ECLI:NL:RBLIM:2026:7134

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/988 en ROE 26/989
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 2.3.10 Wmo 2015Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking beschermd wonen en Housing First indicatie en afwijzing verhuisindicatie

Eiser is het niet eens met het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht om de indicatie voor beschermd wonen en de maatwerkvoorziening Housing First in te trekken en de aanvraag voor een verhuisindicatie af te wijzen. Hij heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden voor een passend traject, waaronder Housing First. Uit het dossier blijkt dat meerdere trajecten zijn onderzocht, maar dat deze niet uitvoerbaar zijn gebleken vanwege het gedrag van eiser, het ontbreken van medewerking van woningcorporaties en het beëindigen van begeleiding door zorgaanbieders.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening en dat het verstrekken van een verhuisindicatie niet doeltreffend kan worden uitgevoerd. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het college de belangen van uitvoerbaarheid en veiligheid zwaarder mocht laten wegen dan het belang van eiser bij hulpverlening.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard. De intrekking van de indicaties en de afwijzing van de verhuisindicatie blijven in stand, evenals de beëindiging van de betaling van overnachtingskosten per 13 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de indicatie beschermd wonen en Housing First en de afwijzing van de verhuisindicatie is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/988 en ROE 26/989
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. A.R.A.R. Lotfy),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, het college,
(gemachtigde: P.H.J.N. Kalmar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de indicatie voor beschermd wonen en de maatwerkvoorziening Housing First en de afwijzing van de aanvraag voor een verhuisindicatie in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiser is het niet eens met de besluiten hierover. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de intrekking van de indicatie beschermd wonen en Housing First en afwijzing van de aanvraag voor een verhuisindicatie.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de indicatie voor beschermd wonen en Housing First mocht intrekken en dat de aanvraag voor een verhuisindicatie terecht is afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Aan de besluitvorming liggen primaire besluiten van 7 november 2023 en
19 december 2024 en eerdere besluiten op bezwaar van 18 november 2024 en 9 mei 2025 ten grondslag. Hierover zijn procedures gevoerd. De voorzieningenrechter verwijst voor het procesverloop in die procedures naar de uitspraken van deze rechtbank van
13 november 2023 [1] en 13 januari 2026 [2] . In de laatste uitspraak is het besluit op bezwaar van 18 november 2024 vernietigd, maar niet voor zover dit besluit gaat over het betalen van de overnachtingskosten. Ook het besluit op bezwaar van 9 mei 2025 is vernietigd. In beide gevallen is het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
3. Ter uitvoering van de uitspraak van 13 januari 2026 heeft het college op
21 april 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het college is bij de intrekking van de indicatie voor beschermd wonen en de maatwerkvoorziening Housing First en de afwijzing van de aanvraag voor een verhuisindicatie gebleven.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
4.1.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Namens het college hebben deelgenomen de gemachtigde van het college, mr. M.H.E. Overhof, B.J. Sponnik (Wmo-consulent) en R.M.G. Frenken (teammanager primaire afdeling).
5.1.
De behandeling ter zitting is geschorst. Het college was bereid om te onderzoeken of het traject Housing First alsnog gerealiseerd kon worden onder de volgende voorwaarden:
- eiser heeft geen bezwaar tegen begeleiding vanuit Levanto/Housing;
- eiser accepteert de geldende overeenkomsten en huisregels van Housing, zonder voorbehoud;
- eiser stemt in met een verruiming van het zoekgebied, waaronder in ieder geval Sittard en zuidelijker gelegen gemeenten.
Het college heeft daarbij aangegeven de huisvestingskosten te zullen blijven betalen tot
13 juli 2026.
5.2.
Het college heeft de voorzieningenrechter op 18 juni 2026 bericht dat het onderzoek is afgerond. Housing First heeft aangegeven dat zij geen mogelijkheden zien om eiser binnen een Housing First setting aan een woning inclusief de bijbehorende begeleiding te helpen.
5.3.
Eiser heeft in zijn reactie aangegeven dat van een onderzoek geen sprake is geweest en dat het college zich niet heeft gehouden aan de afspraak ter zitting dat hij het traject bij Housing First daadwerkelijk zou opstarten.
5.4.
Partijen hebben niet meer aangegeven een nadere zitting te willen en het onderzoek is vervolgens gesloten.
