De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder gedurende de bouwvergunning- en vrijstellingsprocedure steeds helder voor ogen heeft gehad dat het gebruik van het pand [adres] als studentensociëteit overlast voor de woonomgeving kan veroorzaken. In zijn vergadering van 15 maart 2005 heeft verweerder in beginsel besloten om te bezien of medewerking verleend kon worden aan een mogelijke vestiging van studentenvereniging Circumflex in de [adres] onder de voorwaarden dat:
1.door Circumflex wordt gegarandeerd dat de overlast beperkt blijft onder meer via zware bepalingen in de interne huisregels;
2.er een intensief communicatietraject richting buurt wordt ingezet om overeenstemming met de buurt te creëren.
Ten aanzien van dit laatste punt is de rechtbank gebleken dat verweerder op 6 april 2005 een informatiebijeenkomst heeft gehouden voor de buurt, de bewoners diverse malen op de hoogte heeft gesteld van de stand van zaken middels nieuwsbrieven en een klankbordgroep in het leven heeft geroepen. Een van de voornaamste doelen van deze klankbordgroep, waaraan Argus buurtplatform, omwonenden, vergunninghoudster, Circumflex, gemeente en politie hebben deelgenomen, was te komen tot een convenant dat voorzag in afspraken ter voorkoming van mogelijke overlast van de studentensociëteit naar de directe omgeving toe. Gebleken is voorts dat in mei 2006 eiseres sub 1 is opgericht door een groot aantal buurtbewoners en dat zij aan de besprekingen in de klankbordgroep is gaan deelnemen. In september 2006 is eiseres sub 1 echter vanwege een verschil van mening met de overige deelnemers uit de convenantbesprekingen gestapt. Vervolgens zijn de klankbordgroep¬besprekingen voortgezet en hebben deze overleggen geresulteerd in een convenant. Het convenant voorziet in een regelmatig periodiek overleg tussen de deelnemende partijen onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de gemeente en adequate informatievoor¬ziening door Circumflex naar de buurt toe over bijvoorbeeld activiteiten, het klachtmeldpunt en de afhandeling van klachten. De huis- en gedragsregels van de leden van Circumflex maken onderdeel uit van het convenant. Verder zijn er in het convenant ook inspannings¬verplichtingen opgenomen van Circumflex ter voorkoming van mogelijke overlast buiten het pand, zoals het toezien dat geen consumpties en/of glaswerk mee naar buiten worden genomen, het aanspreken van leden op ongewenst gedrag buiten het pand (en voor zover mogelijk ingrijpen), zorgdragen voor orderlijk verloop van de sluiting van de bar en het voorkomen van samenscholing, het niet vervuilen van de omgeving en dergelijke. Daarnaast heeft vergunninghoudster in haar huurovereenkomst met Circumflex opgenomen dat het convenant en de daaruit voortvloeiende verplichtingen deel uitmaken van de overeenkomst. Er geldt een boetebepaling, indien Circumflex zich niet aan de huurovereenkomst houdt.
De rechtbank is uit de voorhanden zijnde gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat verweerder middels het convenant de overlast, die gerelateerd is aan een vestiging van een studentensociëteit in de [adres], zoveel mogelijk heeft trachten te voorkomen. Mocht overlast zich toch voordoen, dan zal verweerder – zo heeft de rechtbank begrepen – hiertegen optreden via de mogelijkheden, die de Algemene Plaatselijke Verordening biedt om de openbare orde te handhaven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder – anders dan eisers menen – zijn publieke taak om de openbare orde te handhaven niet heeft afgeschoven op Circumflex. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat zijn plicht om op te treden tegen overlast onverkort blijft gelden.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat met het pakket aan beheersmaatregelen, zoals neergelegd in het convenant, voldoende is gewaarborgd dat de omwonenden van de [adres] geen onaanvaardbare overlast als gevolg van de studentensociëteit te duchten zullen hebben. Met betrekking tot het convenant overweegt de rechtbank dat, alhoewel eiseres sub 1 niet heeft meegedaan aan de eindbesprekingen en ook het convenant niet heeft ondertekend, de andere deelnemende partijen wel degelijk aan het convenant zijn gebonden. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan de eerste voorwaarde, genoemd in het principebesluit van 15 maart 2005.
Ook aan de tweede voorwaarde van het besluit van 15 maart 2005 is naar dezerzijds oordeel voldaan, nu sprake is geweest van correspondentie, ontmoetingen en gesprekken tussen – onder meer – de gemeente en buurtbewoners, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een convenant. Dat een en ander niet heeft geleid tot een voor eisers gewenst resultaat, doet aan de zorgvuldigheid van het communicatietraject niets af. Eiseres sub 1 heeft er zelf voor gekozen om zich terug te trekken uit de besprekingen.