ECLI:NL:RBLIM:2026:7352

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
03.340196.23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereiden productie MDMA en amfetamine met grondstoffen

Op 23 december 2023 werd verdachte op heterdaad betrapt in Roermond bij het laden van dozen met PMK- en BMK-glycidezuur, grondstoffen voor MDMA en amfetamine, in zijn bestelbus. De dozen kwamen uit de woning van medeverdachte. De rechtbank oordeelde dat verdachte wetenschap had van de inhoud en bestemming van de dozen en dat sprake was van medeplegen.

De verdediging voerde een vormverzuimverweer aan wegens inzet van een burgerinformant en ontkende wetenschap van de inhoud, maar dit werd verworpen. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte samen met medeverdachte de voorbereidingen voor de productie van synthetische drugs had bevorderd.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 15 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een geldboete van €10.000. De straf werd gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte had een strafblad en verkeerde in proeftijd bij het plegen van het feit, wat strafverzwarend werd meegewogen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en een boete van €10.000 voor medeplegen van voorbereiden productie MDMA en amfetamine.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.340196.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1984,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.J.J.G. Stevens-Waltmans, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [naam medeverdachte] met het parketnummer 03.340194.23.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
op 23 december 2023 in Roermond tezamen en in vereniging de productie van MDMA en/of amfetamine heeft voorbereid/bevorderd door stoffen die daartoe bestemd zijn voorhanden te hebben.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte en zijn medeverdachte de rol van uitvoerder hebben bekleed en de (pre)pre-cursoren opgeslagen hebben met als doel grootschalige harddrugproductie.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Strafvordering (Sv), omdat er een burgerinformant is ingezet in het vooronderzoek. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte geen wetenschap had van wat zich in de dozen bevond en er daarom geen sprake kan zijn van opzet op het delict.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen [1]
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 23 december 2023 vermeldt: [2]
Op zaterdag 23 december 2023, omstreeks 16.05 uur, zijn wij, verbalisanten [naam verbalisant 1] ,
[naam verbalisant 2] , [naam verbalisant 3] en [naam verbalisant 4] , aangestuurd naar de [adres 2] om
op onderzoek uit de gaan wat er zich op dat moment afspeelde. Omstreeks 16.15 uur, waren wij ter plaatse en zagen wij een grijs busje met kenteken [nummer kenteken] op de oprit. Ik, [naam verbalisant 1] , liep in de richting van de voordeur. Ik, [naam verbalisant 1] , zag een manspersoon een grote doos in het busje laden. Ik zag dat deze man geholpen werd door verschillende kinderen. Ik, [naam verbalisant 1] , vroeg naar de bewoner van het pand. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat er een vrouw naar de voordeur liep. Ik, [naam verbalisant 1] , hoorde deze vrouw zeggen dat zij de eigenaar was van de woning. Ik hoorde de vrouw zeggen dat zij dit pand net had gekocht en aan het verhuizen waren. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat de collega's, [naam verbalisant 4] , [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] ook waren aangesloten. Ik, verbalisant [naam verbalisant 3] , stond buiten de woning samen collega, [naam verbalisant 4] . Ik zag dat er een grijze bestelbus op de oprit stond. Ik zag dat de achterdeuren van de bestelbus openstonden. Ik zag dat er in de bestelbus een hoop dozen opgestapeld stonden. Ik zag dat de dozen bruin van kleur waren. Ik schat dat er ongeveer 50 dozen in de bestelbus stonden. Wij, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , zijn het gesprek aangegaan met de eigenaar van de woning. Ik, [naam verbalisant 1] , vroeg aan de vrouw of wij even naar binnen mochten komen om uit te leggen wat wij kwamen doen. Ik hoorde de vrouw zeggen dat wij naar binnen mochten komen. Ik, [naam verbalisant 1] , deelde de vrouw mede dat wij het vermoeden hadden dat er in dit pand een hennepplantage zou zitten. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat de vrouw geschokt reageerde en zei dat er geen hennepplantage zou zijn. Ik, [naam verbalisant 1] , hoorde de vrouw zeggen dat wij in het pand mochten kijken. Ik hoorde de vrouw zeggen dat zij deze woning had gekocht en nog aan het verhuizen waren. Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , zagen dat er in de woning vier kinderen waren van de leeftijd van 19, 15, 13 en 7 jaar oud.
Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , stonden op dat moment in de woonkamer. Wij
zagen verschillende dozen liggen. Ik, [naam verbalisant 2] , vroeg aan de vrouw wat deze dozen
waren. Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , hoorden de vrouw zeggen dat dit de
verhuisdozen waren. Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , zagen dat de dozen waar
de vrouw naar refereerde als verhuisdozen, bestonden uit meerdere kartonnen dozen van ongeveer 70 centimeter lang, 40 centimeter breed en 15 centimeter hoog. Wij zagen dat
deze dozen met doorzichtige tape dichtgeplakt waren. Wij zagen dat het ongeveer
vijftien dozen betroffen en alle vijftien ongeveer dezelfde afmetingen hadden. Wij
zagen dat er op elke doos de letters "PMK" geschreven stond. Ik, [naam verbalisant 2] ,
confronteerde de vrouw ermee dat de dozen die zij aangaf te zijn, verhuisdozen, niet
leken op verhuisdozen. Ik, [naam verbalisant 2] , vroeg of de vrouw een doos voor ons wilde
openmaken. Ik, [naam verbalisant 2] hoorde de vrouw zeggen dat dit wel kon. Ik, [naam verbalisant 2] , zag dat de
vrouw een klein mesje pakte en een klein hoekje van een doos opensneed. Ik, [naam verbalisant 2] ,
kon op deze manier, op geen enkele mogelijkheid de inhoud van de doos zien. Ik,
[naam verbalisant 2] , heb het hoekje van de doos verder opengemaakt zodat ik zicht had op de
inhoud van de doos. Wij, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , zagen dat er in de doos een grijze
verpakking zat. Wij zagen dat de vrouw met het mesje ook deze grijze verpakking
openmaakte. Wij zagen dat er in de grijze verpakking een witte substantie zat. Ik,
[naam verbalisant 1] , voelde aan deze witte substantie en voelde dat het een harde substantie
betrof. Ik, [naam verbalisant 1] , vroeg aan de vrouw wat de substantie betrof. Ik hoorde de vrouw zeggen
dat ze het niet wist. Ik, [naam verbalisant 1] , deelde de vrouw mede dat ik dat raar vond
aangezien dit haar verhuisdozen waren. Ik hoorde de vrouw zeggen dat de dozen van een
vriend waren en dat ze die daar even neer moest zetten. Ik, [naam verbalisant 1] , vroeg aan de vrouw
welke vriend dit zou zijn dan. Ik hoorde de vrouw zeggen dat dit niks uitmaakte.
Ik, [naam verbalisant 2] , deelde aan iedereen mede die aanwezig waren in de woning dat zij
aangemerkt werden als verdachte en niet meer tot antwoorden verplicht waren. Ik,
[naam verbalisant 2] , deelde de vrouw mede dat zij verdacht werd van het voorhanden hebben van
vermoedelijk synthetische drugs. In overleg met onze operationeel coördinator
werd de vrouw, de nu te noemen verdachte, [naam medeverdachte] , en de man, de nu te noemen verdachte, [verdachte] , aangehouden.
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 23 december 2023 vermeldt: [3]
Op zaterdag 23 december 2023, omstreeks 16.10 uur, hoorden wij portofonisch, dat de
eenheden van het gebied 1500 (Basisteam Roermond), in de richting van de [adres 2]
in Roermond reden. Dit in verband met een
drugsonderzoek. Vervolgens reden wij door naar het adres waar de andere eenheden heen
gingen. Vervolgens liepen wij met hen mee naar de woning. Wij zagen op de oprit een
grote bestelauto staan met de achterdeuren open. Wij zagen dat in het voertuig
meerdere dozen stonden met daarop de afdruk "PMK".