5.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [3]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inhoud van het bestreden besluit
6. In de uitspraak van de rechtbank van 13 januari 2026 is overwogen dat het college moet onderzoeken of Housing First (een combinatie van wonen en begeleiding) een adequate maatwerkvoorziening is. Het college heeft daarop onderzoek gedaan en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een objectiveerbare ondersteuningsbehoefte en dat beschermd wonen en de maatwerkvoorziening Housing First kunnen aansluiten bij de beperkingen van eiser. Het college acht echter op basis van concrete feiten en omstandigheden de voorziening inclusief de bijbehorende begeleiding feitelijk niet uitvoerbaar. De voorziening kan niet veilig worden aangeboden en biedt geen duurzaam perspectief. Het na de zitting van 18 mei 2026 uitgevoerde onderzoek heeft ook niet tot uitvoering van de maatwerkvoorziening geleid. Het college is voor de uitvoering hiervan afhankelijk van Housing First. De Levantogroep (verantwoordelijk voor het Housing First traject) heeft in de brief van 17 juni 2026 aan het college aangegeven geen mogelijkheden te zien voor plaatsing.Deze conclusie is gebaseerd op een integrale beoordeling van de situatie van eiser, de beschikbare ondersteuningsmogelijkheden en de randvoorwaarden die noodzakelijk zijn om een Housing First-traject verantwoord en kansrijk te laten verlopen. Verder acht het college van belang dat de zorgaanbieder die de individuele begeleiding aan eiser verleent, D’elfant Assist, de begeleiding per 1 juli 2026 beëindigt. Dit past volgens het college in het langdurige en consistente patroon waarbij ondersteunings- en woontrajecten niet tot stand komen als gevolg van het uitblijven van medewerking en grensoverschrijdend gedrag van eiser. Het college heeft geconcludeerd dat geen enkel traject uitvoerbaar is gebleken.
6.1.
Eiser betwist dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en dat hij niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden.
De intrekking van de indicatie beschermd wonen en de maatwerkvoorziening Housing First
7. Beëindiging van de indicatie beschermd wonen en de maatwerkvoorziening Housing First is een voor eiser belastend besluit. Dat betekent dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. Uit artikel 3:2 van Pro de Awb, in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen.
7.1.
Het college heeft de intrekking gebaseerd op artikel 2.3.10, eerste lid, onder d, van de Wmo 2015. Een maatwerkvoorziening kan worden herzien of ingetrokken als het college vaststelt dat de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden.
Heeft het college voldoende onderzoek gedaan?
8. Niet in geschil is dat de indicatie beschermd wonen voor eiser in beginsel noodzakelijk is. Ook is niet in geschil dat er verschillende trajecten zijn, zoals beschermd wonen met en zonder verblijf, die mogelijk zouden kunnen zijn. Housing First is een maatwerkvoorziening voor wonen zonder verblijf.
8.1.
In het dossier bevinden zich afspraken- en actielijsten van overleggen die al meerdere jaren zijn gehouden met verschillende betrokkenen over de problematiek van eiser. In de lijsten worden als deelnemers genoemd: medewerkers vanuit de Wmo, Bewindvoering, Mentorschap, woningcorporatie Servatius, Housing en het Zorg & Veiligheidshuis. De actielijsten worden gedeeld met de afdeling Wmo, de gemeente Maastricht, de gemeente Valkenburg en wijkagenten in de gemeente Valkenburg.
8.2.
Na de zitting op 11 december 2025 in de vorige procedures zijn er overleggen gehouden op 17 december 2025, 28 januari 2026, 11 februari 2026, 5 maart 2026 en 8 april 2026. Op 21 april 2026 is het bestreden besluit genomen.
8.3.
Uit de verslagen is op te maken dat er verschillende trajecten besproken zijn. Dat zijn Housing First, Housing Plus en Skaeve Huse. De trajecten zijn in het afgelopen half jaar niet tot stand gekomen, omdat eiser aangaf trajecten niet geschikt te vinden (Skaeve Huse, Housing First) gelet op de verschillende voorwaarden die gehanteerd worden en de vormen van begeleiding die bij de verschillende trajecten horen. Housing Plus is geen optie voor de woningcorporaties in Maastricht gelet op de ervaringen in het verleden met eiser. Uit de inhoud van het dossier komt ook naar voren dat eiser een traject beschermd wonen met verblijf (in een instelling) niet als een geschikte voorziening ziet.
