ECLI:NL:RBMAA:2002:AF1504

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
4 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/005576-01
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38s SrArt. 509aa Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting maatregel plaatsing in inrichting voor opvang verslaafden

De rechtbank Maastricht heeft op 4 december 2002 uitspraak gedaan over de voortzetting van de maatregel tot plaatsing van de veroordeelde in een inrichting voor de opvang van verslaafden. Deze maatregel was eerder opgelegd bij vonnis van 29 januari 2002. De rechtbank ontving een rapport van de penitentiaire inrichting en een psychologisch advies waarin werd gesteld dat de veroordeelde vanwege psychiatrische problematiek niet in staat is het opvangprogramma succesvol af te ronden.

De psycholoog adviseerde opheffing van de maatregel, omdat het niet aan onwil maar aan capaciteiten van de veroordeelde ligt dat het programma niet kan worden afgerond. Het openbaar ministerie stelde echter dat de maatregel moet worden voortgezet. De rechtbank overwoog dat de maatregel twee hoofddoelstellingen kent: het terugdringen van ernstige overlast door drugsverslaafden en het oplossen van de individuele problematiek van de verslaafde.

Hoewel het oplossen van de individuele problematiek niet haalbaar bleek, vond de rechtbank dat de maatregel voortgezet moet worden omdat de andere doelstelling, het terugdringen van overlast, nog steeds relevant is. De rechtbank stelde dat beëindiging van de maatregel alleen mogelijk is als de kans op recidive tot een aanvaardbaar minimum is gedaald, wat hier niet het geval is. De rechtbank wees ook op het ontbreken van wettelijke mogelijkheden om de maatregel om te zetten in een andere sanctie.

Daarom werd besloten de tenuitvoerlegging van de maatregel voort te zetten.

Uitkomst: De rechtbank besluit de voortzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden.

Uitspraak

Parketnummer: 03/005576-01
Repertoirenummer: 403/02
RECHTBANK TE MAASTRICHT
BESLISSING
Gegeven naar aanleiding van het vonnis van deze rechtbank van 29 januari 2002, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat het openbaar ministerie haar binnen een bepaalde termijn bericht over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden, van:
[naam veroordeelde],
geboren te [geboortedatum/plaats],
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Utrecht, Wolvenplein 27, 3512 CK Utrecht.
De rechtbank heeft gezien:
- het op 30 oktober 2002 ter griffie van de rechtbank ingekomen bericht d.d. 28 oktober 2002 van F. Langeraar, Unit directeur SOV van de Penitentiaire Inrichting Wolvenplein te Utrecht, gericht aan de rechtbank te Maastricht, inhoudende een verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van opvang van hiervoor genoemde veroordeelde en strekkende tot opheffing van de SOV-maatregel;
- het bij opgemeld bericht gevoegde voortgangsverslag d.d. 27 oktober 2002, opgemaakt door dhr A. Bödeker, Programmamanager SOV;
- het bij opgemeld bericht gevoegde Plan van Opvang, voorlopige versie, d.d. 16 mei 2002;
- het bericht van het openbaar ministerie d.d. 20 november 2002 inzake de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel;
De rechtbank heeft gelet op het onderzoek van de zaak in raadkamer op 20 november 2002.
De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie die in raadkamer zijn standpunt als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht heeft kenbaar gemaakt, inhoudende dat de maatregel moet worden voortgezet.
De rechtbank heeft voorts als getuige-deskundige gehoord dhr. H. Onat, psycholoog, verbonden aan het Huis van Bewaring te Utrecht, Wolvenplein 27. De getuige-deskundige heeft als zijn mening kenbaar gemaakt dat de veroordeelde niet in staat is het aangeboden programma tot een goed einde te brengen. Daarbij is, aldus deze deskundige, geen sprake van onwil van de zijde van de veroordeelde maar van een tekort schieten van capaciteiten. Met name de psychiatrische problematiek, die bij veroordeelde aanwezig is, belet een succesvol afronden van het programma. De deskundige adviseert daarom de maatregel op te heffen.
De rechtbank heeft tenslotte gehoord de veroordeelde en diens raadsman.
Met betrekking tot het aangevoerde overweegt de rechtbank het navolgende:
Blijkens de Memorie van Toelichting kent de maatregel van SOV twee hoofddoelstellingen, te weten:
1. Het terugdringen van ernstige overlast als gevolg van door drugsverslaafden gepleegde strafbare feiten.
2. Het oplossen, althans beheersbaar maken, van de individuele problematiek van verslaafde delinquenten ten behoeve van hun terugkeer in de maatschappij en met het oog op beëindiging van de recidive.
Zowel deze ernstige overlast als de gevolgen van de verslaving rechtvaardigen volgens de Memorie van Toelichting de invoering van een maatregel die verslaafden gedurende een langere tijd uit de vrije maatschappij plaatst in een inrichting die specifiek bestemd is voor hun opvang. De rechtvaardiging daarvan is niet gelegen in de ernst van de begane delicten afzonderlijk maar in de door criminaliteit veroorzaakte overlast enerzijds en het belang van de drugsverslaafde bij een geïntegreerd zorgaanbod anderzijds.
Uit deze dubbele doelstelling volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, indien één doelstelling niet haalbaar blijkt te zijn - zoals in casu het oplossen van de individuele problematiek van de veroordeelde - er nog steeds alle aanleiding is om de maatregel te laten voortduren, nu aan de andere doelstelling wel voldaan wordt.
De rechtbank zal derhalve de voortzetting gelasten van de verdere tenuitvoerlegging van de maatregel.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat zij onder de gegeven omstandigheden geen mogelijkheid heeft om de maatregel te beëindigen. Ingevolge art. 38s tweede lid van het Wetboek van Strafrecht kan de maatregel immers enkel beëindigd worden indien voortzetting daarvan niet langer vereist is. Afgezet tegen de dubbele doelstelling van de maatregel, zoals hiervoor genoemd, betekent dat volgens de rechtbank dat beëindiging alleen mogelijk is indien de bij de veroordeelde bestaande problematiek zodanig is verbeterd dat de kans dat veroordeelde weer in soortgelijk delictgedrag vervalt, tot een aanvaardbaar minimum is afgenomen. Daarvan is in dit geval geen sprake.
De rechtbank overweegt eveneens ten overvloede dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de onderhavige maatregel niet de mogelijkheid kennen om deze om te zetten in een andere sanctie.
De rechtbank heeft gelet op artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht en artikel 509aa van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSENDE
Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing van de veroordeelde in een inrichting voor de opvang van verslaafden, bij vonnis van deze rechtbank van 29 januari 2002 opgelegd, wordt voortgezet.
Aldus gegeven door mr. W.M.A.E Cornuit, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. J. Wöretshofer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 december 2002, zijnde mr. J. Wöretshofer buiten staat mede te ondertekenen.