ECLI:NL:RBMAA:2010:BL8204

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
3 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
355244 CV EXPL 09-5280
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding voor voortijdige ontbinding telefoonabonnement met gratis mobiele telefoon

Intrum Justitia vordert betaling van onbetaalde facturen en schadevergoeding wegens voortijdige ontbinding van een mobiel telefoonabonnement door de gedaagde. De gedaagde betwist betaling met het verweer dat het toestel gestolen is en zij contact heeft opgenomen om het te blokkeren, wat niet is uitgevoerd door de telefoonmaatschappij.

De rechtbank oordeelt dat de gedaagde onvoldoende bewijs levert van de diefstal en het contact met de telefoonmaatschappij. De onbetaalde facturen worden grotendeels toegewezen, maar de gevorderde schadevergoeding voor de resterende abonnementskosten wordt afgewezen omdat de telefoonmaatschappij vanaf ontbinding geen diensten meer leverde.

Wel wordt de schadevergoeding voor het gratis verstrekte mobiele toestel toegewezen, omdat dit een redelijke onderbouwing vormt voor geleden schade. De gevorderde wettelijke rente vanaf dagvaarding wordt toegewezen, maar de vergoeding van incassokosten en vervallen rente wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 3.487,61 plus wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van onbetaalde facturen, wettelijke rente en proceskosten, schadevergoeding voor gratis toestel toegewezen, overige vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Kanton
Locatie Maastricht
zaaknr: 355244 CV EXPL 09-5280
typ: RK
Vonnis d.d. 3 maart 2010
in de zaak
INTRUM JUSTITIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Den Haag,
eisende partij,
verder te noemen: Intrum Justitia
gemachtigden: J.H.L. Sinkiewicz, deurwaarder te Maastricht en mr. P.L.J.M. Guinée, medewerker van Intrum Justitia
tegen
[gedaagde],
wonend te [adres],
gedaagde partij,
in persoon procederend.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Intrum Justitia heeft bij dagvaarding van 30 oktober 2009 een vordering ingesteld tegen [gedaagde] en heeft bij het exploot van dagvaarding twee enkelvoudige producties in fotokopievorm doen meebetekenen.
[gedaagde] heeft ter eerst dienende datum ter rolzitting mondeling geantwoord in de navolgende zin: “Ik wil niet betalen. Mijn telefoontoestel is gestolen in februari 2009. Ik heb contact opgenomen met [telefoonmaatschappij] om mijn toestel te blokkeren. Zij hebben dat niet gedaan. Ik heb aangifte gedaan bij de politie en heb de bewijsstukken hiervan 2 à 3 maanden geleden naar de deurwaarder gestuurd”.
Intrum Justitia heeft in voortgezet debat voor repliek geconcludeerd, onder verwijzing naar drie, deels meervoudige, extra producties in fotokopievorm.
[gedaagde] heeft vervolgens voor dupliek geconcludeerd.
Daarna is vonnis bepaald op heden.
MOTIVERING
de vordering
Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert Intrum Justitia de veroordeling van [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 4.017,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2009 over € 3.487,61 tot aan de dag van algehele voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de kosten van het geding.
De vordering is als volgt opgebouwd:
€ 3.487,61 hoofdsom (onbetaald gebleven facturen [telefoonmaatschappij])
€ 79,77 tot en met 13 oktober 2009 vervallen wettelijke rente
€ 450,00 vergoeding van buitengerechtelijke kosten (exclusief btw).
het geschil
Bij exploot van dagvaarding stelt Intrum ter onderbouwing van haar vordering dat [gedaagde] zich bij [telefoonmaatschappij] (verder te noemen: [telefoonmaatschappij]) heeft “aangemeld om tegen betaling gebruik te maken van (tele)communicatiediensten, zoals toegang verlenen tot netwerken van mobiele en vaste telefonie”. Pas bij repliek is die stelling in die zin geconcretiseerd dat [gedaagde] op 23 september 2008 bij [telefoonmaatschappij] een abonnement voor (het gebruik van) mobiele telefonie is aangegaan voor de duur van 24 maanden, althans ‘tenminste’ een jaar.
[gedaagde] is met de nakoming van de contractuele betalingsverplichtingen in gebreke gebleven. De onbetaald gelaten facturen zijn in kopie bij repliek in het geding gebracht.
