ECLI:NL:RBLIM:2026:7504

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
: 03.084475.25, 03.037888.26, 03.251875.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging en poging tot inbraak bij coffeeshop

De rechtbank Limburg heeft op 8 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd verdacht van openlijke geweldpleging met letsel, poging tot inbraak bij een coffeeshop en het voorhanden hebben van een schietpen.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte samen met anderen op 17 maart 2025 heeft geprobeerd in te breken bij een coffeeshop in Maastricht en op 15 juni 2025 openlijk geweld heeft gepleegd tegen het slachtoffer, waarbij letsel is ontstaan. De verdachte en zijn vader sloegen het slachtoffer met knuppels, ook nadat deze op de grond lag. De rechtbank verwierp het beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces omdat de verdachte en zijn vader de confrontatie opzochten nadat het schieten was gestopt.

Voor het bezit van de schietpen op 25 september 2025 sprak de rechtbank de verdachte vrij, omdat niet bewezen kon worden dat hij zich bewust was van het wapenkarakter van het voorwerp. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 55 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. Tevens werd een schadevergoeding van €1.240,41 aan de benadeelde partij toegekend, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke werkstraf werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 55 voorwaardelijk en vrijgesproken van bezit schietpen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03.084475.25, 03.037888.26, 03.251875.25 (ttz.gev.)
Parketnummer : 03.331274.22 (tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboortegegevens] 2007 ,
wonende te [adresgegevens] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat te Heerlen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De benadeelde partij [benadeelde partij] (parketnummer 03.084475.25) is niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
In de zaak met parketnummer 03.084475.25
op 17 maart 2025 in Maastricht samen met anderen heeft geprobeerd in te breken bij Coffeeshop [naam coffeeshop] .
In de zaak met parketnummer 03.037888.26
op 15 juni 2025 in Maastricht openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] waardoor deze letsel heeft opgelopen.
In de zaak met parketnummer 03.251875.25
op 25 september 2025 in Maastricht in verenging een schietpen en een patroon van het kaliber .22 long rifle voorhanden heeft gehad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
In de zaak met parketnummer 03.084475.25
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen aan de poging tot inbraak in de Coffeeshop [naam coffeeshop] , gelet op de camerabeelden, de aangifte en de bevindingen van de politie ter plaatse. De verdachte kan worden aangemerkt als medepleger nu er voldoende nauwe en bewuste samenwerking was tussen de verdachte en zijn mededaders.
In de zaak met parketnummer 03.037888.26
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Er zijn drie onafhankelijke getuigen die direct na het incident door de politie zijn verhoord en hebben verklaard dat de verdachte en zijn vader na het schietincident op aangever aflopen en hem meermaals met knuppels slaan, ook nadat aangever reeds op de grond ligt.
In de zaak met parketnummer 03.251875.25
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde voorhanden hebben van een schietpen, met dien verstande dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het medeplegen. Op basis van een concrete TCI-melding wordt een onderzoek gestart, waarna in de brievenbus van de flat waar de verdachte op dat moment verblijft een schietpen met daarop het DNA-profiel van de verdachte wordt aangetroffen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
In de zaak met parketnummer 03.084475.25
De verdediging heeft zich, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot inbraak.
In de zaak met parketnummer 03.037888.26
Ten aanzien van de openlijke geweldpleging heeft de verdediging verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn vader.
