ECLI:NL:RBMAA:2009:BI9161
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging gesloten jeugdzorg wegens onvoldoende noodzaak en belangenafweging
Bureau Jeugdzorg verzocht de rechtbank om een machtiging te verlenen voor de uithuisplaatsing van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg vanwege ernstige gedragsproblemen en een verstoorde relatie met de moeder. De minderjarige weigerde mee te werken aan hulpverlening, en Bureau Jeugdzorg stelde dat gesloten plaatsing noodzakelijk was om onderzoek te kunnen doen naar de behandelingsbehoefte zonder dat de minderjarige zich aan de zorg kon onttrekken.
De moeder en de minderjarige verzetten zich tegen de gesloten plaatsing, stellende dat hulpverlening beter vanuit huis kan worden opgestart en dat de gesloten setting schadelijk is voor de minderjarige. Een GGZ-psycholoog en voormalig behandelaar van de minderjarige, drs. Heller, betoogde dat gesloten plaatsing disproportioneel is en mogelijk de problematiek verergert.
De rechtbank beoordeelde of het verzoek voldeed aan de wettelijke vereisten van artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg, waaronder de noodzakelijkheid van gesloten plaatsing bij ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen. Hoewel het indicatiebesluit aan de formele eisen voldeed, was de verklaring van de gedragswetenschapper onvoldoende concreet en overtuigend over de ernst en noodzaak van gesloten plaatsing.
Gezien de twijfel over de noodzaak en de mogelijke schadelijkheid van gesloten plaatsing, mede gelet op het standpunt van drs. Heller, besloot de rechtbank het verzoek af te wijzen. De minderjarige en moeder kunnen de hulpverlening vanuit huis voortzetten, waarbij de begeleiding opnieuw kan worden opgepakt.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging voor gesloten jeugdzorg wordt afgewezen wegens onvoldoende aantoonbare noodzaak en mogelijke schadelijkheid voor de minderjarige.