ECLI:NL:RBMAA:2010:BN5496
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens bewijsuitsluiting door ontbreken cautie bij vraag over bezit verdovende middelen
Op 28 november 2009 werd verdachte aangehouden nadat verbalisanten een sterke weedlucht roken en verdachte vroegen of hij verdovende middelen bij zich had. Verdachte bevestigde dit, waarna hij softdrugs overhandigde en bij fouillering harddrugs werden aangetroffen. De politierechter oordeelde dat voorafgaand aan de vraag over betrokkenheid bij een strafbaar feit de cautie gegeven had moeten worden, wat niet gebeurde. Dit vormverzuim is onherstelbaar en raakt het zwijgrecht, een fundamenteel recht van de verdachte.
De officier van justitie stelde dat geen cautie nodig was omdat de wet dit niet vereist bij vordering tot uitlevering van verdovende middelen, en dat het vormverzuim slechts betrekking had op softdrugs. De politierechter verwierp dit en stelde dat het vragen naar bezit een vraag naar betrokkenheid bij een strafbaar feit is, waarvoor cautie vereist is. Gezien het belang van het voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel voor verdachte, besloot de politierechter tot bewijsuitsluiting van alle aangetroffen verdovende middelen.
Met uitsluiting van dit bewijs was er onvoldoende bewijs voor een veroordeling, waardoor verdachte werd vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten van het bezit en vervoer van hard- en softdrugs. Het vonnis werd uitgesproken op 30 augustus 2010 door politierechter M.B. Bax.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens bewijsuitsluiting door het niet geven van de cautie voorafgaand aan de vraag over bezit van verdovende middelen.