten vermoeden. Om iets voor te bereiden is immers altijd een toekomstige bestemming vereist.
In het onderhavige geval zijn die aanwijzingen er naar het oordeel van de rechtbank. Uit de bevindingen van de LFO kan worden opgemaakt dat zich in de aanhangwagen en de achtergebleven aanhanger goederen bevonden die voor hergebruik in het productieproces van synthetische drugs geschikt zijn, zoals de gasbranders, reactieketels, refluxkoelers, slakkenhuisventilatieboxen enzovoorts. Het is in drugszaken algemeen bekend dat drugslaboratoria na een voltooid productieproces worden ontmanteld en - om de kans op ontdekking te verkleinen - het productieproces met de nieuw aan te leveren grondstoffen op een andere locatie wordt voortgezet. Het gaat daarbij om dure hardware die moeilijk verkrijgbaar is.
Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat hij de spullen terug moest brengen naar [opdrachtgever] in Maastricht. Het ging dus niet om oud ijzer, wat de verdachte eerder heeft verklaard. Daarmee is – anders dan in de casussen van de aangehaalde rechtspraak – niet direct sprake van voorwerpen die moesten worden weggegooid oftewel (drugs)afval.
Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat in deze zaak sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen, aangezien omtrent de goederen in de aanhangwagen en aanhanger niet kan worden gesproken van drugsafval. Gelet op de aard van de herbruikbare goederen en het feit dat de verdachte wist dat de spullen nog naar [opdrachtgever] moesten, had hij op zijn minst ernstige reden om te vermoeden dat zij bestemd waren om (opnieuw) gebruikt te worden in eenzelfde soort productieproces. De rechtbank acht daarmee het ten laste gelegde onder feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van de overige goederen die zijn genoemd in de tenlastelegging (de aangetroffen goederen in de tuin, de garage, de kelder en de zolder van de woning aan de [adres] te Baexem) is de rechtbank van oordeel dat hiervan niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en/of medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deze voorhanden hebben gehad, nu uit het dossier volgt dat zij enkel in de weer zijn geweest met beide aanhangers en niet kan worden vastgesteld dat zij daarvoor of daarna nog enige bemoeienis hebben gehad met het drugslab. De verdachte zal wat deze goederen betreft dan ook partieel worden vrijgesproken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 2:
op 25 september 2025, in Baexem, gemeente Leudal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden
- voorwerpen voorhanden hebben gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers hebben hij, verdachte en (een of meer van) zijn mededaders op voornoemd tijdstip in voornoemde pleegplaats een of meerdere (onderdelen van) productieopstelling(en) en/of (een) grote hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden ten behoeve van de productie van amfetamine en/of BenzylMethylKeton (BMK) voorhanden gehad, waaronder:
(
in de aanhangwagen met kenteken [kenteken bus])
- 2 slakkenhuisventilatieboxen en 2 refluxkoelers en 1 rvs-destillatievat (te gebruiken voor stoomdestillatieproces) en 2 rvs expansievaten (te gebruiken als stoomgenerator ten behoeve van stoomdestillatie) en 5 'paella' gasbranders met gasslangen en 2 rvs-koelbuizen (ten behoeve van destillatie) en 1 waterdompelpomp en flensstukken en
(
in de aanhanger met kenteken [kenteken aanhanger])
- 1 reactieketel inhoudende een restant bruine basische vloeistof met de geur van amfetamine en 1 roermotor en 1 scheitrechter.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
T.a.v. feit 2:
het medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Daarnaast heeft hij gevorderd de verdachte de maatregel kostenverhaal op te leggen als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet voor een bedrag van € 27.014,73.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overschrijdt, eventueel in combinatie met een taakstraf, of nog een voorwaardelijk strafdeel, het meest passend is. De reclassering beschrijft dat de verdachte zijn leven voor een groot deel op orde heeft. Hij zou wel nog gedragsinterventie kunnen gebruiken voor het maken van de juiste keuzes. De verdachte is bereid om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn voorgesteld.
Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het gevorderde bedrag dient te worden gematigd gelet op de bepleite vrijspraak, waarbij ze zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de kosten die gemoeid zijn met de vernietiging van de goederen die de verdachte daadwerkelijk voorhanden heeft gehad. De raadsvrouw heeft de rechtbank hierbij verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid, aangezien bij de stukken van Seon geen overzicht zit op basis waarvan deze kosten kunnen worden berekend.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich op 25 september 2025 schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van amfetamine. Op de [adres] te Baexem bevond zich een drugslab en de verdachte heeft dit die dag samen met de medeverdachten gedemonteerd en een deel in de aanhangwagen van de bestelbus geladen en nog een ander deel in de aanhanger die op de oprit stond. Ze waren terug onderweg naar Maastricht met de bestelbus en de spullen in de aanhangwagen, die bruikbaar zijn voor de productie van synthetische drugs, toen ze werden aangehouden door de politie.
De verdachte heeft zich begeven op het terrein van de productie en handel in synthetische drugs. De productie van en handel in synthetische drugs gaan gepaard met vele vormen van ernstige criminaliteit en dit heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van synthetische drugs schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid en tot ernstige verslavingsproblematiek kan leiden met alle gevolgen van dien. Ook gaat de productie van synthetische drugs gepaard met de illegale lozing van drugsafval, hetgeen grote schade aan het milieu toebrengt en tot hoge kosten leidt bij de sanering daarvan. Drugscriminaliteit leidt tot ondermijning, waarbij de grens tussen de onderwereld en de bovenwereld vervaagt doordat grote hoeveelheden crimineel geld via witwassen en legale bedrijven de maatschappij in worden gepompt. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze kwalijke gevolgen, maar heeft slechts uit winstbejag gehandeld.
Bij haar oordeel over de op te leggen straf weegt de rechtbank verder mee dat is gebleken dat de verdachte een niet te verwaarlozen rol heeft gehad bij de productielocatie door mee te helpen aan de afbouw hiervan.
De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan door de officier van justitie gerekwireerd. Tevens waardeert de rechtbank de rol van de verdachte anders dan de officier van justitie. Hij is ingezet als opruimer van een drugslab op één dag. De rechtbank heeft bij zijn strafbepaling ook acht geslagen op straffen in vergelijkbare zaken en heeft geconcludeerd dat die fors onder de door de officier van justitie geëiste strafeis liggen.
Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de aard en de duur van de strafoplegging naast de ernst van het feit ook acht geslagen op de persoon van de verdachte. De verdachte is blijkens zijn strafblad eerder veroordeeld voor een Opiumwetdelict, hetgeen de rechtbank in het nadeel van de verdachte zal meewegen bij het bepalen van de hoogte van de straf. De verdere persoonlijke omstandigheden van de verdachte blijken uit het reclasseringsrapport van 26 juni 2026, waarin staat beschreven dat een financieel motief leidend is geweest om tot het onderhavige delict te komen, ook al waren er geen urgente financiële problemen. De reclassering concludeert dat er sprake is van een pro-criminele houding en schat de kans op recidive in als gemiddeld. Naar aanleiding van de veranderde proceshouding van de verdachte en het geconstateerde delictspatroon, adviseert de reclassering onder andere een training gericht op het vergroten van de pro sociale probleemoplossende vaardigheden van de verdachte.
Naar aanleiding van deze bevindingen, is naar het oordeel van de rechtbank naast een onvoorwaardelijke straf ook een voorwaardelijk strafdeel van wezenlijk belang. Op deze manier wordt zowel gewerkt aan een positieve gedragsverandering bij de verdachte en komt er een stok achter de deur met als doel om hem in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zal de rechtbank de hierna in de beslissing genoemde bijzondere voorwaarden opleggen. De tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht. Dat betekent dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.
Opheffing voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
Maatregel kostenverhaal
De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
Uit de factuur van Seon gedateerd op 20 oktober 2025 volgt dat voor de ontmanteling van de productielocatie, inclusief afvoer ter vernietiging van de chemicaliën, het restafval en de hardware, kosten zijn gemaakt tot een bedrag van € 27.014,73.
Gezien de vrijspraak voor feit 1 en de partiële vrijspraak van feit 2 (de verdachte kan slechts voor een deel van de voorwerpen die zijn genoemd in de tenlastelegging verantwoordelijk worden gehouden) en de ten aanzien van de verschillende voorwerpen op de productielocatie onsplitsbare kostenomschrijvingen op de factuur, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de vereisten voor oplegging van de maatregel kostenverhaal. De rechtbank wijst de vordering dan ook af.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
  • stelt de volgende
a.
Meldplicht bij reclassering
Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen zeven dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland (Heerderweg 25 te Maastricht / 088 8041502);
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Dat de veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
Contactverbod
Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de medeverdachten, zijnde: [medeverdachte 1] (geboren op [geboortegegevens medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (geboren op [geboortegegevens medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 3] );
Dagbesteding
De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Voorlopige hechtenis
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M.A. Curfs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2026.