In de zaak met parketnummer 03.251875.25
De verdediging heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het voorhanden hebben van een schietpen, nu bij de verdachte de bewustheid dat het om een wapen ging ontbrak. De verdachte dacht dat het een (laser)pen was.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in de zaak met parketnummer 03.251875.25 dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een schietpen en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie vereist is dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Hieruit volgt ook dat de verdachte zich min of meer bewust moet zijn geweest van de mogelijkheid dat de schietpen mogelijk een wapen was in de zin van de Wet wapens en munitie (WWM) was. De verdachte verbleef op 25 september 2025 in de woning van zijn vader. In de brievenbus van die woning is de schietpen met daarin het patroon aangetroffen. De verdachte had een sleutel van de brievenbus en heeft ook ter zitting verklaard dat hij wist dat het voorwerp dat later een ‘schietpen’ bleek te zijn, daar lag en hij het heeft aangeraakt door deze een keer op te pakken en weer terug te leggen. De verdachte heeft echter ontkend dat hij wist dat het voorwerp dat eruit zag als een pen in werkelijkheid een vuurwapen was in de zin van de WWM. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat het een gewone pen was. De rechtbank acht dit verweer van de verdachte niet op voorhand onaannemelijk, nu het inderdaad gaat om een vuurwapen met het uiterlijk van een ander voorwerp, namelijk een gewone pen. In het dossier bevindt zich ook een foto van de schietpen en een proces-verbaal bevindingen waaruit blijkt dat dit vuurwapen het uiterlijk van een pen had. Dit ondersteunt derhalve de verklaring van de verdachte terwijl het dossier verder geen aanknopingspunten biedt voor de wetenschap van de verdachte dat het om een vuurwapen ging.
De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de verdachte weliswaar enige tijd feitelijk over het wapen en de bijbehorende munitie heeft kunnen beschikken, maar dat op grond van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat verdachte het vuurwapen en die munitie
bewustaanwezig heeft gehad. Daarom is niet bewezen dat de verdachte de schietpen en het patroon voorhanden heeft gehad, zodat hij van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.
In de zaak met parketnummer 03.084475.25 [1]
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 17 maart 2025 samen met anderen heeft geprobeerd in te breken bij Coffeeshop [naam coffeeshop] in Maastricht. Omdat de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 24 juni 2026;
  • de aangifte door [benadeelde partij] ;
- het proces-verbaal van bevindingen, waarin de camerabeelden van de ingang van de coffeeshop worden beschreven; [3]
- het proces-verbaal van bevindingen, waarin de camerabeelden in het trappenhuis worden beschreven. [4]
In de zaak met parketnummer 03.037888.26 [5]
Bewijsmiddelenoverzicht
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] van 16 juni 2025, voor zover van belang, zakelijk weergegeven: [6]
V: U wordt gehoord ter zake zware mishandeling op zondag 15 juni 2025 op de [pleegadres] in Maastricht. Wat wilt u daarover verklaren?
[vader verdachte]
(de rechtbank begrijpt: de vader van de verdachte)belt mij en zei "wat ben je allemaal aan het vertellen, ik kom eraan". Ik had het gevoel dat hij niet alleen zou komen. En nou was ie met zijn zoontje [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: de verdachte). Met de auto.
Voordat [vader verdachte] kwam, had ik mijn honkbalknuppel al in mijn eigen tuin gezet. Ik zag [vader verdachte] uitstappen. Ik zag dat hij een aluminium knuppel in zijn handen had. Het begon eerst met wat duwen en trekken. Ik heb toen klappen gekregen van [vader verdachte] en [verdachte] . Ze hebben me toen de knuppel afgepakt. Ik ben toen het huis binnen gerend. Ik heb de luchtbuks gepakt en afgevuurd. Ik stond bij mij voor de deur. [vader verdachte] liep naar de auto. [verdachte] stond achter mij. Toen sloeg [verdachte] me op het hoofd. Ik viel. Ik was uitgeschakeld. [vader verdachte] pakte de luchtbuks.
V: U verklaarde aan de verbalisanten dat [verdachte] u met een knuppel zou hebben
geslagen. Klopt dat?
A: Ja, met mijn eigen knuppel. Op mijn hoofd en op mijn gezicht.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 15 juni 2025, voor zover van belang, zakelijk weergegeven: [7]
De getuige verklaarde:
Op zondag 15 juni 2025, omstreeks 17.45 uur, was ik aanwezig op de [pleegadres] . [slachtoffer] zat bij mij in de voortuin. Plots zag ik dat een witte personenauto stopte aan de zijde van de Leenhofruwe. Ik zag [vader verdachte] uitstappen. Ik zag [vader verdachte] richting onze kant lopen. Ik zag dat [slachtoffer] richting zijn eigen woning terug liep. Ikzag dat [vader verdachte] en [slachtoffer] neus tegen neus tegen elkaar aan stonden. Ik zag dat [vader verdachte] begon met duwen, [vader verdachte] duwde met twee handen tegen de borstkast van [slachtoffer] .