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 24 december 2023 vermeldt: [4]
Op zaterdag 23 december 2023, omstreeks 16:45 uur werd ik door J. Geraedts, inspecteur van politie en werkzaam bij basisteam Roermond Eenheid Limburg,geïnformeerd dat in een busje en een nabijgelegen woning een grote partij kartonnen dozen waren aangetroffen. Locatie woning betrof de Tiny Verlinden Bremmersstraat 11 en het voertuig was van het merk “Iveco” met Nederlands kenteken “ [nummer kenteken] ”. Het vermoeden bestond dat deze dozen pre-precursoren bevatte welke kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging van synthetische drugs. In overleg met de melder heb ik deze partij laten afvoeren door Service en ondersteuning Nederland (SEON) naar een justitiële opslagplaats ten behoeve van nader onderzoek op een later tijdstip. Op zondag 24 december 2023 werden de inhoud van de dozen nader onderzocht in de justitiële opslagplaats.
Er werden in totaal 116 kartonnen dozen aangetroffen waarvan:
- 55 dozen met daarin een vezelversterkte zak en/of een zilverkleurige zak met daarin
een dubbele plastic zak met wit poeder. FD-ethylester van PMK-glycidezuur. Acht
willekeurige poeders bemonsterd: Rl-A, Rl-B, Rl-C, RI D. Rl-J, Rl-L, Rl-M en RI-N, Totaal 1375 kilogram.
SIN bij LFO-code:
AAQX8545NL: Rl-A
AAQX9147NL: Rl-B
AAQX9148NL: Rl-C
AAQX9149NL: R1 -D
AAQX9241NL: Rl-J
AAQX9243NL: Rl-L
AAQX9244NL: Rl-M
AAQX9245NL: Rl-N
- 61 dozen met daarin een vezelversterkte zak en/of een zilverkleurige zak met daarin een dubbele plastic zak met wit poeder. FD-BMK-glycidezuur. Acht willekeurige poeders werden bemonsterd: Rl-E, R1-F, Rl-G, Rl-H, Rl-I, Rl-K, Rl-O en Rl-P. Totaal 1525 kilogram.
SIN bij LFO-code:
AAQX9150NL: Rl-E
AAQX9151NL: Rl-F
AAQX9152NL: R1 -G
AAQX9I53NL: Rl-H
AAQX9154NL: R1 -I
AAQX9242NL: Rl-K
AAQX9246NL: Rl-O
AAQX9247NL: Rl-P
Het
rapport van het Douane Laboratoriumvermeldt: [5]
Het materiaal van alle ondervermelde SIN-nummers werd onderzocht met behulp van minstens twee van de onderstaande technieken:
A. Ramanspectroscopie (RAMAN-ORG2, Q’)
B. Fourier transform infraroodspectroscopie (IRALG, Q’)
De resultaten van het onderzoek zijn als volgt samengevat:
SIN-Nummer en bevonden stof:
AAQX8545NL PMK-glycidezuur
AAQX9147NL PMK-glycidezuur
AAQX9148NL PMK-glycidezuur
AAQX9149NL PMK-glycidezuur
AAQX9241NL PMK-glycidezuur
AAQX9243NL PMK-glycidezuur
AAQX9244NL PMK-glycidezuur
AAQX9245NL PMK-glycidezuur
AAQX9150NL BMK-glycidezuur
AAQX9151NL BMK-glycidezuur
AAQX9152NL BMK-glycidezuur
AAQX9I53NL BMK-glycidezuur
AAQX9154NL BMK-glycidezuur
AAQX9242NL BMK-glycidezuur
AAQX9246NL BMK-glycidezuur
AAQX9247NL BMK-glycidezuur
Vormverzuimverweer
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er sprake is van overtreding van artikel 359a Sv en dit vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting en dat vervolgens, wegens onvoldoende bewijs, vrijspraak moet te volgen. De rechtbank stelt voorop dat het betoog van de raadsvrouw niet kan gelden als een beroep op de schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, waarin duidelijk en gemotiveerd, aan de hand van de in het tweede lid genoemde factoren, wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Het gevoerde verweer houdt immers slechts in dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden, maar over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel is niets aangevoerd. De rechtbank verwerpt het verweer reeds daarom.
