ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3714
Rechtbank Maastricht
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking valkeniersvergunning wegens onrechtmatige handelsbelemmering slechtvalk
Eiser, een valkenier, voerde een slechtvalk met een Duitse WAA-ring in en kreeg een vergunning met voorwaarden die het gebruik van open pootringen alleen toestonden als deze door het CBJ waren verstrekt. Verweerder verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond en handhaafde het voorschrift, verwijzend naar nationale regelgeving en overgangsperiodes.
Eiser stelde dat het besluit in strijd was met het Europese recht, met name artikel 30 van Pro het EG-verdrag, dat kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking verbiedt. De rechtbank oordeelde dat de nationale regeling een handelsbelemmering vormt omdat de Duitse WAA-ring niet werd erkend, terwijl deze voldeed aan de Duitse en Europese regelgeving ten tijde van invoer.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel niet proportioneel was en dat de bescherming van de vogelstand ook met minder ingrijpende middelen bereikt had kunnen worden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen, met vergoeding van proceskosten aan eiser.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het spoedeisend belang was komen te vervallen. De uitspraak werd gedaan door de president van de rechtbank Maastricht, mr. R.E. Bakker, op 3 november 1999.
Uitkomst: Het bestreden besluit is vernietigd wegens strijd met artikel 30 EG-verdrag en verweerder moet een nieuw besluit nemen.