Ik zag dat [slachtoffer] dezelfde beweging terug maakte richting [vader verdachte] . Ik zag plots een knuppel. Vervolgens zag ik dat er een tweede knuppel werd opgeraapt door [vader verdachte] vanaf het plein. Ik zag ook de zoon van [vader verdachte] . Ik zag dat er een gevecht ontstond met knuppels. Ik zag dat de knuppels elkaar raakten. Ik zag dat [vader verdachte] [slachtoffer] op zijn rug sloeg met zijn knuppel. [vader verdachte] liep weg, richting zijn auto. Ik zag [slachtoffer] zijn woning in rennen en een luchtbuks halen. Ik hoorde dat er drie keer werd 'geschoten' richting [vader verdachte] . Ik zag hierna dat de zoon van [vader verdachte] erbij kwam. Beide mannen van [vader verdachte] liepen met knuppels in hun handen op [slachtoffer] af. Ik zag dat beide mannen van [vader verdachte] op [slachtoffer] begonnen te gaan. Ik zag dat [slachtoffer] op zijn rug, neus, arm en achterhoofd werd geslagen. Ik zag toen dat [slachtoffer] op de grond viel. Ik zag de heren [vader verdachte] hierna meermaals op de rug en het hoofd van [slachtoffer] slaan.
De verklaring van getuige [getuige 1] ter terechtzitting van 24 juni 2026, voor zover van belang:
Ik heb bij de politie verteld wat ik toen gezien heb. De verdachte en zijn vader zijn teruggelopen naar de auto. Ze hadden allebei een knuppel in de hand. [slachtoffer] is toen naar binnen gegaan, heeft de luchtbuks gepakt en is gaan schieten. Toen zijn zowel de verdachte als zijn vader, die tijdens het schieten nog bij de auto stonden, teruggegaan naar [slachtoffer] en hebben allebei met knuppels op hem ingeslagen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 15 juni 2025, voor zover van belang, zakelijk weergegeven: [8]
Ik was aan het koken omstreeks 17:45 uur op zondag 15 juni 2025 en ik liep vervolgens naar de voordeur dit om te kijken waar mijn dochter was . Ik woon zelf op de [adres getuige 2] . Ik zag uit het niets dat een man met een knuppel en een geel shirt in de richting van mijn buurman [slachtoffer] liep. Ik wist dat de man met een knuppel in zijn handen en een geel shirt aan [vader verdachte] heette en dat zijn zoon [verdachte] is. [verdachte] was ook ter plaatse. Ik zag dat ze in gevecht kwamen en probeerden de knuppel te pakken. Dit
was vooral trekken en duwen. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer] naar [vader verdachte] toe liep maar ik hoorde alleen maar dat ze tegen elkaar aan het schreeuwen waren. Uit het niets zag ik dat er nog een tweede knuppel in het spel was. Waar deze vandaan kwam wist ik niet. Vervolgens zag ik dat [vader verdachte] [slachtoffer] sloeg met de knuppel. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer] zijn woning in liep en ik zag dat hij een pistool in zijn handen had. Ik zag dat [slachtoffer] begon te schieten in de richting van [vader verdachte] en [verdachte] met de luchtbuks. Op het moment dat [slachtoffer] schoot hadden zowel [vader verdachte] en [verdachte] de knuppels in hun handen. Vervolgens zag ik dat [verdachte] zijn knuppel losliet en naar [slachtoffer] liep en probeerde de luchtbuks af te pakken. Dit probeerde hij duwend en trekkend. Vervolgens zag ik dat [vader verdachte] met de twee knuppels ook naar [slachtoffer] liep en gingen [verdachte] en [vader verdachte] op [slachtoffer] in slaan. Ik zag dat [slachtoffer] op de grond viel. Ik
zag dat ze op zijn rug en hoofd sloegen.
