ECLI:NL:HR:2001:AB2066
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bewijs bij vordering tot uitlevering verdovende middelen
De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens meermalig opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, waarbij verdovende middelen in zijn woning werden aangetroffen. De verdediging stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de politie bij de vordering tot uitlevering van verdovende middelen geen cautie had gegeven, waardoor het bewijs niet gebruikt mocht worden.
Het hof oordeelde echter dat de mededelingen van verdachte niet de reden waren voor het vinden van de drugs; deze werden aangetroffen in het zicht op een tafel en in een jas in de slaapkamer. De Hoge Raad bevestigde dat de politie bevoegd was de uitlevering te vorderen op grond van art. 9 lid 3 Opiumwet Pro en dat voorafgaande cautie niet vereist was omdat deze vordering geen vraag naar betrokkenheid bij een strafbaar feit inhield.
Het cassatieberoep faalde en de veroordeling bleef in stand. De Hoge Raad vond geen reden om ambtshalve te vernietigen en wees het beroep af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte wegens overtreding van de Opiumwet met twaalf maanden gevangenisstraf.