ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ8619
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.G.L. van der Aa
- R.A.J. van Leeuwen
- T.M. Schalken
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens ernstige overschrijding redelijke termijn in strafzaak merkinbreuk en wapens
De rechtbank Maastricht behandelde een strafzaak tegen verdachte met betrekking tot onder meer het in voorraad hebben en verkopen van namaakmerken, het bezit van verboden wapens en het niet voldoen aan accijnsvoorschriften. De zaak kende een langdurige procedurele geschiedenis met een aanvang van de strafvervolging op 4 februari 2003.
De officier van justitie vorderde niet-ontvankelijkheid wegens een ernstige overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank stelde vast dat de termijn tussen de eerste daad van vervolging en de behandeling van de zaak op 17 januari 2007 ruim 47 maanden bedroeg, wat een overschrijding van 23 maanden betekent ten opzichte van de in jurisprudentie gehanteerde redelijke termijn van 24 maanden.
De rechtbank oordeelde dat de vertraging hoofdzakelijk aan het Openbaar Ministerie te wijten was, aangezien verzoeken van de verdediging slechts een beperkte rol speelden. Er waren geen bijzondere omstandigheden zoals complexiteit of schuld van verdachte die de overschrijding konden rechtvaardigen.
Gelet op de ernst van de overschrijding en het belang van verdachte om niet langer onder dreiging van strafvervolging te leven, verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens een ernstige overschrijding van de redelijke termijn.