De verklaring van getuige [getuige 2] ter terechtzitting van 24 juni 2026, voor zover van belang:
Op het moment dat [slachtoffer] met de luchtbuks schoot, stonden [vader verdachte] en [verdachte] bij de auto. Daarna zijn ze op hem afgelopen met de knuppels.
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 16 juni 2025, voor zover van belang: [9]
Ik was gisteren tussen 18:00 uur en 18:30 uur schat ik boven aan de achterzijde van
mijn woning in een slaapkamer toen ik een harde knal hoorde. Wel zag ik ter hoogte van nummer [huisnummer] de bewoner van dat pand op het trottoir ongeveer voor dit pand op de grond liggen. Hij was aan het gillen. Ik zag dat twee mannen met honkbalknuppels op hem aan het inslaan waren. Ik zag dat ze de bewoner die geslagen werd met die knuppels sloegen waar ze hem maar konden raken.
De forensisch medische letselrapportage betreffende [slachtoffer] van 6 augustus 2025, voor zover van belang: [10]
Betrokkene is op 15 juni 2025 beoordeeld op de SEH.
Er is sprake van schaafverwondingen van het gelaat, romp, armen, benen en handen, bloeduitstortingen van het linker oor, romp en rechter hand, krasverwondingen van de hals, linker arm en rechter been en roodheid van de buik en rug. Daarnaast is er sprake van een
gebroken botje van de voorzijde van de uitwendige gehoorgang met mogelijke gehoorschade.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op basis van de gebruikte bewijsmiddelen het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat van het in vereniging plegen van geweld sprake is, indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. Beoordeeld moet worden of de door de verdachte geleverde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 15 juni 2025 samen met zijn vader naar het huis van het slachtoffer is gereden en dat zich aldaar een ruzie tussen in eerste instantie de vader van de verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld. Op enig moment is het slachtoffer terug zijn woning in gelopen om een luchtbuks te pakken waarmee hij op de vader van de verdachte heeft geschoten. De vader en de verdachte bevinden zich op dat moment bij hun auto. De verdachte en zijn vader zijn vervolgens teruggelopen naar het slachtoffer en hebben hem beiden met knuppels meermaals tegen het hoofd en het lichaam geslagen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aan het openlijk geweld tegen [slachtoffer] een significante bijdrage heeft geleverd. De rechtbank acht daarom de tenlastegelegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de onafhankelijke getuigenverklaringen. Zij hebben direct na afloop bij de politie hun verklaringen afgelegd en getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben hun verklaringen ter terechtzitting bevestigd.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:
In de zaak met parketnummer 03.084475.25
op 17 maart 2025 te Maastricht tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om enige goederen van hun gading die aan Coffeeshop [naam coffeeshop] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak,
- naar de Coffeeshop [naam coffeeshop] gelegen aan de [adres coffeeshop] is gegaan, en
- ( vervolgens) één of meerdere ruit(en) heeft gebroken, en
- ( vervolgens) het voornoemde pand heeft betreden, en
- ( vervolgens) met een koevoet de toegangsdeur heeft geforceerd, teneinde de deur te kunnen openen en zich de toegang tot de voornoemde Coffeeshop te verschaffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
In de zaak met parketnummer 03.037888.26
op 15 juni 2025 te Maastricht op/aan de [pleegadres] openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- meermaals, met een knuppel, tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het beroep op (putatief) noodweer(exces) (03.037888.26)
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 03.037888.26 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich met succes kan beroepen op (putatief) noodweer, dan wel (putatief) noodweerexces. Omdat het slachtoffer met een luchtbuks op zijn vader schoot, verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat er sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanval op zijn vader, waartegen de verdachte verdedigend mocht optreden. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging, dan zou hem een succesvol beroep op noodweerexces toe moeten komen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 03.037888.26 strafbaar is en geconcludeerd tot verwerping van het beroep op (putatief) noodweer(exces). Op het moment dat de openlijke geweldpleging met een knuppel door de verdachte en zijn vader plaatsvond, was geen sprake meer van een noodweersituatie. Derhalve faalt ook het beroep op noodweerexces.