ECLI:NL:RBMAA:2010:BO6371
Rechtbank Maastricht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verbod op publieke diskwalificerende uitlatingen tussen ex-advocaat en cliënt
In deze zaak vordert eiser, een voormalig cliënt, dat gedaagde, zijn voormalige advocaat, wordt verboden om zich publiekelijk en in de media onheus, diskwalificerend en onrechtmatig over hem uit te laten. De vordering volgt op een reeks uitlatingen van gedaagde, waaronder termen als "onbetrouwbaar sujet" en "addergebroed", die eiser in zijn eer en goede naam aantasten.
De feiten betreffen een contractuele relatie tussen partijen van mei tot juni 2009, waarin gedaagde als advocaat van eiser optrad. Na beëindiging van deze relatie heeft gedaagde zich publiekelijk negatief uitgelaten over eiser, onder meer in kranten en een televisie-uitzending. De Raad van Discipline verklaarde een klacht van eiser tegen gedaagde gegrond wegens schending van gedragsregels en geheimhoudingsplicht.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de geheimhoudingsplicht ook na beëindiging van de relatie voortduurt en dat de uitlatingen van gedaagde ongepast en onrechtmatig zijn. Hoewel gedaagde een beroep deed op vrijheid van meningsuiting en rechtvaardigingsgronden, acht de rechter die niet langer van toepassing. Daarom wordt gedaagde verboden zich publiekelijk onheus over eiser uit te laten, onder dwangsom. De vordering tot verbod op uitlatingen jegens derden wordt afgewezen omwille van het recht op verdediging in tuchtprocedures.
Uitkomst: Gedaagde wordt verboden zich publiekelijk onheus en diskwalificerend uit te laten over eiser onder dwangsom van €5.000 per overtreding.