Het onderzoek na de zitting van 18 mei 2026 heeft niet tot een plaatsing in het traject Housing First geleid. In de brief van 17 juni 2026 heeft de Levantogroep vermeld dat in de afgelopen drie jaar de mogelijkheden voor plaatsing binnen Housing First en de bijbehorende begeleiding herhaaldelijk en zorgvuldig zijn onderzocht, maar dat er onvoldoende perspectief is op een succesvolle en duurzame plaatsing binnen Housing First.
8.4.
Gelet op de inhoud van het dossier, waaronder de verslagen van de overleggen na de uitspraak van 13 januari 2026, en de poging die nog is ondernomen na de zitting van
18 mei 2026, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan om een geschikt traject (waaronder Housing First) voor eiser te kunnen realiseren. De voorzieningenrechter ziet niet dat het college onderzoeksmogelijkheden heeft laten liggen. De overleggen hebben steeds plaatsgevonden met personen en instanties die nauw betrokken zijn (geweest) bij eiser en die steeds gekeken hebben naar de mogelijkheden die voor eiser en of de betrokken instanties wenselijk en geschikt waren.
De intrekking van de indicatie beschermd wonen en de maatwerkvoorziening Housing First
9. Het college heeft aangegeven de indicatie beschermd wonen en de maatwerkvoorziening Housing First in te trekken omdat eiser niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden. Eiser heeft dit betwist.
9.1.
Uit het dossier en de besluitvorming wordt duidelijk dat het eiser al gedurende een reeks van jaren niet lukt om zelfstandig te leven en te wonen wegens zijn psychische en lichamelijke klachten. Het is hem niet gelukt om huisvesting te houden. De drie Maastrichtse woningcorporaties zijn in het verleden overgegaan tot ontruiming van de woning die eiser van hen huurde. Er bevindt zich verder in het dossier een lijst met verblijven op vakantieparken sinds september 2025 waaruit ook volgt dat eiser in de afgelopen periode frequent van verblijf heeft moeten veranderen. In de meeste gevallen is het gedrag van eiser aanleiding voor annulering van boekingen of (voortijdige) beëindiging van verblijf. Ook wat betreft instanties die eiser hebben begeleid heeft er veelvuldig een wisseling plaatsgevonden. De bewindvoerder en de mentor (per 17 april 2026) hebben hun hulpverlening beëindigd wegens grensoverschrijdend gedrag van eiser. D’elfant Assist heeft de begeleiding beëindigd per 1 juli 2026. In de brief van 11 juni 2026 hierover wordt (met voorbeelden) aangegeven dat het door de wijze van communiceren van eiser voor de medewerkers dan D’elfant Assist niet langer mogelijk is om de begeleiding op een veilige professionele en constructieve manier uit te voeren.
9.2.
De indicatie Beschermd wonen is toegekend bij besluit van 15 augustus 2023 (met terugwerkende kracht vanaf 27 juni 2023). De maatwerkvoorziening Housing First is toegekend in de beslissing op bezwaar van 18 november 2024. Sindsdien is er geruime tijd verstreken en zijn pogingen om het traject Housing First (danwel een ander traject) daadwerkelijk op te starten niet gelukt. De voorzieningenrechter is van het oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat het gedrag van eiser daar in overwegende mate de oorzaak voor is. Noodzakelijk is immers het verlenen van medewerking, waaronder het accepteren van voorwaarden en begeleiding verbonden aan een beoogd traject. Uit de stukken wordt duidelijk dat het daar herhaaldelijk aan heeft ontbroken. Verder is van belang dat er een patroon is van grensoverschrijdend (agressief) gedrag door eiser dat er ook voor heeft gezorgd dat trajecten niet van de grond zijn gekomen. Voor het kunnen slagen van de maatwerkvoorziening is immers medewerking van instanties, zoals woningcorporaties, noodzakelijk. Zij willen, gelet op de ervaringen in het verleden met eiser, geen medewerking meer verlenen. Het college heeft gelet hierop kunnen concluderen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening met als gevolg dat het voor het college daarom niet mogelijk is om daadwerkelijk uitvoering te kunnen geven aan de indicaties die gesteld zijn.