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is onder meer vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat deze bovendien noodzakelijk is. Hiervan is blijkens de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen sprake. Uit de afzonderlijke verklaringen van de getuigen volgt dat de verdachte en zijn vader op het moment dat het slachtoffer met een luchtbuks op de vader van de verdachte schoot, op enige afstand van het slachtoffer bij hun auto stonden. Alhoewel op dat moment vanwege het schieten sprake was van een onmiddellijk wederrechtelijke aanranding van de vader van de verdachte, was daarvan ten tijde van het slaan door verdachte en zijn vader geen sprake meer en bestond er derhalve op dat moment ook geen noodzaak tot verdediging meer. Immers, pas nadat het slachtoffer was opgehouden met schieten, zijn de verdachte en zijn vader met de knuppels teruggelopen naar het slachtoffer, waar ze hem de luchtbuks afhandig hebben gemaakt en de verdachte meermalen met de knuppels hebben geslagen, ook nadat het slachtoffer op de grond was beland en geen luchtbuks meer in zijn handen had. Naar het oordeel van de rechtbank was op dat moment dan ook geen sprake meer van een noodweersituatie, zodat een beroep op noodweer alleen op grond daarvan al niet kan slagen. Bovendien waren de verdachte en zijn vader ten tijde van de aanranding al bij de auto en hadden ze kunnen instappen en wegrijden, hetgeen een reëel alternatief was. In plaats daarvan hebben zij ervoor gekozen terug te gaan naar het slachtoffer en opnieuw de confrontatie op te zoeken. De rechtbank overweegt daarbij dat de gedraging van de verdachte op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als “verdediging”, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien. De gedragingen van verdachte en zijn vader waren steeds gericht op een confrontatie. De rechtbank weegt hierbij mee dat verdachte en zijn vader tot twee maal toe bewapend met (een) knuppel(s) zelf de confrontatie met het slachtoffer hebben opgezocht. Alleen al gelet op het voorgaande kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen, zodat de rechtbank zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces verwerpt. Daarbij komt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gedraging van verdachte het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. De inhoud van het dossier biedt ook geen aanknopingspunten voor het bestaan van een putatieve noodweersituatie: er zijn geen aanknopingspunten op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de verdachte (abusievelijk) redelijkerwijs mocht veronderstellen dat er op het moment van de ten laste gelegde gedraging nog van een noodweersituatie sprake was. Reeds daarom verwerpt de rechtbank eveneens het beroep op putatief noodweer.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat het feit strafbaar is.
Evenmin is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

5.De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
In de zaak met parketnummer 03.084475.25
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
In de zaak met parketnummer 03.037888.26
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 260 dagen waarvan 135 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de proeftijd vast te stellen op een jaar. De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het al dan niet opleggen van reclasseringstoezicht.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft bij de confrontatie tussen het slachtoffer en zijn vader een bijdrage geleverd aan het geweld richting het slachtoffer, door hem samen met zijn vader met knuppels tegen het hoofd en het lichaam te slaan. Ze zijn daarmee doorgegaan ook toen het slachtoffer op de grond lag. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Openlijke geweldpleging is een ernstig strafbaar feit dat niet alleen inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer, zijn omgeving en in de gehele samenleving veroorzaakt. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan een situatie die voor het slachtoffer bijzonder dreigend en intimiderend is geweest. Hoewel de rechtbank er oog voor heeft dat het slachtoffer even daarvoor met een buks op de vader van de verdachte had geschoten, neemt de rechtbank dat de verdachte kwalijk.
De verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak bij een coffeeshop. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer en heeft met het plegen van dit feit voor overlast gezorgd. Hij heeft enkel gedacht aan zijn eigen financiële belangen en heeft bovendien door zo te handelen schade veroorzaakt.
De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten, hetgeen de rechtbank meeweegt bij de straftoemeting.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 11 juni 2026 waaruit volgt dat het recidiverisico als gemiddeld-hoog. De reclassering is enigszins sceptisch over het adviseren van bijzondere voorwaarden. Ook schatten zij in dat een voorwaardelijke straf onvoldoende indruk op de verdachte zal maken. Het volledig loslaten van de verdachte werkt tegelijkertijd juist risico verhogend. Daarom adviseert de reclassering voorzichtig positief over het inzetten van reclasseringstoezicht.
De rechtbank houdt ten slotte, gelet op de samenhang, ook rekening met de opgelegde straf in de zaak met parketnummer 03.134532.25 bij het bepalen van de hoogte van de straf in deze zaak.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak aan de verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 55 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank overweegt hierbij dat met deze straf wordt beoogd dat de verdachte niet opnieuw de gevangenis in gaat.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] in de zaak met parketnummer 03.084475.25
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert namens Coffeeshop [naam coffeeshop] schadevergoeding tot een bedrag van € 2.640,20, bestaande uit materiële schade. Bij de poging tot inbraak op 17 maart 2025 zijn twee deuren vernield. De vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
deur 1 (gebroken glas): € 290,90;
deur 2 (volledig nieuw): € 1950,00;
extra beveiliging deur 1: € 399,30.
De benadeelde partij heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering, exclusief BTW en vermeerderd met de wettelijke rente. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij als gevolg van de poging tot inbraak rechtstreeks schade heeft geleden en dat de drie schadeposten voldoende zijn onderbouwd. De officier van justitie heeft gevorderd over het toe te wijzen bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering tot schadevergoeding is bedoeld om schade te herstellen in de oorspronkelijke situatie. Nu zij geen informatie heeft over de oorspronkelijke deur (schadepost 2), heeft zij verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk te verklaren. Voor wat betreft de extra beveiliging van deur 1 (schadepost 3) heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat deze beveiliging voor de poging tot inbraak kennelijk nog niet was aangebracht en dat de benadeelde partij ook in deze post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om de wettelijke rente te berekenen vanaf het moment dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, om de BTW van het toe te wijzen bedrag af te trekken en om de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen in verband met het geldende contactverbod met de medeverdachten.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De aan de verdachte tenlastegelegde poging tot inbraak is bewezen verklaard. De rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van dat feit schade heeft geleden.
De eerste schadepost acht de rechtbank op grond van de onderbouwing in het voegingsformulier voldoende aannemelijk gemaakt. Het gebroken glas is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en de verdachte is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk. Nu de vordering voor dit deel niet is betwist en de rechtbank - met uitzondering van de gevorderde BTW - niet onredelijk of ongegrond voorkomt, zal de rechtbank een bedrag van € 240, 41 toewijzen.
Ten aanzien van de tweede schadepost overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan deur 2 schade is toegebracht door het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten. De rechtbank zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag van € 1.000,00 toewijzen als vergoeding voor het herstellen van de deur naar de originele staat. Voor het overige zal de tweede schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de derde schadepost is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal voor deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aanhouding van de zaak voor een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.
De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2025 en zal hiervoor de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr opleggen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat de verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door (een van) de mededaders is betaald, en andersom.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van 15 mei 2023 van de kinderrechter van deze rechtbank opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie.
8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak in de zaak met parketnummer 03.251875.25 waar de tenuitvoerlegging is aangebracht, bepleit het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie uitsluitend het onder parketnummer 03.251875.25 ten laste gelegde aan de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling ten grondslag heeft gelegd. De verdachte wordt integraal vrijgesproken voor hetgeen hem onder dit parketnummer ten laste is gelegd en in zoverre is de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook niet voor toewijzing vatbaar.