Buiten staat
Mr. J. Linders is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging, ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 25 september 2025, in Baexem, gemeente Leudal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 5 liter van een vloeistof bevattende amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 25 september 2025, in Baexem, gemeente Leudal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) op voornoemd tijdstip in voornoemde pleegplaats een of meerdere (onderdelen van) productieopstelling(en) en/of (een) grote hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden ten behoeve van de productie van amfetamine en/of BenzylMethylKeton (BMK) voorhanden gehad, waaronder:
(
in de aanhangwagen met kenteken [kenteken bus])
- 2 slakkenhuisventilatieboxen en/of 2 refluxkoelers en/of 1 rvs-destillatievat (te gebruiken voor stoomdestillatieproces) en/of 2 rvs expansievaten (te gebruiken als stoomgenerator ten behoeve van stoomdestillatie) en/of 5 'paella' gasbranders met gasslangen en/of 2 rvs-koelbuizen (ten behoeve van destillatie) en/of 1 waterdompelpomp en/of flensstukken en/of
(
in de aanhanger met kenteken [kenteken aanhanger])
- 1 reactieketel inhoudende een restant bruine basische vloeistof met de geur van amfetamine en/of 1 roermotor en/of 1 scheitrechter en/of
(
buiten, op/bij de locatie [adres] te Baexem)
- 1 destillatieketel inhoudende een restant bruine substantie en/of 4 kartonnen dozen (vermoedelijk verpakkingen van pre-precursoren) en/of 1 speciekuip vervuild met rood/bruine substantie en/of
(
in de garage, op de locatie [adres] te Baexem)
- 6 gebruikte gasflessen en/of 3 verzegelde gasflessen en/of 1IBC van 1000 liter inhoudende een restant bruine vloeistof en/of 1 IBC van 1000 liter inhoudende 550 liter kleurloze zure vloeistof onder een geringe geel/bruine drijflaag en/of 1 klemdekselvat inhoudende circa 10 liter bruine basische vloeistof en/of 3 klemdekselvaten van 200 liter waarvan 2 geheel gevuld en 1 met een restant neutrale lichtbruine vloeistof en/of 1 emmer van 35 liter voor driekwart gevuld met bruine substantie en/of 1 emmer van 12 liter voor een kwart gevuld met basische vloeistof en/of 1 lege emmer van 12 liter en/of 4 jerrycans gevuld met bruine
substantie en/of 8 jerrycans van 20 liter met etiketten "Frischer" 7 en "LanXess" (in totaal 91 liter) gevuld met lichtbruine vloeistof en/of 6 jerrycans van 20 liter met etiket "MansserPower Fasad" alle geheel gevuld met zure kleurloze stroperige vloeistof (fosforzuur) en/of 2 blauwe 20 liter jerrycans met etiket "LannXess" (1 met circa 4 liter en 1 met circa 5 liter bruine substantie gevuld) en/of diverse vervuilde maatbekers en/of
een pollepel en/of waterslangen en/of diverse trechters en/of 4 emmers gevuld met bruine substantie (totaal 62 liter) en/of 1 klemdekselvat van 200 liter met daarin 11 vezelversterkte zakken (soortgelijk als de verpakkingen van pre-precursoren) en/of 1 klemdekselvat van 200 liter gevuld met circa 100 liter kleurloze neutrale vloeistof en/of 2 lege klemdekselvaten van 200 liter en/of 1 reactieketel met inhoudsmaat 1395 liter en/of
(
in de kelder, op de locatie [adres] te Baexem)
- 2 jerrycans van 5 liter met etiket "Phosphoric acid" en geheel gevuld met zure kleurloze vloeistof en/of
(
op de zolder, op de locatie op de locatie [adres] te Baexem)
- 1 klemdekselvat van 200 liter gevuld met circa 10 liter kleurloze basische vloeistof en/of 1 klemdekselvat van 200 liter met een restant bruine vloeistof met de geur van BMK en/of 9 lege vezelversterkte zakken.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025086895, gesloten d.d. 28 mei 2026, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 529.
2.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2025, pg. 198-203.
3.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 september 2025, pg. 181-182.
4.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2025, pg. 310-314.
5.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2025, pg. 336-341.
6.Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 26 februari 2026, pg. 431-434.