ECLI:NL:RBMAA:2010:BN0983

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
13 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03/700251-08
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 302 SrArt. 5 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van opzet bij verkeersongeval met mogelijk epileptische aanval

De rechtbank Maastricht heeft verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit van doodslag en het subsidiair tenlastegelegde feit van opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het verkeer. De rechtbank oordeelt dat uit het rijgedrag van verdachte niet kan worden afgeleid dat hij opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op de dood of het letsel van het slachtoffer.

Het slachtoffer verklaarde dat verdachte hem voorrang verleende en hem vervolgens achterop zijn fiets reed. Getuigen beschreven het rijgedrag als kalm en met een snelheid van maximaal 30 km/u, waarbij de auto de bocht ruim nam en zonder te accelereren tegen de fietser aanreed. Verdachte verklaarde dat hij een epileptische aanval had gehad, wat door deskundigen niet uitgesloten kon worden.

De rechtbank stelt vast dat het rijgedrag mogelijk een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 inhoudt, maar dit is niet tenlastegelegd en het gedrag was niet zodanig agressief dat opzet kan worden aangenomen. De deskundigen bevestigen dat een lichte epileptische aanval een tijdelijke afwezigheid kan veroorzaken zonder zichtbare symptomen, wat verklaart waarom getuigen geen uiterlijke tekenen zagen.

Gezien het ontbreken van bewijs voor opzet en de mogelijkheid van een epileptische aanval spreekt de rechtbank verdachte vrij. Tevens wordt de teruggave van de in beslag genomen personenauto gelast.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor opzet en mogelijke epileptische aanval tijdens het ongeval.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Strafrecht
Parketnummer: 03/700251-08
Datum uitspraak: 13 juli 2010
Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboortegegevens verdachte],
wonende te [adresgegevens verdachte].
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 april 2008, in de gemeente Landgraaf, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, als bestuurder van zijn, verdachtes, (personen)auto op voornoemde [naam slachtoffer 1] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:
hij op of omstreeks 11 april 2008, in de gemeente Landgraaf, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van zijn, verdachtes, (personen)auto op die [naam slachtoffer 1] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het requisitoir
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken omdat zij het opzet niet wettig en overtuigend bewezen acht.
De raadsvrouw heeft op dezelfde grond vrijspraak bepleit.
De vrijspraak
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.
Zij overweegt hieromtrent als volgt.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of bij verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – heeft bestaan op de dood van het slachtoffer of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.
Nu verdachte zelf aangeeft zich niets meer te kunnen herinneren van het incident omdat hij op dat moment een epileptische aanval zou hebben gehad, zal de rechtbank die vraag moeten beantwoorden aan de hand van de waarnemingen en bevindingen van betrokkenen (het slachtoffer) en derden (de getuige en de deskundigen), alsmede de sporen van het ongeval.
Het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte hem voorrang verleende op de t-splitsing en nadat hij deze was gepasseerd, optrok en achter tegen zijn fiets aanreed. Toen verdachte uitstapte zag hij er bang uit en zei hij dat hij een epileptische aanval had gehad. Het slachtoffer heeft bovendien verklaard dat “het nu al de tweede keer is”.
Getuige [naam getuige 1] beschrijft hoe verdachte kalm linksaf sloeg en met onverminderde snelheid, hoogstens 30 km/u, de Baanstraat opreed. De auto nam daarbij de bocht veel te ruim en reed - zonder te acceleren - tegen de fietser op. De bestuurder van de auto stapte uit en zei dat hij een epileptische aanval had gehad. Hij keek daarbij heel angstig.
Het technische sporenonderzoek geeft een beschrijving van de gebeurtenis van het ongeval maar voegt inhoudelijk geen andere informatie aan het vorenstaande toe.
Over meer informatie met betrekking tot het rijgedrag van verdachte beschikt de rechtbank niet.
Afgezien van de vraag of verdachte ten tijde van het ongeval een epileptische aanval had, kan de rechtbank dus enkel vaststellen dat verdachte, nadat het slachtoffer de t-splitsing was gepasseerd, optrok, niet harder reed dan 30 km/u, de bocht naar links veel te ruim maakte en daarbij het slachtoffer van achteren aanreed.
Dat het slachtoffer geroepen zou hebben: “Het is nu al de tweede keer” blijkt niet te slaan op een eerdere aanrijding, maar op het feit dat het slachtoffer en verdachte jaren eerder een conflict hebben gehad waarbij verdachte één of meerdere ruiten bij het slachtoffer heeft ingegooid.
Onder deze omstandigheden levert het rijgedrag van verdachte vermoedelijk een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 op. Dit is echter niet tenlastegelegd. Het rijgedrag is in casu echter niet van dien aard dat al op grond daarvan kan worden aangenomen dat verdachte willens en wetens het aanmerkelijke risico heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden of ernstig letsel zou oplopen. Om die conclusie te kunnen trekken is, zo blijkt uit relevante jurisprudentie, immers een veel agressiever rijgedrag vereist. Andere bewijsmiddelen voor het bestaan van voorwaardelijk opzet ontbreken eveneens. Alleen al daarom dient verdachte te worden vrijgesproken.
Los hiervan is een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid dat verdachte inderdaad een epileptische aanval heeft gehad. Vaststaat dat verdachte lijdt aan epilepsie. De geraadpleegde deskundigen (psychiater dr. Canton; neuroloog professor dr. Jonker en gedragsdeskundige dr. Peters) geven allen aan dat een epileptische aanval ten tijde van het ongeval zeker niet kan worden uitgesloten. In het bijzonder een kleine aanval zou hebben kunnen leiden tot een kortdurende “afwezigheid”, waarna bij verdachte niet de gevolgen zouden optreden die doorgaans zichtbaar zijn bij een grote aanval. Dat, zo begrijpt de rechtbank, zou verklaren waarom personen die verdachte direct na het ongeval hebben gezien bij hem niet de uiterlijke verschijnselen waarnamen die doorgaans bij een epileptische aanval horen.
Heeft een epileptische aanval plaatsgevonden ten tijde van het voorval, dan is verdachte op dat moment niet in staat geweest tot “bewust” rijden, zodat ook daarom van opzet bij verdachte geen sprake is.
Op grond van de overgelegde rapporten van de deskundigen komt de rechtbank tot de slotsom dat de kans op het bestaan van een epileptische aanval ten tijde van het ongeval in ieder geval zo groot is geweest, dat niet meer met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid die mogelijkheid kan worden uitgesloten. Ook dat is een reden voor de rechtbank om verdachte, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsvrouw is bepleit, vrij te spreken.
Het beslag
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken zal de rechtbank de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen personenauto gelasten.
DE BESLISSINGEN:
De rechtbank
- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
- gelast de teruggave aan verdachte van:
20300178959 1 een personenauto, kenteken [11-22-33], merk Seat, type Cordoba 16, bouwjaar 1995, kleur: rood;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. A.W. Oosterman en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Haanen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 13 juli 2010.
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Strafrecht
Parketnummer: 03/700251-08
Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 13 juli 2010 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboortegegevens verdachte],
wonende te [adresgegevens verdachte].
Tegenwoordig:
mr. , rechter,
mr. , officier van justitie,
dhr./mevr. , griffier.
De rechter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.
De rechter spreekt het vonnis uit.
Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.
Raadsvrouw mr. A.E.P. Kooi, advocaat te Schinnen.