De vraag is vervolgens of de vorderingen toewijsbaar zijn gelet op de veroordeling onder de gevoegde parketnummers 03.084475.25 en 03.037888.26. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Uit de geldende jurisprudentie (vgl. ECLI:NL:HR:2021:400) volgt dat de rechterlijke beoordelingsvrijheid op de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling haar begrenzing vindt in de grondslag van die vordering. De officier van justitie heeft, na de voeging ter terechtzitting van de andere zaken, niet aangegeven wijziging te willen brengen in de vordering tot tenuitvoerlegging in die zin dat deze vordering ook wordt gegrond op de zaken met de parketnummers 03.084475.25 en 03.037888.26. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

9.Het beslag

In de zaak met parketnummer 03.251875.25
De volgende inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu het bezit hiervan gelet op de aard van het wapen en munitie en/of de omstandigheden waaronder dit wapen en munitie werden aangetroffen op zichzelf strafbaar is:
- 1 STK wapen (goednummer: 1841386)
- 1 STK munitie (goednummer: 1841420).

10.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 57, 63, 141 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03.251875.25;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een
  • stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
a.
Meldplicht bij reclassering
Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij reclassering Nederland op het telefoonnummer; 088 804 1502.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Dat de veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
  • geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededaders is betaald;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] , van een bedrag van € 1.240, 41 , bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
  • bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of (een van) zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

Beslag

-
onttrekt aan het verkeerde volgende in beslag genomen voorwerpen:
  • 1 STK wapen (goednummer: 1841386) ;
  • 1 STK munitie (goednummer: 1841420).
Vordering tenuitvoerlegging
-
wijstde vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van 15 mei 2023 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 40 uren (parketnummer 03.331274.22)
af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.M. Hendriks, voorzitter, mr. dr. M.M. Koevoets en mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Lejeune, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
In de zaak met parketnummer 03.084475.25
hij, op of omstreeks 17 maart 2025 te Maastricht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om enig(e) goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Coffeeshop [naam coffeeshop] en/of [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,
- naar de Coffeeshop [naam coffeeshop] gelegen aan de [adres coffeeshop] is/zijn gegaan, en/of
- ( vervolgens) één of meerdere ruit(en) heeft/hebben gebroken/verbroken, en/of
- ( vervolgens) het voornoemde pand heeft/hebben betreden, en/of
- ( vervolgens) met een koevoet, althans een voorwerp, de toegangsdeur heeft/hebben geforceerd, teneinde de deur te kunnen openen en/of zich de toegang tot de voornoemde Coffeeshop te verschaffen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
In de zaak met parketnummer 03.251875.25
hij op of omstreeks 25 september 2025 te Maastricht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van een categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie,
te weten een schietpen, van het merk onbekend, type onbekend, kaliber .22short/long rifle
zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een
wapen, te weten een pen, althans een niet op een wapen gelijkend voorwerp,
voorhanden heeft gehad
en/of munitie van categorie III, te weten:
- 1 patroon van het kaliber .22 long rifle
voorhanden heeft gehad;
In de zaak met parketnummer 03.037888.26
hij op of omstreeks 15 juni 2025 te Maastricht
te weten, op/aan de [pleegadres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in elk geval openlijk
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- meermaals, althans eenmaal met een knuppel/stok, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of
- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025042603, gesloten op 23 mei 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 444.
2.Proces-verbaal aangifte [benadeelde partij] namens Coffeeshop [naam coffeeshop] van 17 maart 2025, p. 1.
3.Proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2025, p. 196-198.
4.Proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2025, p. 207-209.
5.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Zuid-West-Limburg , onderzoeksnummer LB3R025048, gesloten d.d. 19 september 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 188.
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] van 16 juni 2025, pg. 247-254.
7.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 15 juni 2025, pg. 230-232.
8.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 15 juni 2025, pg. 233-235.
9.Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 16 juni 2025, pg. 236-237.
10.De forensisch medische letselrapportage betreffende [slachtoffer] van 6 augustus 2025, pg. 131-146.