Bewijsoverweging
Op 23 december 2023 is de verdachte op heterdaad betrapt toen hij, met hulp van de kinderen van de medeverdachte en de medeverdachte zelf, dozen van de woning gelegen op de [adres 2] in een Iveco bestelbus laadde. Een deel van de dozen bevond zich nog in de woning, die eigendom is van de medeverdachte, en een deel werd aangetroffen in de bus van de verdachte. De inhoud van de dozen bleek PMK-glycidezuur en BMK-glycidezuur te zijn. Dit zijn grondstoffen voor de productie van MDMA en amfetamine. Op de dozen in de bus stond het opschrift ‘pmk’ vermeld.
Er is sprake van ‘voorhanden hebben’ zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet als verdachte de wetenschap -van de inhoud van de pakketten en waarvoor die bestemd was- en de beschikkingsmacht over de aangetroffen stoffen had. Wat de beschikkingsmacht betreft dient deze vraag zonder meer bevestigend te worden beantwoord. De verdachte had ongeveer reeds 50 dozen in zijn bus geladen. Hij kon dus beschikken over de inhoud van die dozen.
Dan de vraag of de verdachte wetenschap had van de inhoud van die dozen en de bestemming daarvan. Op de dozen die de verdachte in zijn bus had geladen stond het opschrift ‘pmk’ vermeld. Dat de verdachte dit opschrift niet gezien heeft bij het inladen, zoals hij zelf verklaard heeft, is niet geloofwaardig. Dit opschrift stond immers prominent op die dozen vermeld. Het is, naar het oordeel van de rechtbank, een feit van algemene bekendheid dat ‘pmk’, met name in hoeveelheden zoals in de bus van de verdachte aangetroffen, gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank heeft hierbij gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat in de regel een gegeven dat aan een internetbron is ontleend van algemene bekendheid is indien dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is (vgl. ECLI:NL:HR:2020:216). Dit is hier aan de orde. De rechtbank wordt hierin -aldus wetenschap bij de verdachte van de inhoud en bestemming van de dozen in zijn bus- gesterkt door het feit dat de verdachte wisselend heeft verklaard over het voorval. Bij de politie verklaarde de verdachte dat hij de medeverdachte moest helpen met verhuizen en dat de bestemming niet bekend was. Tijdens de terechtzitting verklaarde de verdachte ineens dat dit verhuisspullen waren van de medeverdachte, dat hij haar moest helpen en dat de spullen naar een opslagplaats moesten worden gebracht. Hier komt bij dat het ‘verhuisverhaal’ van de verdachte bijzonder ongeloofwaardig is. Uit het dossier volgt immers dat alle dozen hetzelfde formaat hadden, stevig verpakt waren, afmetingen hadden van 70 centimeter lang, 40 centimeter breed en 15 centimeter hoog, waarbij de politie opmerkte dat dit geen gebruikelijke afmetingen zijn voor verhuisdozen. Daarbij varieerden de dozen niet in gewicht, zoals verhuisdozen dat doorgaans wel doen.
Dit allemaal bij elkaar brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de dozen in zijn bus en de bestemming ervan.
Medeplegen
De vraag die vervolgens rijst is of de verdachte dit feit samen met een ander -te weten medeverdachte- heeft gepleegd. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat van de voorraad dozen met daarin BMK en PMK, ongeveer 50 dozen zich in de bus van de verdachte bevonden. Deze dozen kwamen uit de woning van de medeverdachte. De medeverdachte, als eigenaar van de woning, kan verantwoordelijk worden gehouden voor hetgeen zich in haar woning bevond: alle dozen dus, inclusief het deel dat in de bus werd aangetroffen. Dat deel was immers afkomstig uit haar woning. De verdachte is echter enkel verantwoordelijk voor de dozen die in zijn bus werden aangetroffen. Voor dit deel geldt dat de verdachte en de medeverdachte dit samen hebben gepleegd, nu zij samen de betreffende dozen in de bus van de verdachte hebben geladen.
