ECLI:NL:RBMAA:2011:BW8402
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongeldigheid pandrecht op vordering wegens uitsluiting overdraagbaarheid in commanditaire vennootschap
De Rabobank vorderde een verklaring voor recht dat zij een rechtsgeldig pandrecht heeft op de vordering van BV1 op de commanditaire vennootschap (CV) ter zake van het saldo van haar kapitaalrekening. Dit pandrecht zou zekerheid bieden voor verstrekte kredieten aan BV1 en andere verbonden vennootschappen. Na het faillissement van BV1 en BV2 weigerde de curator het resterende saldo van de kapitaalrekening aan de Rabobank uit te betalen.
De curator voerde verweer dat het pandrecht ongeldig is omdat de overdraagbaarheid van het vennootschapsbelang in de CV is uitgesloten in de overeenkomst tussen de vennoten. Artikel 5 van Pro deze overeenkomst verbiedt zonder toestemming van de andere vennoten het vervreemden of bezwaren van rechten met betrekking tot de vennootschap. Omdat geen toestemming was gegeven, kon geen geldig pandrecht ontstaan.
De rechtbank overwoog dat volgens artikel 3:83 lid 2 BW Pro verpanding van een vordering die niet overdraagbaar is, ongeldig is. Ook bood artikel 3:239 lid 4 BW Pro geen bescherming aan de Rabobank, omdat er geen sprake was van beschikkingsonbevoegdheid die voortkomt uit een eerdere ongeldige overdracht. De vordering van de Rabobank werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten van de curator.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Rabobank af wegens ongeldig pandrecht op de vordering van BV1 op de commanditaire vennootschap.