Wegens aanhoudend betalingsverzuim heeft [telefoonmaatschappij] de overeenkomst eenzijdig ontbonden per 27 mei 2009.
[telefoonmaatschappij] heeft haar vordering op enig moment aan Intrum verkocht en gecedeerd, van welke overdracht [gedaagde] schriftelijk in kennis is gesteld.
[gedaagde] is volgens Intrum op grond van de wet verplicht tot volledige vergoeding (thans aan Intrum) van de schade die [telefoonmaatschappij] lijdt “doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.” [telefoonmaatschappij] heeft het bedrag van die schade gefixeerd op de nog resterende abonnementsgelden tot het einde van de contractperiode. Alleen de overgelegde factuur van 10 juni 2009 ten bedrage van € 435,22 betreft die schade. De overige facturen hebben betrekking op abonnementskosten en gebruikskosten. Bij het aangaan van de overeenkomst heeft [gedaagde] van [telefoonmaatschappij] een telefoontoestel van het type [telefoon] om niet ontvangen. De waarde van dit toestel is volgens Intrum ‘onbekend’.
[gedaagde] stelt dat haar telefoontoestel in februari 2009 gestolen is en dat zij (op een
later moment) contact heeft opgenomen met [telefoonmaatschappij] om haar toestel te laten blokkeren. [telefoonmaatschappij] heeft dit laatste echter niet gedaan. (Een medewerker van) [telefoonmaatschappij] heeft bij ‘een later contact gezegd dat zij aangifte bij de politie moest doen’ (van de diefstal). [gedaagde] heeft vervolgens op een wederom onvermeld gelaten datum aangifte bij de politie gedaan. Bewijsstukken van die aangifte zegt zij ‘2 à drie maanden’ geleden naar de deurwaarder gestuurd te hebben.
de beoordeling
[gedaagde] betwist niet de onderhavige overeenkomst met [telefoonmaatschappij] te hebben gesloten. [gedaagde] betwist evenmin dat zij schriftelijk in kennis is gesteld van cessie van de rechten van [telefoonmaatschappij] jegens haar aan Intrum.
Nu de onderhavige overeenkomst aldus vaststaat en [telefoonmaatschappij] zich aan de (aanvankelijke) leveringsverplichting heeft gehouden, dient [gedaagde] de facturen die betrekking hebben op de periode dat [telefoonmaatschappij] haar netwerk ter beschikking stelde, te voldoen.
[gedaagde] noemt geen enkele precieze datum voor beweerde gebeurtenissen en/of handelingen. Zelfs de datum en de omstandigheden van de ‘diefstal’ van het telefoontoestel zijn in het vage gebleven. Ook nadat [telefoonmaatschappij] bij repliek gemotiveerd betwist had dat [gedaagde] in januari 2009 aan [telefoonmaatschappij] melding gemaakt had van diefstal, is [gedaagde] in haar conclusie van dupliek uitermate vaag gebleven over de momenten waarop zij naar haar zeggen (telefonisch) contact met [telefoonmaatschappij] gehad heeft. [gedaagde] zegt slechts dat zij ‘destijds’ contact opgenomen heeft met [telefoonmaatschappij], dat bij ‘een later contact’ door [telefoonmaatschappij] gezegd werd dat zij aangifte moest doen en dat zij dat ‘toen’ alsnog gedaan heeft. [gedaagde] acht het kennelijk niet nodig om ook maar één woord te wijden aan de omstandigheden waaronder (en waar) de diefstal heeft plaatsgevonden. Ook het gestelde telefonische contact in januari dan wel februari 2009 heeft zij niet van bijzonderheden voorzien als tijdstip, namen van een persoon of van personen met wie zij gesproken zou hebben dan wel een beknopte weergave van het gesprek. Zelfs een kopie van (het p.v. van) de aangifte van de diefstal wordt door [gedaagde] niet in het geding gebracht, noch biedt zij op welk punt dan ook specifiek bewijs aan. Daarbij komt nog dat uit de door Intrum overgelegde facturen, die qua inhoud niet door [gedaagde] betwist worden, blijkt dat in februari en maart 2009 voor een substantieel deel naar dezelfde telefoonnummers is gebeld als in januari 2009, hetgeen het relaas van [gedaagde] er bepaald niet geloofwaardiger op maakt. Het verweer van [gedaagde] dienaangaande kan niet slagen. De facturen ten belope van respectievelijk € 274,64,
€ 1.167,89, € 1.595,37 en € 14,49 zijn in onvoldoende mate betwist.