Conclusie
Het aan de verdachte tenlastegelegde dient wettig en overtuigend bewezen te worden geacht, met dien verstande dat de verdachte enkel verantwoordelijk wordt gehouden voor hetgeen in zijn bus is aangetroffen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 23 december 2023 te Roermond tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten:
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren; en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van (met)amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- een (grote) hoeveelheid (ethylester van) PMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in piperonylmethylketon (PMK) en/of de (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; en/of
- een (grote) hoeveelheid BMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in benzylmethylketon (BMK) en/of (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van (met)amfetamine, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
zijnde een stof, waarvan hij, verdachte en zijn mededader, wist(en) of ernstige reden hadden om te vermoeden dat die stoffen bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden en een geldboete van 30.000,- euro.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaat verweer gevoerd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een zeer grote hoeveelheid PMK en BMK, belangrijke grondstoffen voor het produceren van onder andere MDMA en amfetamine. Hiermee hadden vele miljoenen MDMA-pillen en honderden kilo’s amfetaminepasta geproduceerd kunnen worden. Het gaat om voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen die bij wet verboden zijn. Los van de gevaren die gepaard gaan met het voorhanden hebben en bereiden van dergelijke materialen, is het algemeen bekend dat de bewerking, vervaardiging en het gebruik van deze synthetische drugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormen en kunnen leiden tot een verslaving aan het gebruik daarvan. Verslaafden plegen vaak vermogensdelicten om in hun gebruik te kunnen voorzien. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de ondermijnende criminaliteit die gepaard gaat met de georganiseerde drugshandel. Door zijn eigen belang voorop te stellen heeft verdachte geen oog gehad voor de nadelige gevolgen die zijn handelen heeft voortgebracht voor de samenleving. De rechtbank kan dan ook niet volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende sanctie.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 1 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. De verdachte bevond zich
nota benein de proeftijd in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling bij het plegen van dit feit. De conclusie is daarom alleszins terecht dat de verdachte niets geleerd lijkt te hebben van zijn periode in detentie. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de strafmaat. Daar komt bij -en dit werkt ook strafverzwarend- dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. In plaats daarvan heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd, om op die manier de politie maar ook de rechtbank op het verkeerde been te zetten.
De straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 17 maanden waarvan
3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een geldboete van 10.000,- euro passend. De rechtbank houdt in haar strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, zoals hiervoor overwogen, maar ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om een kortere vrijheidsstraf op te leggen. De redelijke termijn is met ongeveer 6 maanden overschreden en de verdachte zal daarom een strafkorting van 2 maanden krijgen. Alles overwegende legt de rechtbank aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een geldboete van 10.000,- euro.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en 10a van de Opiumwet.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
  • veroordeelt de verdachte tot
  • beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. K. Bruns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Hartgerink, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 juli 2026.
Buiten staat
Mr. D. Osmić is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 23 december 2023 te Roermond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten:
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren; en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van (met)amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- 1.375 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid (ethylester van) PMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in piperonylmethylketon (PMK) en/of de (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; en/of
- 1.525 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid BMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in benzylmethylketon (BMK) en/of (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van (met)amfetamine, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
zijnde een voorwerp en/of stof, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat die stof(fen) bestemd was/waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2330-2023188851, gesloten op 1 september 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 332.
2.Proces-verbaal van bevindingen van 23-12-2023, pagina 25 t/m 27.
3.Proces-verbaal van bevindingen van 23-12-2023, pagina 19 t/m 21.
4.Proces-verbaal van bevindingen van 24-12-2023, pagina 165 t/m 167.
5.Rapport Douane Laboratorium van 12-03-2024, pagina 209 t/m 211.