De afwijzing van de indicatie voor een verhuizing naar een aangepaste woning
10. Het college heeft vastgesteld dat er geen woningcorporatie in Maastricht bereid is om een aangepaste woning aan eiser te verhuren. Verder bestaan er ernstige zorgen over de plaatsbaarheid van eiser in een reguliere woonwijk, mede in verband met eisers onvoorspelbaar gedrag en risico’s voor de veiligheid van de woonomgeving. Het college ziet een verhuisindicatie dan ook niet als een doeltreffende en passende voorziening in de zin van de Wmo.
10.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat ook voor uitvoering van deze voorziening medewerking van de woningcorporaties noodzakelijk is en dat die medewerking niet gegeven wordt, gelet op de ervaringen die de woningcorporaties in het verleden hebben opgedaan met eiser. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de verhuisindicatie (een passende woning) wenselijk blijft. Hij heeft aangegeven dat hij bij een verhuisindicatie de weigering om hem een passende woning ter beschikking te stellen kan voorleggen aan de civiele rechter. De voorzieningenrechter ziet in die mogelijke gang van zaken onvoldoende grond voor het oordeel dat het college deze indicatie niet heeft mogen afwijzen. De voorzieningenrechter acht het indiceren van een passende woning onlosmakelijk verbonden met de persoonlijke omstandigheden van eiser (waaronder de ervaringen van de woningcorporaties met eiser in het verleden). Het verstrekken van een voorziening die niet doeltreffend uitgevoerd kan worden acht de voorzieningenrechter dan ook niet aangewezen.
Belangenafweging
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser kampt met ernstige psychische en lichamelijke problematiek. Het is onmiskenbaar dat eiser een belang heeft bij een geschikt hulpverleningstraject. Over een periode van jaren is echter een geschikt traject wonen – begeleiding in het kader van de Wmo 2015, zoals hierboven ook beschreven is, niet tot stand gekomen. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat hij niet verplicht kan worden om pogingen te blijven doen indicaties uit te voeren als deze niet uitvoerbaar zijn en risico’s opleveren voor betrokken hulpverleners en derden. Naar de feiten en omstandigheden van nu concludeert de voorzieningenrechter dan ook dat voorzieningen vanuit de Wmo 2015 niet of nauwelijks haalbaar zijn. Het college heeft alles overziend zijn belangen van uitvoerbaarheid van publieke voorzieningen en de veiligheid van hulpverleners zwaarder mogen laten wegen dan het - op zichzelf zwaarwegende - belang van eiser bij adequate hulpverlening.
Beëindiging van de betaling van de overnachtingskosten
12. In de uitspraak van deze rechtbank van 13 januari 2026 is geoordeeld dat het college de overnachtingskosten dient te blijven doorbetalen totdat eiser over passende huisvesting beschikt. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze verplichting gelezen dient te worden in de context van het in die uitspraak opgedragen onderzoek naar huisvesting in het kader van Housing First. Nu dit onderzoek, ook na de poging van het college na de zitting, niet heeft geleid tot het realiseren van passende huisvesting in het traject Housing First, waarbij dit te wijten is aan, kort gezegd, het gedrag van eiser over meerdere jaren, ziet de voorzieningenrechter geen grond meer om de verplichting tot betaling van huisvestingskosten voort te laten duren, zonder dat concreet zicht bestaat op de totstandkoming van een doeltreffende en passende voorziening voor eiser binnen een redelijke termijn.
Beëindiging van de begeleiding
13. Als bijlage bij de brief van het college van 18 juni 2026 is gevoegd een brief van D’elfant Assist van 11 juni 2026. In dit schrijven geeft D’elfant Assist aan de ambulante begeleiding vanuit de Wmo van eiser te beëindigen, kort gezegd omdat het voor de medewerkers door de wijze van communiceren van eiser niet langer mogelijk is om de begeleiding op een veilige, professionele en constructieve manier uit te voeren.
De voorzieningenrechter merkt over het beëindigen van de begeleiding op dat dit geen onderdeel uitmaakt van het hier bestreden besluit. In de beslissing op bezwaar van
21 april 2026 is opgemerkt dat, mocht er aanleiding zijn om de indicatie individuele begeleiding in te trekken, hierover aparte besluitvorming zal plaatsvinden.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de indicatie beschermd wonen ende maatwerkvoorziening Housing First en de afwijzing van de indicatie verhuizing naar een aangepaste woning in stand blijven. Ook de beëindiging van de betaling van de overnachtingskosten per 13 juli 2026 blijft in stand. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026. .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

3.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.