Dat deel van de vordering komt dan ook voor toewijzing in aanmerking,
Wat betreft de gevorderde hoofdsom resteert dan ter beoordeling nog een bedrag van
€ 435,22, dat betrekking heeft op de ‘resterende maanden aan abonnementsgelden’ (in werkelijkheid een schadevergoedingsclaim). Intrum stelt dat [telefoonmaatschappij], indien de overeenkomst niet (voortijdig) ontbonden was, ten minste aanspraak zou hebben gehad op het totaal van de vaste abonnementskosten tot aan het einde van de overeengekomen contractperiode. Genoemd bedrag betreft dus gederfde winst en wordt thans als vergoeding van geleden schade door Intrum gevorderd.
De kantonrechter is van oordeel dat de schade van [telefoonmaatschappij]/Intrum niet gelijk is aan gederfde inkomsten. Tegenover de contractuele verplichting tot betaling van de vaste abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst hebben immers vanaf het moment van afsluiting van het mobiele netwerk geen diensten van [telefoonmaatschappij] meer gestaan. [telefoonmaatschappij] hoefde vanaf dat moment ook ten opzichte van [gedaagde] geen kosten meer te maken die samenhangen met de instandhouding van een mobiele telefonieaansluiting of een netwerk, althans geen kosten die aan een individuele gebruiker als [gedaagde] toegerekend kunnen worden. Hetgeen te dien aanzien is aangevoerd biedt derhalve onvoldoende grondslag voor toewijzing van dit deel van de gevorderde hoofdsom.
Dit ligt anders ten aanzien van het gratis verstrekte mobiele telefoontoestel. Intrum stelt dat [telefoonmaatschappij] dergelijke ‘investeringen’ slechts doet vanuit de gerechtvaardigde verwachting dat de klant, in casu [gedaagde], nakomt waartoe hij/zij zich heeft verbonden in de situatie dat een overeenkomst dus niet voortijdig hoeft te worden ontbonden of niet tussentijds eindigt. [gedaagde] betwist niet dat zij bij aanvang van de overeenkomst een telefoontoestel van het type S[telefoon], om niet heeft ontvangen. Dat Intrum de exacte waarde van dit telefoontoestel niet (meer) weet te noemen, acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden niet doorslaggevend, althans onvoldoende om de gehele claim ter zake af te wijzen. Nu een bedrag van € 435,22 voor een nieuw mobiel telefoontoestel als het onderhavige niet als disproportioneel hoog is aan te merken, heeft Intrum de gestelde schade hiermee voldoende onderbouwd. Ook dit onderdeel van de gevorderde hoofdsom zal derhalve worden toegewezen.
De post vervallen rente zal worden afgewezen, nu Intrum niet heeft gesteld met ingang van welke precieze datum [gedaagde] met de betaling van de hoofdsom in verzuim is. Hiermee is onduidelijk gebleven over welke periode(n) en krachtens welke feitelijke en juridische gronden (wettelijke) rente is berekend. Wel is de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding toewijsbaar, omdat die dagvaarding per 30 oktober 2009 in elk geval verzuim heeft doen intreden.
De gevorderde vergoeding van incassokosten zal eveneens worden afgewezen. De met zulke (eventuele) kosten samenhangende werkzaamheden zijn immers verricht tijdens een periode waarvan niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde] in verzuim was. Hieruit volgt dat niet vastgesteld kan worden dat er sprake is van redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder c BW.
[gedaagde] zal wel als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de aan de zijde van Intrum gevallen proceskosten worden veroordeeld.
BESLISSING
Veroordeelt [gedaagde] om aan Intrum tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van
€ 3.487,61, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2009 tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Intrum tot de datum van dit vonnis begroot op € 587,25, bestaande uit € 300,00 aan salaris gemachtigde, € 208,00 aan vastrecht en € 79,25 aan explootkosten.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.