ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1157
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ambtshalve naamswijziging minderjarige na erkenning door vader
De zaak betreft een verzoek van de moeder van een minderjarige om de ambtshalve wijziging van de achternaam van haar kind ongedaan te maken. De minderjarige was geboren met de achternaam van de moeder en werd later erkend door de biologische vader, die eerder een ander kind had erkend met een andere achternaam. De ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigde de achternaam van de minderjarige naar die van het eerste erkende kind, verwijzend naar artikel 1:5 lid 8 BW Pro.
De rechtbank beoordeelde dat ten tijde van de erkenning van het eerste kind geen naamskeuze mogelijk was en dat de ouders bij de erkenning van het eerste kind geen naamskeuze hadden gemaakt. Hierdoor is de situatie volgens de rechtbank anders dan door de ambtenaar geïnterpreteerd. De ouders hadden bovendien uitdrukkelijk verklaard dat de achternaam van de minderjarige na erkenning dezelfde moest blijven als voorheen.
De rechtbank concludeerde dat de ambtenaar ten onrechte was afgeweken van de erkenningsakte en gelastte de verbetering van de akte zodat de achternaam van de minderjarige weer de oorspronkelijke naam wordt. Het verzoek tot verklaring dat artikel 1:5 lid 8 BW Pro niet van toepassing is, werd afgewezen.
Tenslotte oordeelde de rechtbank dat de wijziging van de naam niet kan worden gezien als een kennelijke schrijffout die ambtshalve verbeterd kon worden. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Maastricht op 21 juni 2011.
Uitkomst: De rechtbank gelast de verbetering van de akte zodat de minderjarige de oorspronkelijke achternaam behoudt.