ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ2069

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
11 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
155459 / FA RK 10-1515
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253b BWArt. 1:253d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toewijzing ouderlijk gezag aan moeder na overlijden voogd

De minderjarige stond onder voogdij van de grootmoeder moederszijde, benoemd vanwege de aanvankelijke gezagsonbevoegdheid van de moeder. Na het overlijden van de voogd op 4 mei 2010 heeft de rechtbank ambtshalve moeten voorzien in de gezagsregeling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde om het gezag aan de moeder toe te wijzen, aangezien zij al jaren verantwoordelijk is voor de opvoeding en verzorging van haar kinderen, inclusief de minderjarige.

De rechtbank overweegt dat er geen specifieke wettelijke regeling bestaat voor ambtshalve toewijzing van gezag aan een inmiddels gezagsbevoegde moeder na overlijden van de voogd. Daarom wordt aansluiting gezocht bij de artikelen 1:253d en 1:253b BW, die bepalen dat het gezag aan de moeder kan worden toegekend tenzij dit de belangen van het kind schaadt. Omdat de vader onbekend is en het advies van de raad positief is, wordt het gezag aan de moeder toegekend.

De beschikking is op 11 april 2011 in het openbaar uitgesproken en verklaard uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Uitkomst: De rechtbank wijst het ouderlijk gezag over de minderjarige toe aan de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Datum uitspraak: 11 april 2011
Zaaknummer: 155459 / FA RK 10-1515
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarige:
[de minderjarige],
geboren te [geboortegegevens]
Belanghebbenden:
[de moeder]
de moeder van de minderjarige,
wonende te [adres],
en
[de grootvader],
grootvader moederszijde.
wonende te [adres].
1. Verloop van de procedure
De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen heeft bij schrijven van 18 oktober 2010 mededeling gedaan van het overlijden op 4 mei 2010 van [de grootmoeder], grootmoeder moederszijde, die de voogdij over de minderjarige [de minderjarige], verder te noemen: [de minderjarige], uitoefende.
De Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen: de raad, heeft op 25 januari 2011 een rapport uitgebracht.
2. Vaststaande feiten
[de minderjarige] is op [geboortegegevens] geboren als kind van [de moeder].
Bij beschikking van de kantonrechter te Heerlen van 1 mei 2002 is [de grootmoeder] benoemd tot voogdes over [de minderjarige] vanwege de minderjarigheid van de moeder.
De voogdes is op 4 mei 2010 overleden.
2. Beoordeling
Nu de voogdes, [de grootmoeder], is overleden, dient de rechtbank ambtshalve in het gezag over [de minderjarige] te voorzien.
De raad heeft in zijn rapportage geadviseerd om de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] nu de moeder al enkele jaren op een verantwoorde wijze invulling geeft aan de opvoeding en verzorging van haar twee andere kinderen, [minderjarige A] en [minderjarige B]. Daarnaast heeft de moeder al gedurende het gehele leven van [de minderjarige] een belangrijk aandeel in haar leven gehad en neemt zij inmiddels al enkele maanden alle verantwoordelijkheden ten aanzien van [de minderjarige] op zich. [de minderjarige] verblijft hoofdzakelijk bij de moeder en deze besteedt zorg en aandacht aan haar ontwikkeling en ontwikkelingstaken en geeft ruimte voor de contacten met grootvader moederszijde. [de minderjarige] gedijt goed in het gezin bij de moeder die de kinderen centraal stelt.
De situatie, waarbij de moeder het gezag heeft, sluit ook aan bij de wensen van [de minderjarige] om een moeder te hebben die de zaken van haar mag regelen en bepalen.
De rechtbank stelt voorop dat in Titel 14 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen regeling is getroffen voor de door de rechtbank toe te passen criteria in geval van de ambtshalve toewijzing van het gezag aan de inmiddels gezagsbevoegd geworden moeder wanneer de eerder, in verband met de aanvankelijke gezagsonbevoegdheid van de moeder benoemde voogd is komen te overlijden. Voor de beoordeling van de vraag of het gezag aan de moeder zal worden toegewezen zal de rechtbank aansluiting zoeken bij artikel 1:253d in verbinding met artikel 1:253b BW, welke bepalingen onder meer zien op de beoordeling van een verzoek van een inmiddels gezagsbevoegd geworden moeder na openvallen van het gezag.
Op grond van artikel 1:253 lid 1 BW Pro kan, indien de voorziening in het gezag als bedoeld in artikel 1:253b lid 1 BW (in dit geval de voogdij over [de minderjarige] in verband met de aanvankelijke gezagsonbevoegdheid van de moeder) komt te ontbreken (in dit geval door het overlijden van de voogd), de inmiddels gezagsbevoegde moeder met het gezag worden belast. Nu de vader van [de minderjarige] niet bekend is, volgt uit het eerste en het derde lid van artikel 1:253d BW in onderling verband gelezen dat van toewijzing van het gezag aan de moeder slechts zou moeten worden afgezien, indien dit tot gevolg zou hebben dat de belangen van [de minderjarige] daardoor zouden worden verwaarloosd. Nu uit het advies van de raad blijkt dat de belangen van [de minderjarige] bij toewijzing van het gezag aan de moeder juist zijn gediend, zal de rechtbank overeenkomstig het advies van de raad beslissen.
5. Beslissing
De rechtbank:
Bepaalt dat de moeder het ouderlijk gezag over [de minderjarige], geboren te [geboortegegevens] zal uitoefenen.
Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, rechter en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.
LF
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.