ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5836

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
14 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03-005338-02
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging tot moord met handgranaat

De rechtbank Maastricht behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot moord op twee personen door het vernielen van een ruit en het binnengooien van een handgranaat in de woning van de slachtoffers op 19 oktober 1996.

Tijdens de terechtzittingen op 10 december 2002, 13 februari 2003 en 13 maart 2003 bleek dat er naast de verklaringen van een getuige geen andere bewijsmiddelen aanwezig waren die het ten laste gelegde wettig en overtuigend konden bewijzen. De rechtbank achtte het bewijs onvoldoende om tot een veroordeling te komen.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlasteleggingen. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven en werden de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen werden veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor poging tot moord met handgranaat.

Uitspraak

Parketnummer: 03/005338-02
Datum uitspraak: 14 maart 2003 (bij vervroeging)
RECHTBANK MAASTRICHT
VONNIS
op tegenspraak bij verstek gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen
[Naam verdachte],
geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats], [adres],
thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - HvB Overmaze te
Maastricht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2002, 13 februari 2003 en 13 maart 2003.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 19 oktober 1996 in de gemeente Maastricht ter uitvoering
van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met
een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade
[naam slachtoffer1] en/of [naam slachtoffer2] van het leven te beroven, tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm
beraad en rustig overleg, een ruit van de woning van die [naam slachtoffer1] en/of
[naam slachtoffer2] heeft/hebben vernield en/of (vervolgens) een handgranaat de woning van
die [naam slachtoffer1] en/of die [naam slachtoffer2] heeft/hebben binnengegooid via de ruit van de
kamer waarin die [naam slachtoffer1] en/of die [naam slachtoffer2] verbleef/verbleven , terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden, dat:
hij op of omstreeks 19 oktober 1996 in de gemeente Maastricht ter uitvoering
van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met
een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer1] en/of [naam slachtoffer2] van het leven te beroven, met dat opzet een ruit van de woning van die
[naam slachtoffer1] en/of [naam slachtoffer2] heeft/hebben vernield en/of (vervolgens) een
handgranaat de woning van die [naam slachtoffer1] en/of die [naam slachtoffer2] heeft/hebben
binnengegooid via de ruit van de kamer waarin die [naam slachtoffer1] en/of die [naam slachtoffer2]
verbleef/verbleven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is
voltooid.
Vrijspraak
Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat er naast de verklaringen van de getuige [naam getuige] geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn op grond waarvan het aan verdachte primair of subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd.
De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opheffen met ingang van 14 maart 2003, en de vorderingen van de benadeelde partijen [naam slachtoffer1] en [naam slachtoffer2] niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSINGEN:
De rechtbank
- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
- niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [naam slachtoffer1] in zijn vordering;
- veroordeling van de benadeelde partij [naam slachtoffer1] voornoemd in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;
- niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [naam slachtoffer2] in haar vordering;
- veroordeling van de benadeelde partij [naam slachtoffer2] voornoemd in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.
Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A.S. Arnold, voorzitter, mr. E.W.A. van den Berg-Buntsma en mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.J.M. Vugs, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 maart 2003.
Typ: EV